ECLI:NL:TGZRAMS:2025:199 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8163
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:199 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-08-2025 |
| Datum publicatie: | 12-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8163 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager heeft op 13 januari 2025 contact opgenomen met de huisarts nadat hij sinds een dag last had van pijnaanvallen in de buik, en heeft gezegd dat hij dacht aan galsteenaanvallen. De huisarts heeft klager onderzocht en een expectatief beleid gevoerd. De volgende dag is klager naar de SEH geweest en bleek sprake te zijn van een galblaas- en alvleesklierontsteking. Klager verwijt de huisarts dat hij hem niet direct voor bloedonderzoek heeft doorverwezen, geen vangnetadvies heeft gegeven en geen nazorg heeft verleend.Wat betreft het consult en het vangnetadvies overweegt het college het volgende. Uit het lichamelijk onderzoek kwam naar voren dat klager op dat moment geen koorts had en geen verhoogde ontstekingswaardes (CRP). Klager braakte niet en had een soepele buik. De huisarts heeft onder die omstandigheden op goede gronden kunnen besluiten om een expectatief beleid te voeren. Er was ten tijde van het consult geen aanleiding om klager door te sturen voor verder onderzoek of verdere behandeling. Voorts stelt het college vast, uitgaande van het medisch dossier, dat er wel diclofenac is voorgeschreven en dat er door de huisarts een vangnetadvies is gegeven. De klacht wordt ongegrond verklaard. |
A2025/8163
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 12 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft op 13 januari 2025 contact opgenomen met de huisarts nadat hij
sinds een dag
last had van pijnaanvallen in de buik, en heeft gezegd dat hij dacht aan galsteenaanvallen.
De
huisarts heeft klager onderzocht en een expectatief beleid gevoerd. De volgende
dag is klager naar
de SEH geweest en bleek sprake te zijn van een galblaas- en alvleesklierontsteking.
1.2 Klager verwijt de huisarts dat hij hem niet direct voor bloedonderzoek heeft
doorverwezen,
geen vangnetadvies heeft gegeven en geen nazorg heeft verleend.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2025. De partijen zijn
verschenen. De
huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Klager (geboren in 1980) kreeg op 13 januari 2025 tussen 14.00 uur en 18.00
uur meerdere
zware pijnaanvallen. Hier nam hij pijnstilling (paracetamol) voor. Klager dacht
deze pijnaanvallen
te herkennen als galsteenaanvallen, die hij minder dan een jaar eerder ook had doorgemaakt.
3.2 Op 14 januari 2025 had klager nog steeds pijn, kreeg hij temperatuurverhoging
en werd zijn
urine bruin. Klager belde om 16.00 uur die dag naar de praktijk waar verweerder
als huisarts
werkzaam was, om zijn vermoeden van een acute galblaasontsteking te bespreken. Na
overleg tussen de
doktersassistente en de huisarts is klager die middag bij de huisarts op consult
geweest. De
huisarts heeft klager niet doorverwezen en heeft een expectatief beleid gevoerd.
Het volgende staat
hierover in het dossier:
‘belt om 16;00u; denkt weer galsteenaanval te hebben, gistermiddag rond 2u uur heftige
pijnaanval
in bovenbuik, straalde uit naar rug, pte vertrouwt het niet. buikpijn was aan de
re-kant+. straalde
naar de rug midden-in, pijnstellers geslikt, heftige aanval is nu over, wel zeurende
pijn. Vandaag
nog geen pijnstellers geslikt. Laat maar komen. Niet misselijk, geen braken, geen
koorts. Bekend
met galstenen, in juni 2024 beoordeling chirurgie destijds conservatief beleid
alg: niet ziek, niet pijnlijk, AF rustig, st 98%, pols 78/min, 37.1, RR 122/78,
abdomen soepel met
normale peristaltiek, epigastro gevoelig, Morphy sign- defens musc- en loslaatpijn-,
urinestik;
geen afwijkingen, CRP; 5mg/l(normaal)
uitleg en info, advies voor nu doorgaan met Paracetamol 4x2 tab, recept diclo naar
de apotheek,
diclo 3xdaags , beloop en alarmsymptomen uitgelegd, bij toename klachten of alarmsymptomen
laagdrempelig contact,’
3.3 Later die avond zijn de klachten van klager toegenomen en heeft hij contact
opgenomen met de
huisartsenpost (HAP). Het advies van de HAP was om bij koorts (38,0 graden) of als
de pijn
ondraaglijk zou worden weer te bellen en als de pijn de volgende dag zou aanhouden
opnieuw contact
op te nemen met de huisarts.
