ECLI:NL:TGZRAMS:2025:195 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7918

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:195
Datum uitspraak: 08-08-2025
Datum publicatie: 08-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7918
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts zijn medische beroepsgeheim te hebben geschonden door in een telefoongesprek met de werkgever zonder toestemming van klaagster medische gegevens te bespreken. Het college overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat het beroepsgeheim is geschonden. Het is niet vast te stellen wat de bedrijfsarts precies in het gesprek tegen de werkgever heeft gezegd en hoe de werkgever de woorden van de bedrijfsarts heeft geïnterpreteerd en ingekleurd in een e-mail hierover. Wel staat vast dat in deze e-mail geen medische diagnose wordt genoemd. De klacht is kennelijk ongegrond.

A2024/7918
Beslissing van 8 augustus 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 8 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
Bedrijfsarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster werkt als directeur-bestuurslid bij een museum. Op 4 januari 2024 meldt zij zich ziek. Haar werkgever schakelt E in, alwaar verweerder als bedrijfsarts werkzaamheden verricht. Verweerder ziet klaagster voor het eerst op zijn spreekuur van 11 januari 2024. Kort daarna stelt hij een probleemanalyse op en adviseert hij haar begeleiding bij een landelijk opererende organisatie voor psychische zorg gericht op werknemersbegeleiding. Er volgen nog drie spreekuren tussen de bedrijfsarts en klaagster, de laatste op 6 juni 2024. Daarna komt klaagster niet meer naar het spreekuur van de bedrijfsarts, hoewel haar behandeling nog niet was afgerond. De aanleiding daarvoor was een breuk in haar vertrouwen. Zij vermoedt namelijk dat de bedrijfsarts vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met haar werkgever. Dat vermoeden is gevoed door de inhoud van een e-mail van 20 maart 2024 die de interim-bestuurder aan de Raad van Toezicht stuurde. Klaagster stuitte op die e-mail nadat zij - na een moeizaam verlopen gesprek met haar werkgever - besloot haar medisch dossier in te zien. Op basis van die verstuurde e-mail stelt zij per mail vragen over de manier waarop met haar medische gegevens is omgegaan. Zij krijgt daarop geen antwoord en dient een klacht in tegen de bedrijfsarts waarin zij hem verwijt het medisch beroepsgeheim te hebben geschonden.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster, binnengekomen op 27 februari 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 6 maart 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klaagster heeft zich 4 januari 2024 ziekgemeld bij haar werkgever, F.

3.2 Verweerder is bedrijfsarts en verricht sinds 2016 werkzaamheden voor de E. Na ziekmelding van klaagster schakelde de werkgever deze arbodienst in.

3.3 Op 11 januari 2024 zag de bedrijfsarts klaagster op het spreekuur. De bedrijfsarts noteert in de Medische Kaart Bedrijfsarts:
A/reden zm; 4-1-2024 vanwege overspannenheid, werk gerelateerd. (..) Is Directeur van museum, slechte samenwerking met bestuurder, krijgt extra taken van RvT. (…)
De bedrijfsarts stelt klaagster voor begeleiding te krijgen via G, een landelijk opererende organisatie voor psychische zorg en gespecialiseerd in werknemerszorg.

3.4 Op 2 februari 2024 stelt de bedrijfsarts een probleemanalyse op en bespreekt doel en inhoud van de analyse met klaagster alsmede de vereisten van de Wet Verbetering Poortwachter. De bedrijfsarts verwerkt de notities naar aanleiding van het gesprek met klaagster in de probleemanalyse en stuurt deze vervolgens naar klaagster en de werkgever.

3.5 Op 1 maart 2024 zagen klaagster en de bedrijfsarts elkaar opnieuw. De bedrijfsarts adviseerde klaagster om de komende periode in gesprek met de werkgever te gaan om terugkeer (op termijn) in het werk te bespreken, en een terugkeerplan in het werk te maken.

3.6 Op 20 maart 2024 belde de bedrijfsarts met de werkgever en lichtte toe dat klaagster nog steeds 100% arbeidsongeschikt was, dat het einddoel nog niet duidelijk was en dat klaagster eerst moest stabiliseren. De werkgever liet de bedrijfsarts bij monde van de interim-bestuurder weten dat de functie van klaagster zou verdwijnen en dat hij daarover contact wilde hebben met klaagster. De bedrijfsarts gaf aan pas na de eerstkomende afspraak met klaagster de interim-bestuurder daarover te kunnen adviseren.

