ECLI:NL:TGZRAMS:2025:196 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8143

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:196
Datum uitspraak: 08-08-2025
Datum publicatie: 08-08-2025
Zaaknummer(s): A2025/8143
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. De arts is in opleiding tot verzekeringsarts en heeft klager gezien voor een Ziektewet-beoordeling verdiencapaciteit. Klager voelde zich door de arts en diens vragen en opmerkingen onder druk gezet om zijn werk te hervatten terwijl hij zich daartoe niet in staat acht. Het college is van oordeel dat de door de arts gestelde vragen niet ongepast en ongebruikelijk zijn bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Het vragen naar de mogelijkheden voor werkhervatting vormt juist een essentieel onderdeel van een dergelijke beoordeling. Dat de arts ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend, is niet gebleken. Dat klacht is kennelijk ongegrond.

A2025/8143
Beslissing van 8 augustus 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 8 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te F.

1. De zaak in het kort
1.1 De arts heeft klager gezien voor een Ziektewet-beoordeling verdiencapaciteit. Klager heeft het gesprek met de arts als stressvol en emotioneel zwaar ervaren. Hij rekende op een objectieve beoordeling van zijn gezondheid en had gehoopt op hulp, maar klager voelde zich door de arts en diens vragen en opmerkingen onder druk gezet om zijn werk te hervatten terwijl hij zich daartoe niet in staat acht.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 10 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat de zaak beoordeeld is op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager heeft zich op 20 november 2023 ziekgemeld omdat hij zowel fysiek als mentaal uitgeput was. Hij ontving destijds een WW-uitkering. Met ingang van 20 november 2023 ontvangt hij een ZW-uitkering.

3.2 Op 22 oktober 2024 is klager via een telefonisch spreekuur medisch beoordeeld door een Sociaal Medisch Verpleegkundige van G. Na overleg met een verzekeringsarts is een afspraak gemaakt voor een fysiek spreekuur om een Ziektewet-beoordeling verdiencapaciteit en een beoordeling van klagers belastbaarheid in het kader van re-integratie te doen.

3.3 Op 29 januari 2025 heeft de arts klager op het spreekuur gezien. De arts is in opleiding tot verzekeringsarts en werkt bij G onder supervisie van een verzekeringsarts. De arts heeft op 6 maart 2025 een medisch onderzoeksverslag opgesteld, zonder eindoordeel over de belastbaarheid van klager.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij:
a) niet serieus is ingegaan op zijn situatie (die uit de documenten bleek) en dat de arts vervolgens voorbijging aan de ernst van de situatie zodra hij de door klager meegenomen brief las;
b) irrelevante en ongepaste vragen aan klager stelde, een manipulatieve gespreksvoering hanteerde en aan het slot van het gesprek een vernederende opmerking maakte;
c) een ongepaste druk op klager legde om zijn werk te hervatten;
d) halverwege het gesprek de reden voor de uitnodiging veranderde.

4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Ook hij heeft het gesprek als onprettig ervaren; de arts noemt het gedrag van klager diskwalificerend en agressief en de arts heeft het gesprek beëindigd door de beveiliging via de alarmknop op te roepen.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5 De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna zal het uitleggen hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel a) niet serieus ingegaan op situatie en voorbijgegaan aan ernst situatie
5.3 Klager meent dat de arts zich niet zorgvuldig had voorbereid op het gesprek met hem, aangezien hij de klachten van klager bagatelliseerde met de opmerking dat “het inderdaad wat slechter ging”. Toen de arts na lezing van de door klager meegenomen brief de ernst inzag van de situatie van klager (die suïcidale gedachten heeft en moeite heeft met het dagelijks leven), besprak de arts die situatie ten onrechte niet, maar begon direct over de mogelijkheden van werkhervatting. De arts had de medisch urgente situatie van klager niet mogen negeren.