3.4 In de ochtend van 15 januari 2025 heeft klager de polikliniek gebeld en is hem
verzocht naar
de SEH te komen. Bij klager is toen een acute alvleesklierontsteking en galblaasontsteking
geconstateerd. Klager is op 21 januari 2025 hieraan geopereerd. Op 27 januari 2025
hebben klager en
de huisarts elkaar gesproken over de gebeurtenissen.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij klager:
a) ten onrechte niet heeft doorverwezen voor verder bloedonderzoek;
b) zonder vangnet naar huis heeft gestuurd;
c) geen nazorg heeft verleend.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college begrijpt dat het vervelend is voor klager dat zijn vermoeden van
(onder meer) een
galblaasontsteking achteraf waar bleek te zijn. De huisarts betreurt dit ook.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdelen a en b) het consult van 14 januari 2025
5.3 De klachtonderdelen a en b hebben beide betrekking op het consult van 14 januari
2025 en
zullen om deze reden gezamenlijk worden behandeld.
5.4 Klager en de huisarts hebben een verschillende lezing van de onderzoeken die
tijdens het
consult door de huisarts zijn uitgevoerd, welke medicatie is voorgeschreven en of
er een
vangnetadvies is gegeven. Waar klager stelt dat er geen Murphy Sign onderzoek is
uitgevoerd, dat de
huisarts geen diclofenac heeft voorgeschreven en klager zonder vangnet naar huis
heeft gestuurd,
zegt de huisarts dat hij wel alle onderzoeken heeft uitgevoerd, dat hij wel diclofenac
(met spoed)
heeft voorgeschreven en dat hij klager wel een vangnetadvies heeft gegeven. De huisarts
beroept
zich hierbij ook op hetgeen in het medisch dossier hierover beschreven staat.
5.5 Voor wat betreft het verloop van het consult van 14 januari 2024, waarover partijen
van
mening verschillen, neemt het college het medisch dossier als uitgangspunt. Hierin
staat dat er een
Murphy Sign onderzoek is uitgevoerd, dat er diclofenac is voorgeschreven en dat
de huisarts klager
heeft geadviseerd om door te gaan met inname van paracetamol en aan klager heeft
aangegeven weer
contact op te nemen indien de klachten zouden toenemen. Het college ziet geen aanleiding
om aan de
juistheid van het dossier te twijfelen.
5.6 Wat betreft het consult en het vangnetadvies overweegt het college verder het
volgende. Uit
het lichamelijk onderzoek kwam naar voren dat klager op dat moment geen koorts had
en geen verhoogde ontstekingswaardes (CRP). Klager braakte niet en had een soepele
buik.
De huisarts heeft onder die omstandigheden op goede gronden kunnen besluiten om
een expectatief
beleid te voeren. Er was ten tijde van het consult geen aanleiding om klager door
te sturen voor
verder onderzoek of verdere behandeling. Voorts stelt het college vast, uitgaande
van het medisch
dossier, dat er wel diclofenac is voorgeschreven en dat er door de huisarts een
vangnetadvies is
gegeven.
5.7 De klachtonderdelen a en b zijn ongegrond.
Klachtonderdeel c) de nazorg
5.8 Klager stelt dat er door de huisarts geen nazorg is verleend omdat de huisarts
niet
onmiddellijk naar aanleiding van de operatie met klager heeft gebeld. Het college
begrijpt uit de
stukken dat klager en verweerder elkaar beiden hebben geprobeerd te bellen, maar
elkaar hierin
enkele keren zijn misgelopen. Uiteindelijk hebben klager en de huisarts elkaar op
27 januari 2025
gesproken en heeft de huisarts zijn excuses aangeboden voor het feit dat hij nog
geen contact met
klager had gehad over de gang van zaken. De huisarts heeft hieraan toegevoegd dat
inmiddels in zijn
huisartsenpraktijk is besproken dat de afhandeling door de assistenten van telefonische
meldingen
moet worden verbeterd.
5.9 Nu klager en de huisarts elkaar uiteindelijk binnen afzienbare tijd na de operatie
hebben
gesproken, de huisarts (namens de praktijk) zijn excuses voor de gang van zaken
heeft aangeboden en
de afhandeling van telefonische meldingen door de assistenten binnen de praktijk
is besproken,
houdt het college het erop dat de gebeurtenissen een gevolg zijn van een ongelukkige
samenloop van
omstandigheden. Er is dus geen aanleiding om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, J.C.J. Dute,
lid-jurist,
G.J. Dogterom, A. Medema en A. Wewerinke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.C.
Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025.