ECLI:NL:TGZRAMS:2025:189 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7683
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:189 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-08-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7683 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een tandarts. Klager verwijt de tandarts dat zij een endodontische behandeling onzorgvuldig heeft uitgevoerd omdat er een zenuwdeel zou zijn achtergebleven in de kies en dat zij gebrekkig is geweest in de nazorg. Het college oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn dat de behandeling niet zorgvuldig is uitgevoerd. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat er een zenuwdeel is achtergebleven in het kanaal. Het college kan ook niet vaststellen dat er sprake zou zijn van overige iatrogene schade. Klacht over reactie in het natraject is ook ongegrond. Beide klachtonderdelen ongegrond. |
A2024/7683
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 1 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
tandarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De tandarts is werkzaam bij een praktijk gespecialiseerd in tandheelkundige
spoedgevallen.
Klager heeft zich tot de praktijk gewend in verband met plotselinge kiespijn. De
tandarts heeft bij
klager het eerste deel van een endodontische behandeling uitgevoerd.
1.2 Klager verwijt de tandarts dat zij de endodontische behandeling onzorgvuldig
heeft uitgevoerd
omdat er een zenuwdeel zou zijn achtergebleven in de kies waardoor klager veel pijn
had. Daarnaast
verwijt hij de tandarts dat zij gebrekkig is geweest in haar nazorg.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klager van 2 december 2024 met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 22 januari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek,
met de bijlagen;
- de brief van klager van 2 juni 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 juni 2025. De partijen zijn
verschenen. De
tandarts werd bijgestaan door haar gemachtigde. De aanwezigen hebben hun standpunten
mondeling
toegelicht.
3. De feiten
3.1 De tandarts is werkzaam bij E, een praktijk voor tandheelkundige spoedgevallen.
3.2 Klager heeft in de avond van 1 oktober 2023 de praktijk bezocht met kiespijn.
De tandarts
heeft een röntgenfoto gemaakt en is daarna begonnen met een endodontische behandeling
aan element
45. De tandarts heeft het kanaalstelsel gereinigd en daarna afgevuld met Calcipast.
Verder heeft
zij een antibioticum (amoxicilline 500 mg) voorgeschreven. Hierna is nogmaals een
röntgenfoto
gemaakt.
3.3 Op 2 oktober 2023 belde klager naar de praktijk vanwege aanhoudende pijnklachten.
De
assistent heeft met de tandarts overlegd en de tandarts heeft klager paracetamol
met codeïne
voorgeschreven.
3.4 Op 3 oktober 2023 heeft klager zich tot zijn eigen tandarts gewend. Deze tandarts
is toen
gestart met de verdere endodontische behandeling van element 45.
3.5 Op 10 oktober 2023 heeft klager een klacht ingediend bij de praktijk.
4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Klager verwijt de tandarts dat zij:
a) niet heeft gezien dat er nog een zenuwdeel zat;
b) geen reactie heeft gegeven in het natraject op de klachten van klager en dat
zij zich niet
toetsbaar opstelde.
4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) zenuwdeel over het hoofd gezien
5.2 Klager stelt dat, toen zijn eigen tandarts op 3 oktober 2023 een vervolg van
de endodontische
behandeling uitvoerde, hij een stukje achtergebleven zenuw uit de kies haalde. Volgens
deze
tandarts was er daarmee sprake van iatrogene schade. Na deze behandeling verdween
de pijn van
klager. Klager verwijt de tandarts dat zij het zenuwdeel heeft laten zitten tijdens
haar
behandeling waardoor klager veel pijn heeft geleden.
5.3 De tandarts brengt naar voren dat zij het kanaal zo goed mogelijk heeft schoongemaakt
en dat
er geen aanwijzingen waren dat er nog een zenuwdeel aanwezig was. Zij heeft na de
behandeling ter
controle een röntgenfoto gemaakt.
5.4 Het college oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn dat de endo-start op 1 oktober
2023 niet
zorgvuldig is uitgevoerd door de tandarts. De stelling dat er een zenuwdeel is achtergebleven
in
het kanaal is door klager onvoldoende onderbouwd. Op basis van de röntgenfoto die
is gemaakt na de
behandeling, kan het college ook niet vaststellen dat er sprake zou zijn van overige
iatrogene
schade. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) geen reactie natraject
5.5 Klager verwijt de tandarts met dit klachtonderdeel ten eerste dat zij onvoldoende
heeft
gereageerd toen klager op 2 oktober 2023 na de behandeling belde met pijnklachten.
Klager zegt dat
hij meerdere keren heeft gebeld met pijnklachten. Ten tweede verwijt hij de tandarts
dat zij niet
heeft gereageerd op de door hem op 10 oktober 2023 bij de praktijk ingediende schriftelijke
klacht.
5.6 Met betrekking tot het handelen van de tandarts op 2 oktober 2023 oordeelt het
college dat
uit het tandheelkundig dossier blijkt dat de tandarts op één moment door een assistent
is gevraagd
mee te kijken toen klager had gebeld wegens aanhoudende pijnklachten. De tandarts
was zelf op dat
moment niet aan het werk maar is gebeld door de assistent. De tandarts heeft toen
pijnstilling
voorgeschreven. Het college oordeelt dat dit adequaat beleid is. De behandeling
vond plaats op 1
oktober 2023 in de avond en klager heeft de volgende dag gebeld met pijnklachten.
Het is niet
ongebruikelijk dat een patiënt nog pijn ervaart in de 24 tot 48 uur na de behandeling.
De tandarts
mocht daarom volstaan met het voorschrijven van pijnstilling zonder klager te zien.
Dit deel van de
klacht is ongegrond.
5.7 Over de schriftelijke klacht van 10 oktober 2023, heeft de tandarts naar voren
gebracht dat
de klacht destijds niet in goede orde is ontvangen en gelezen door de praktijk.
De praktijkmanager
van destijds was bezig met zijn uitdiensttreding waardoor de afhandeling inderdaad
niet goed is
gegaan. De praktijk heeft hiervoor excuses aangeboden aan klager in een andere klachtenprocedure
en
de klachtenprocedure bij de praktijk is verbeterd, om te voorkomen dat dit nogmaals
gebeurt.
5.8 Het college acht het spijtig dat de klacht van klager niet adequaat is opgepakt
omdat dit
mogelijk verdere onvrede had kunnen voorkomen, maar het college kan niet vaststellen dat
de klacht van 10 oktober 2023 de tandarts persoonlijk heeft bereikt en dat zij bewust
niet heeft gereageerd op de klacht. Dit deel van de klacht is daarom ongegrond.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.Th.W. van Ravenstein, voorzitter, W.M. Creemers,
lid- jurist,
M.M.L.F. Smulders, H.W. Luk, en R.J. Overmars, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door E.A. Weiland, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2025.