ECLI:NL:TGZRAMS:2025:197 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7816
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:197 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-08-2025 |
| Datum publicatie: | 08-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7816 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager heeft zich ziekgemeld met spanningsklachten. Dat de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat een verstoorde arbeidsrelatie de oorzaak was van de spanningsklachten acht het college navolgbaar, evenals het advies om via mediation het arbeidsconflict met de werkgever proberen op te lossen. Op het moment dat klager echter per e-mail liet weten dat hij weer terug aan het werk was in zijn eigen functie en de spanningsklachten weer opliepen mocht van de bedrijfsarts een interventie verwacht worden (zoals een advies tot het verrichten van werk in een andere functie). Dat de bedrijfsarts dit heeft nagelaten acht het college tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht deels gegrond. Waarschuwing. |
A2024/7816
Beslissing van 8 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 8 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
bedrijfsarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. L.F.W. van Zuijlen, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft zich ziekgemeld wegens spanningsklachten als gevolg van een onveilige
werksituatie en een geschil met zijn leidinggevende. Deze situatie bestond al langer
en klager heeft zich ook eerder ziekgemeld. In dat verband heeft mediation plaatsgevonden,
zonder resultaat.
1.2 De bedrijfsarts stelt vast dat geen sprake is van ziekte maar van werkgerelateerde klachten en zij verklaart klager volledig arbeidsgeschikt. Daarnaast adviseert zij wederom mediation om tot een oplossing van het arbeidsconflict te komen. Klager is het er niet mee eens dat hij weer arbeidsgeschikt is voor de eigen functie. De spanningsklachten zullen dan in alle hevigheid terugkeren. Klager is toch in zijn oude functie aan het werk gegaan. Hij deed dat omdat de werkgever dreigde met een loonstop. Het werken ging volgens klager niet goed; de spanning liep weer op. Klager heeft diverse keren aan de bedrijfsarts verzocht het advies aan te passen, maar zij heeft dat niet gedaan, volgens klager ten onrechte. Uiteindelijk is klager weer ziek uitgevallen.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 november 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2025;
- de brief van beklaagde van 22 mei 2025 met als bijlage het medisch dossier, ontvangen
op 27 mei 2025;
- het deskundigenoordeel van het UWV, ingediend door klager en ontvangen op 5 juni
2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 juni 2025. De partijen zijn verschenen. De bedrijfsarts werd bijgestaan door mr. Van Zuijlen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Mr. Van Zuijlen heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager, die sinds 2018 werkzaam was bij een bedrijf in D, heeft zich ziekgemeld
op 13 mei 2024, na een eerdere ziekmelding in 2023. Er was inmiddels sprake van een
omvangrijk en complex medisch dossier. Naar aanleiding van de ziekmelding is klager
opgeroepen door E, de arbodienst van het bedrijf. Klager heeft op 18 juli 2024 een
telefonisch consult gehad met de bedrijfsarts. Voorafgaand aan het spreekuur heeft
de bedrijfsarts het dossier van klager uitgebreid bestudeerd. In de terugkoppeling,
die met klager en de werkgever is gedeeld, heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende
geschreven (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Is er sprake van arbeidsongeschiktheid? (Does this concern incapacity for work?)
Ik heb op 18 juli 2024 werknemer gesproken. Mijns inziens is hier sprake van werkgerelateerde
factoren en niet van ziekte.
Wat zijn de beperkingen en benutbare mogelijkheden voor arbeid, inclusief re-integratieadvies?
(What are the limitations and exploitable opportunities for work, including reintegration
advice?)
Er was sprake van werkgerelateerde factoren. Er was al tweemaal een mediation gesprek
geweest met de leidinggevende (laatste gesprek met leidinggevende F) om hierover te
spreken, maar dit heeft nog niet tot een oplossing geleid. Mijn advies is om een vervolggesprek
(mediation) te doen met leidinggevende, HR manager en werknemer om te kijken of er
toch een oplossing mogelijk is.”
3.2 Na het ontvangen van het advies heeft klager op 8 augustus 2024 een mail gestuurd
naar E, met, voorzover hier relevant, de volgende inhoud:
“Mijn bedrijf concludeert naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts dat
ik beter ben en per 12 Augustus weer met werken kan beginnen in mijn eigen functie.
Ik ben het daar niet mee eens. De bedrijfsarts concludeert terecht dat mijn klachten
door een arbeidsconflict veroorzaakt worden. Maar juist dit conflict veroorzaakt extreme
spanningsklachten waardoor ik niet kan werken. Ik heb ook bij de bedrijfsarts aangegeven
dat ik graag met reïntegratie wil beginnen, maar dat me dat echt niet lukt in mijn
eigen functie. Toch verwacht mijn bedrijf dat ik maandag volledig hersteld in mijn
huidige functie aan het werk ga. Mijn voorstel - in lijn met wat ik eerder met HR
en met de bedrijfsarts heb besproken - is dat ik maandag 12 Augustus beschikbaar ben
om met de reïntegratie te beginnen in een ander functie/met andere taken die niet
gerelateerd zijn aan mijn huidige functie.”