5.4 Op grond van het medisch onderzoeksverslag kan het college niet vaststellen dat de arts zich niet adequaat zou hebben voorbereid op het gesprek met klager. Naar eigen zeggen heeft de arts de beschikbare informatie van tevoren bestudeerd, tijdens het gesprek de door klager meegenomen brief gelezen en deze ook vergeleken met de bij hem al bekende informatie (die grotendeels overeenkwam); het college heeft geen reden om daaraan te twijfelen.
De door klager in zijn klaagschrift aangehaalde uitspraken van de arts leiden bij het college niet tot de conclusie dat de arts niet goed op de hoogte was van de situatie van klager of dat hij afdeed aan de ernst daarvan. De partijen zijn het er in feite over eens dat de arts oog heeft gehad voor de situatie van klager door die, na opmerkingen daarover van klager, als ernstig en heftig te bestempelen. Dat de arts vervolgens toch als een van de eerste onderwerpen de arbeidsanamnese heeft besproken (met vragen over het arbeidsverleden), kan bij klager de indruk hebben gewekt dat de arts de ernst van zijn klachten negeerde, maar die gespreksvolgorde past binnen de richtlijn voor een Belastbaarheidsgericht Beoordelingsgesprek. Volgens klager heeft de arts de ernst en urgentie van zijn klachten bovendien genegeerd in de medische beoordeling. Dat standpunt volgt het college niet. De arts heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een Ernstige Psychiatrische Stoornis zoals bedoeld door de wetgever. Dat wil niet zeggen dat hij de psychische problemen van klager niet heeft onderkend, maar wel dat hij heeft beoordeeld in hoeverre die klachten gevolgen hebben voor zijn belastbaarheid voor werk.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b) ongepaste vragen, manipulatieve gespreksvoering, vernedering
5.5 Klager verwijt de arts dat hij hem vroeg naar zijn privéleven en het verloop van zijn loopbaan terwijl de arts zich op klagers huidige medische toestand had moeten richten. Door terug te blijven komen op het arbeidsverleden van klager, suggereerde de arts dat als klager destijds goed functioneerde, hij dat nu ook weer zou kunnen. Klager kan dat echter niet. Aan het slot van het gesprek merkte de arts ook nog op: “Ik verwacht dat u gaat werken, zeker omdat u wordt betaald door de Staat en een uitkering ontvangt”. Door deze opmerking voelde klager zich vernederd en onder druk gezet.

5.6 Het college is van oordeel dat de door de arts gestelde vragen naar klagers privéleven niet ongepast en ongebruikelijk zijn bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Het is immers aan de arts om te beoordelen welke impact de gezondheidsproblemen hebben op het individueel en sociaal functioneren. Daarbij moeten zowel belemmerende als bevorderende voorwaarden in de persoon en de sociale omgeving voor het functioneren worden geïnventariseerd. Eveneens gebruikelijk zijn vragen naar het arbeidsverleden en naar de visie van klager op werken. Dat de arts vanuit verschillende invalshoeken vroeg naar de mogelijkheden voor werkhervatting, behoort tot zijn taak en is dus niet ongepast. Ook van iemand met beperkingen door ziekte mogen inspanningen worden verwacht. Van de door klager aangehaalde opmerking aan het slot van het gesprek kan het college zich voorstellen dat die druk zette op klager, maar niet vastgesteld kan worden dat die druk ongeoorloofd was. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) ongepaste druk op werkhervatting
5.7 Door verschillende vragen en opmerkingen van de arts heeft klager zich geforceerd gevoeld tot werkhervatting terwijl klager aan de arts had verteld dat hij simpele dagelijkse taken al niet kan uitvoeren en dat hij moeite heeft om de deur uit te gaan zonder in paniek te raken. Toch bleef de arts, op steeds dwingender toon, hameren op re-integratie.

5.8 Zoals bij de beoordeling van klachtonderdeel b) al aan de orde is gekomen, is het in het kader van een Ziektewet-beoordeling niet ongepast om te vragen naar de mogelijkheden voor werkhervatting. Dit vormt nu juist een essentieel onderdeel van een dergelijke beoordeling. Een uitkeringsgerechtigde is op grond van de Ziektewet verplicht om in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. Dat de arts hier ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend, is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) wijziging reden van uitnodiging
5.9 Volgens klager wijzigde de arts de reden voor de uitnodiging voor het spreekuur halverwege het gesprek: van bezorgdheid over klagers situatie naar een bespreking van hoe klager kon re-integreren. Het gesprek bleek alleen te zijn gericht op re-integratie, zonder objectieve beoordeling van de gezondheid van klager.

5.10 Het college overweegt dat de mogelijkheid tot re-integratie een vast onderdeel is van een Ziektewet-beoordeling verdiencapaciteit. Dit staat ook vermeld in de uitnodiging voor het gesprek en past binnen het kader van de Ziektewet. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6 De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 8 augustus 2025 door E.A. Messer, voorzitter, M.P. Sombroek-van Doorm, lid-jurist, E.G. Ackema, F.M. Brouwer en P. van Haren, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.