ECLI:NL:TGZRAMS:2025:201 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7819
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:201 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-08-2025 |
| Datum publicatie: | 12-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7819 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat hij in 2024 in een één op één gesprek met klagers zoon, die toen 12 jaar oud was, de dosering van de medicatie methylfenidaat heeft verhoogd zonder overleg met klager die co-ouder is, en met gevolgen voor de geestelijke gezondheid van de zoon.Het college twijfelt er niet aan dat de huisarts de verandering van de dosering van de medicatie heeft besproken met klagers zoon in bijzijn van klagers ex-partner, en dat dit niet is gebeurd in een één op één gesprek met klagers zoon. Wat het niet inlichten van klager betreft, overweegt het college dat de huisarts niet apart instemming van beide ouders hoefde te vragen bij de geringe verhoging van de dosis van een medicijn dat al enige tijd werd gebruikt. De huisarts mocht ervan uitgaan dat de ouders elkaar hierover zouden inlichten. Dat zou anders zijn als de huisarts had geweten dat de relatie tussen klager en zijn ex-partner sterk verstoord was, maar die informatie had de huisarts niet. Bovendien had klagers zoon bij de huisarts laten weten dat hij liever afstand bewaarde tot klager. Omdat klagers zoon toen al 12 jaar oud was heeft de huisarts dat terecht zwaar laten meewegen. De klacht wordt ongegrond verklaard. |
A2024/7819
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 12 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B.
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de huisarts dat hij in 2024 in een één op één gesprek met klagers
zoon, die
toen 12 jaar oud was, de dosering van de medicatie methylfenidaat heeft verhoogd
zonder overleg met
klager die co-ouder is, en met gevolgen voor de geestelijke gezondheid van de zoon.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht
kennelijk
ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen
te stellen en
dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt
het college eerst
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 november 2024;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de later toegevoegde bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 15 mei 2025;
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). De huisarts was daar aanwezig,
klager was
zonder bericht van verhindering afwezig.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
De huisarts heeft in 2024 de dosering van de medicatie methylfenidaat verhoogd bij
de toen
12-jarige zoon van klager in verband met ADHD-problematiek. In de week na de verhoging
van de
dosering hebben zich escalaties voorgedaan in het gedrag van de zoon.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klager heeft de huisarts onjuist gehandeld, omdat hij bij de verhoging
van de
dosering van de medicatie methylfenidaat niet heeft nagedacht over de gevolgen daarvan
voor het
gedrag van klagers zoon. Bovendien is klager van mening dat de diagnose ADHD nooit
officieel is
vastgesteld. Klager zegt dat zijn zoon de week na de verhoging van de dosering van
een brug af
wilde springen, waarbij de politie heeft moeten ingrijpen. Daarnaast verwijt klager
de huisarts dat
de huisarts deze beslissing heeft genomen in een één op één gesprek met klagers
toen 12-jarige
zoon, en dat klagers ex-partner ten onrechte had gezegd dat het contact tussen klager
en zijn zoon
goed zou zijn. Klager vindt dat de huisarts hem als co-ouder om toestemming had
moeten vragen.
4.2 De huisarts heeft aangevoerd dat klagers zoon ernstige ADHD-klachten had. Eerder
had hij de
zoon 2 keer 10 mg methylfenidaat per dag voorgeschreven, waarna de klachten sterk
verminderden.
Toen na een half jaar de klachten toch weer toenamen heeft hij de dosering verhoogd
naar 1 keer 36
mg per dag. De huisarts heeft bevestigd dat er zich in de week na de verhoging van
de dosering
escalaties hebben voorgedaan in het gedrag van de zoon, maar dat dit niet kwam doordat
de dosering
was verhoogd, maar omdat er bij de zoon al langer sprake was van veel psychisch
belastende
factoren. De huisarts zegt verder dat hij klagers zoon nooit één op één heeft gesproken
en dat de
verhoging van de dosering plaatsvond in overleg met de ex-partner van klager. Hij
heeft daaraan
toegevoegd dat de zoon volwassener werd, en uitgesprokener was in zijn wens om afstand
te nemen van
zijn vader, waardoor er voor de arts ook minder reden was om klager als vader te
betrekken bij
contacten die de huisarts had met de zoon. Tot slot heeft de huisarts gezegd dat
de contacten
tussen hem en klager stroef verliepen, ondanks de pogingen van de huisarts om klager
te helpen, en
dat klager de huisarts meerdere malen bedreigd heeft.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.3 Het college is van oordeel dat de huisarts bij klagers zoon de diagnose ADHD
als aannemelijk
heeft kunnen beoordelen en heeft kunnen starten met een proefbehandeling met medicatie.
Daarvoor
was in dit geval uitgebreid psychologisch en gedragsmatig onderzoek niet vereist.
De huisarts heeft
aangevoerd dat hij vaker patiënten behandelt met ADHD en dat klagers zoon voldeed
aan alle criteria
voor deze aandoening. Bovendien hielp de methylfenidaat tegen de klachten van de
zoon, wat de
juistheid van de diagnose lijkt te bevestigen. Dat klagers zoon een week na de verhoging
van de
dosering methylfenidaat zeer zorgelijk emotioneel gedrag vertoonde kan naar het
oordeel van het
college niet worden toegeschreven aan de verhoging van de dosering. Het ging immers
om een
betrekkelijk geringe verhoging, wat gezien moet worden als een bijstelling van een
al eerder
ingezet medisch beleid. Een lichte verandering van de dosering van een medicijn
als methylfenidaat
heeft niet dit effect.
5.4 Het college twijfelt er niet aan dat de huisarts de verandering van de dosering
van de
medicatie heeft besproken met klagers zoon in bijzijn van klagers ex-partner, en
dat dit niet is
gebeurd in een één op één gesprek met klagers zoon. Wat het niet inlichten van klager
betreft,
overweegt het college dat de huisarts niet apart instemming van beide ouders hoefde
te vragen bij
de geringe verhoging van de dosis van een medicijn dat al enige tijd werd gebruikt.
De huisarts
mocht ervan uitgaan dat de ouders elkaar hierover zouden inlichten. Dat zou anders
zijn als de
huisarts had geweten dat de relatie tussen klager en zijn ex-partner sterk verstoord
was, maar die
informatie had de huisarts niet. Bovendien had klagers zoon bij de huisarts laten
weten dat hij
liever afstand bewaarde tot klager. Omdat klagers zoon toen al 12 jaar oud was heeft
de huisarts
dat terecht zwaar laten meewegen.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J.C.J. Dute, lid-jurist, G.J. Dogterom, A. Medema en A. Wewerinke, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.