3.3 Klager is door de werkgever per 11 augustus 2024 volledig arbeidsgeschikt gemeld.
3.4 Op 19 augustus 2024 heeft klager per mail een rappel gestuurd aan E, met onder meer de volgende inhoud: “Goedemorgen G Zou je de bedrijfsarts met spoed kunnen vragen om haar advies nader toe te lichten? Ik ben nu officieel een week aan het werk in mijn functie maar dat levert veel spanning op. Ik heb bij de bedrijfsarts in het gesprek aangegeven dat ik graag met reïntegratie wil beginnen, maar dat me dat echt niet lukt in mijn eigen functie. Nu is mij gesommeerd om weer onmiddellijk 100% te gaan werken omdat anders mijn loon gestopt zal worden! Ik heb daar uiteraard gehoor aan gegegeven want ik kan geen loonstop riskeren. Maar nu riskeer ik weer mijn gezondheid! (…)”.
3.5 Hierop wordt door de verzuimadviseur van E -mede namens de bedrijfsarts- per mail van 20 augustus 2024, voor zover relevant, het volgende geantwoord: “Ik heb de laatste terugkoppeling van de bedrijfsarts gezien en verder het verloop van het verzuim bekeken. In de terugkoppeling geeft de bedrijfsarts aan: Dat er volgens de bedrijfsarts sprake is van werkgerelateerde factoren en niet van ziekte. Eerder was al mediation ingezet, maar dit had toen niet geleid tot een oplossing. Het advies is om een vervolggesprek (meditation) te doen met de leidinggevende, HR-manager en werknemer. Om te kijken of er toch een oplossing mogelijk is. (…). Werkgerelateerde factoren/arbeidsconflict zijn geen legitieme reden voor een ziekmelding, simpelweg omdat er op het moment van ziek melden geen sprake is van ziekte of gebrek. De bedrijfsarts heeft beoordeeld dat er in uw situatie sprake is van werkgerelateerde factoren, maar dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid o.b.v. objectief medische gronden. Uiteraard is het belangrijk om de werkgerelateerde factoren, daar waar ze zijn ontstaan: lees uw werk, op te lossen. Daarom is het advies om een vervolggesprek (mediation) te doen met de leidinggevende, HR manager en werknemer. Om zo proberen te komen tot een oplossing. (…)”
3.6 Klager heeft op deze mail per mail gereageerd en daarin onder meer nogmaals aan de orde gesteld dat hij serieuze spanningsklachten heeft en dat hij niet kan werken of reïntegreren in zijn huidige functie omdat zijn klachten dan snel zullen verergeren. Bij niet werken in de huidige functie zal een loonstop worden opgelegd, aldus klager.
3.7 De bedrijfsarts heeft vervolgens aan klager laten weten dat een preventief spreekuur kan worden ingepland. Ook kan klager indien gewenst, een deskundigenoordeel aanvragen bij het UWV. Het preventieve spreekuur heeft op 19 september 2024 plaatsgehad en daarin is het vragen van een second opinion besproken. Klager heeft van deze optie gebruik gemaakt.
3.8 De (second opinion) bedrijfsarts heeft op 12 november 2024 een advies uitgebracht, waarin onder meer het volgende staat: “Er is in mijn onderzoek geen harde onderbouwing voor ziekte in de zin van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. En op de vraag of betrokkene geschikt is om het eigen werk volledig te hervatten kan ik niet bevestigend antwoorden. De essentie is het oplossen van het arbeidsconflict. Zaak is dat dit nu tot de bodem doorgesproken zal moeten worden aangezien alles wat nu niet opgelost wordt in de toekomst tot nieuwe problematiek /conflict zal leiden.”
3.9 Klager heeft ook een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. De verzekeringsarts heeft op 17 oktober 2024 het volgende gerapporteerd: “Ten aanzien van de oorspronkelijke vraagstelling over de re-integratie inspanningen van de werkgever moet worden geconcludeerd dat het erop lijkt dat de werkgever niet heeft meegewerkt aan het afstand nemen in het conflict door cliënt een andere re-integratieplek aan te bieden. Enkel het eigen werk werd aangeboden, waarmee het conflict in stand bleef. Na aanvraag van het deskundigenoordeel is de situatie echter gewijzigd, waardoor inmiddels ook een andere vraagstelling aan de orde is, namelijk of sprake is van ziekte of gebrek. De bedrijfsarts heeft na de 2e ziekmelding in mei geconcludeerd dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek maar van spanningsklachten bij een arbeidsconflict. Deze conclusie kan gevolgd worden. De klachten die cliënt ervaart hebben hoofdzakelijk verband met zijn werksituatie. Buiten het werk nemen de klachten snel af en is in het dagelijkse leven geen sprake van beperkingen door ziekte of gebrek. Dit leidt echter niet automatisch tot de conclusie dat cliënt het werk dan ook per direct dient te hervatten. De werkgever heeft een verantwoordelijkheid naar werknemers om een veilige werkomgeving te creëeren en hierin wordt niet voorzien. De lange duur dat de klachten inmiddels bestaan en het snel weer terugkeren na enige tijd niet gewerkt te hebben, zijn wel reden voor zorg, waarbij ervoor moet worden gewaakt dat de klachten niet alsnog zullen leiden tot arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. Mogelijke volgende stappen die in het conflict kunnen worden gezet zijn bijvoorbeeld om cliënt alsnog de mogelijkheid te geven in een andere functie te re-integreren, of om een VSO aan te bieden, met een passend voorstel op basis van de functie die cliënt heeft in de organisatie.”