3.7 Eveneens op 20 maart 2024 stuurde de interim-bestuurder een e-mail naar leden van de Raad van Toezicht van F. Daarin stond onder meer: “Vanochtend sprak ik de bedrijfsarts over A. Dit is wat ik ervan opstak: (…) verkeert in een mentale instabiliteit, is behoorlijk de kluts kwijt, haar mogelijkheden zijn marginaal. De klachten zijn toegenomen
sinds haar ziekmelding. Ze heeft therapie, maar het herstel is nog gaande. Klinisch is dat zeker wel te verwachten, maar het zal lang duren. Ze doet serieus haar best
.”

3.8 Op 12 april 2024 zag de bedrijfsarts klaagster op het spreekuur en daarover is genoteerd: “Met haar is besproken: In het driegesprek op 18-6 2024 de randvoorwaarden voor haar terugkeer in werk te spreken.” In zijn advies van 12 april 2024 noteerde verweerder: “werkhervatting is nog niet aan de orde, maar zij is wel in staat gebleken gesprekken te voeren. Advies is komende periode met elkaar in goed gesprek te gaan om haar terugkeer in werk te bespreken, een tergkeerplan in werk te maken.”

3.9 Op 2 juli 2024 heeft de bedrijfsarts gebeld naar G en heeft overleg gehad met de psycholoog van G. De bedrijfsarts vernam dat het afstemmingsgesprek van 18 juni 2024 door klaagster was geannuleerd.

3.10 Eveneens op 2 juli verscheen een e-mail van klaagster in de inbox van Medische Zaken van E met de volgende inhoud: “Mijn medische gegevens rouleren kennelijk binnen de organisatie en worden gedeeld in telefoongesprekken en in emails aan de Raad van Toezicht. Ik ben hier enorm van geschrokken (…).

3.11 Voor de bedrijfsarts heeft de casemanager een notitie hiervan gemaakt met het verzoek de e-mail van klaagster te bespreken op het spreekuur van 18 juli 2024. Klaagster is herhaaldelijk niet verschenen en op 20 november 2024 vernam de bedrijfsarts dat de begeleiding van klaagster aan een andere bedrijfsarts was overgedragen.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden.

4.2 De bedrijfsarts voert verweer en verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.


5.3 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij zonder klaagster daarvan in kennis te stellen medische gegevens met de werkgever heeft besproken, waarbij hij ook zou hebben gesproken over een arbeidsconflict.

5.4 De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat hij in het contact met de werkgever steeds heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende beroepsnormen. Hij heeft geen informatie met de werkgever gedeeld anders dan waartoe hij gezien zijn taak gehouden is.

5.5 Het college overweegt als volgt. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat het beroepsgeheim is geschonden. Hetgeen de bedrijfsarts heeft genoteerd in het dossier is in lijn met de richtlijnen die daarvoor voor de beroepsgroep van bedrijfsartsen gelden. Daarbij komt dat het niet is vast te stellen wat de bedrijfsarts precies in het gesprek van 20 maart 2024 tegen de werkgever van klaagster heeft gezegd en hoe de werkgever de woorden van de bedrijfsarts heeft geïnterpreteerd en ingekleurd in zijn mail van 20 maart 2024 aan leden van de Raad van Toezicht. Wel staat vast dat daarin geen medische diagnose wordt genoemd. Dat de interim-bestuurder een eigen woordkeuze en wijze van communiceren erop nahield, kan de bedrijfsarts niet worden verweten.

5.6 Wat betreft het verwijt dat de bedrijfsarts zou hebben gesproken met de werkgever over een arbeidsconflict, overweegt het college dat hiervan niet is gebleken. Wel staat er in de Medische Kaart dat er sprake was van een slechte relatie met de Raad van Toezicht, maar het is niet aannemelijk dat de bedrijfsarts hiervan ‘conflict’ heeft gemaakt. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat er geen conflictanalyse is gemaakt.

Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 8 augustus 2025 door E.A. Messer, voorzitter, M.P. Sombroek-van Doorm, lid-jurist, E.G. Ackema, F.M. Brouwer en P. van Haren, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.