3.10 Op 3 oktober 2024 heeft klager zich opnieuw ziekgemeld. Op 30 december 2024
is klager akkoord gegaan met een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever en is
hij per juni 2025 uit dienst gegaan.
4 De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Volgens klager heeft de bedrijfsarts onjuist gehandeld, omdat zij:
a) een onjuist en onvolledig advies heeft uitgebracht;
b) niet bereid is geweest om haar advies aan te passen/compleet te maken.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5 De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) Onjuist en onvolledig advies
5.2 In de kern stelt klager met dit klachtonderdeel aan de orde dat de bedrijfsarts hem na het telefonische consult van 18 juli 2024 ten onrechte 100% arbeidsgeschikt heeft verklaard, terwijl hij haar uitdrukkelijk had verteld nog steeds hele forse spanningsklachten te hebben en dat als hij in zijn eigen functie zou reïntegreren of gaan werken, de klachten dan heel snel zouden verergeren.
5.3 Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie en dat dat de oorzaak was van de spanningsklachten. Deze conclusie is navolgbaar, evenals het advies om via gesprekken en mediation het arbeidsconflict met de werkgever proberen op te lossen. Ten aanzien van de vorige ziekmelding van klager had tweemaal een mediationgesprek plaatsgevonden, maar dit had nog niet tot een oplossing geleid. Voor zover klager de bedrijfsarts verwijt geen contact met de behandelend sector (huisarts en psycholoog) te hebben gezocht, was dat ook naar het oordeel van het college niet nodig, omdat de bedrijfsarts aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens het spreekuur duidelijk naar voren kwam welke problematiek er speelde. Ten tijde van het spreekuur was er voor de bedrijfsarts dus geen aanleiding anders te adviseren dan zij heeft gedaan (bijvoorbeeld tot arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk of het niet hervatten van de werkzaamheden in de eigen functie). Er is gehandeld conform de STECR Werkwijzer en NVAB-richtlijn. Tot slot wijst het college erop dat ook het deskundigenoordeel en de second opinion in dezelfde lijn liggen.
Klachtonderdeel b) niet bereid zijn het advies aan te passen
5.4 De klacht dat de bedrijfsarts niet bereid is geweest om haar advies aan te passen
slaagt wel. Uit het dossier volgt dat klager vanaf 8 augustus 2024 verschillende keren
richting de bedrijfsarts heeft geuit het niet eens te zijn met het advies, maar vooral
ook dat hij zich gedwongen zag door een dreigende loonstop weer terug aan het werk
te gaan in zijn eigen functie en dat de spanningsklachten weer opliepen (zie de mails
weergegeven onder 3.2 en 3.4; zie verder ook overweging 3.6). In plaats van zich open
te stellen voor de inmiddels ontstane situatie van klager (werkzaam in zijn oude functie
onder dreiging van een loonstop en hernieuwde spanningsklachten) heeft de bedrijfsarts
haar eerdere oordeel schriftelijk herhaald, althans laten herhalen door de verzuimadviseur
van E (zie de mail die is weergegeven onder 3.5). Op dat moment moet het voor de bedrijfsarts
echter duidelijk zijn geweest dat er ondanks de lopende mediation nog geen oplossing
was bereikt en dat klager weer terecht was gekomen in een ziekmakende situatie. Dat
de bedrijfsarts klager verwees naar een preventiespreekuur en wees op de mogelijkheid
van een second opinion, was strikt formeel wel juist maar in het geval van klager
onvoldoende helpend. Daaraan doet niet af dat klager in het preventiespreekuur zei
dat het beter met hem ging, en hij een duurzame oplossing met zijn werkgever wenste.
In het verslag van het spreekuur staat immers ook dat de werksfeer nog steeds ongewijzigd
ziekmakend en stressvol was. Er had van de bedrijfsarts kortom een interventie mogen
worden verwacht (zoals bijvoorbeeld een advies tot het verrichten van werk in een
andere functie), om hernieuwde uitval van klager te voorkomen.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a ongegrond is en klachtonderdeel
b gegrond.
Maatregel
5.6 Omdat de klacht gedeeltelijk ongegrond is en de bedrijfsarts nog niet eerder
met het tuchtrecht in aanraking is gekomen acht het college het opleggen van de maatregel
van waarschuwing passend.
5 De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b gegrond;
- legt de bedrijfsarts de maatregel op van waarschuwing.
Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, M.P. Sombroek-van Doorm,
lid-jurist, E.G. Ackema, F.M. Brouwer en P. van Haren, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door F.J.E. van Geijn, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.