ECLI:NL:TGZRAMS:2025:187 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7148
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:187 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2025 |
| Datum publicatie: | 29-07-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7148 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts, werkzaam op de SEH. Klaagster is niet tevreden over de zorg die haar moeder (patiënte) kreeg, waardoor haar moeder op 14 maart 2022 is komen te overlijden. Klaagster verwijt de arts onder andere dat de medicatielijst van patiënte bij opname vanaf de SEH naar de verpleegafdeling op 14 maart 2022 niet is aangepast aan de klachten die patiënte had.Het college overweegt als volgt. (…) In deze omstandigheden was het volgens het college beter geweest als de arts meer aandacht had besteed aan de opnamemedicatie of hierover overleg had gevoerd met een van haar supervisors. Daar staat tegenover dat patiënte een beperkte levensverwachting had en al langere tijd in een medisch kwetsbare positie verkeerde en dit in ieder geval zo was toen zij werd opgenomen. Het is dus onduidelijk welke effecten de medicatie heeft gehad op het verloop van de ziekte in dit geval. Verder had de arts tijdens haar SEH-stage als arts-assistent in opleiding tot militair arts pas een beperkt aantal diensten gehad en had zij voornamelijk chirurgische voorervaring. Complexe beschouwende problematiek zoals deze had zij nog niet aan de hand gehad. Dit alles maakt dat, hoewel de arts beter anders had kunnen handelen, in dit geval de grens van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid niet wordt gehaald. |
A2024/7148
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 29 juli 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
arts, destijds arts-assistent op de SEH,
destijds werkzaam in B, verweerster, hierna ook: de arts, gemachtigde: D, werkzaam
in B.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend
in het E
(hierna: de instelling). Zij is - kort gezegd - niet tevreden over de zorg die haar
moeder kreeg,
waardoor haar moeder op 14 maart 2022 is komen te overlijden. Verweerster was arts-assistent
op de
spoedeisende hulp (SEH) op 13 en 14 maart 2022. De arts heeft in haar verweerschrift
uitgelegd welke inspanningen zij heeft gedaan wat betreft de behandeling van de moeder
van klaagster.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is, maar dat de
arts niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe
de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, waaronder een USB-stick met geluidsopnamen,
ontvangen op 18
april 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster ontvangen op 11 oktober 2024, met als bijlagen transcripties
van de
geluidsopnamen;
- de brief van de gemachtigde van de arts van 11 november 2024, met een reactie
op de overlegde
transcripties, met bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van de arts van 30 januari 2025 met als bijlagen
de gespreksverslagen van de nagesprekken van 2 juni 2022, 28 juni 2022 en 30 augustus
2022, ingekomen op 3 februari 2025;
- de e-mail van klaagster van 2 juni 2025 met in totaal 32 bijlagen, per post ontvangen
op 4 juni
2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 juni 2025. De partijen zijn
verschenen.
Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten
mondeling
toegelicht. Deze klacht is ter zitting gelijktijdig behandeld met de klacht tegen
F, SEH-arts en
destijds supervisor van verweerster (geregistreerd onder nummer A2024/7145).
3. De feiten
3.1 De moeder van klaagster, geboren in 1959, (hierna: patiënte) had een uitgebreide
voorgeschiedenis met onder meer diabetes, een verhoogde bloeddruk, schizofrenie,
obstructieve
slaapapneusyndroom, obesitas en mammacarcinoom (borstkanker). Begin 2021 heeft patiënte
contact
opgenomen met de poli longgeneeskunde van de instelling na verwijzing door de huisarts.
Inmiddels
waren er in een ander ziekenhuis uitzaaiingen van het mammacarcinoom vastgesteld
in de lever van
patiënte. Patiënte was voor die aandoening onder behandeling in meerdere ziekenhuizen
en werd voor
de longklachten gezien in het E.
3.2 Op zondagavond 13 maart 2022 is patiënte vanuit het verpleeghuis naar de SEH
van de
instelling gebracht, omdat zij niet wekbaar was. Het laatste bezoek van patiënte
aan de SEH was op
10 maart 2022 en sindsdien was patiënte fors achteruitgegaan. Op 13 maart 2022 is
patiënte
opgevangen door verweerster. Zij heeft de overdracht met de ambulancedienst gedaan
en vanwege de
slechte toestand van patiënte is F, verweerster inzake A2024/7145, als dienstdoend
SEH-arts er
direct bijgekomen om patiënte mede te beoordelen. Samen hebben zij SEH-beleid gemaakt
en op basis
van het klinische beeld werd gedacht aan sepsis.
3.3 Op de SEH werd onder meer 2 liter vocht gegeven via het infuus, waar patiënte
op reageerde.
Verweerster heeft in overleg met F de IC in consult gevraagd om te beoordelen of
patiënte op de IC
kon worden opgenomen. Daarnaast werd er overleg gezocht met het ziekenhuis dat betrokken
was bij
patiënte op oncologisch vlak.
3.4 Uit het overleg tussen verweerster en het ziekenhuis kwam naar voren dat patiënte
nog
chemokuren kreeg op eigen verzoek en dat de levensverwachting minder dan zes maanden
was. Het
beleid in het andere ziekenhuis was een code B beleid, wat betekende dat patiënte
gezien haar
medische situatie niet gereanimeerd en niet beademd zou worden. De collega’s van
de IC hebben op verzoek van verweerster en F patiënte tweemaal beoordeeld.
Uiteindelijk is geconcludeerd dat patiënte niet in aanmerking kwam voor een IC-opname.
3.5 Verweerster en F zijn het gesprek met patiënte en de aanwezige broer van patiënte
aangegaan
over de uitkomsten van de onderzoeken en de overleggen. Later is ook de dienstdoende
longarts,
verweerster inzake A2024/7146, en de man van klaagster bij het gesprek aangesloten.
In het gesprek
is het code B beleid aan patiënte en haar naasten uitgelegd. Patiënte en haar naasten
hadden er
moeite mee om dat te accepteren. Uiteindelijk is afgesproken dat patiënte werd opgenomen
op een
reguliere verpleegafdeling en is een gezamenlijk opnamebeleid gemaakt. Hierbij werd
onder meer
afgesproken door de dienstdoend longarts dat verweerster de logistieke overgang
naar de afdeling
zou regelen, waaronder de opnamemedicatie. Zij heeft dit vervolgens zelfstandig
gedaan en heeft
patiënte daarna telefonisch overgedragen aan de ontvangend zaalarts. Bij aankomst
op de afdeling op
13 maart 2022 om 2.45 uur was patiënte goed aanspreekbaar en niet verward.
3.6 Gedurende de nacht en de volgende ochtend, op 14 maart 2022, vonden meerdere
controles plaats
en ontbeet patiënte nog zelfstandig. Later die ochtend heeft de echtgenoot van klaagster
een
verpleegkundige gewaarschuwd omdat patiënte niet aanspreekbaar was. Patiënte kwam
kort daarna te
overlijden.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Volgens klaagster heeft de arts onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat zij – kort
en zakelijk
weergegeven - :
a) ten onrechte behandelcode A heeft gewijzigd in behandelcode B;
b) heeft belemmerd dat patiënte naar de intensive care is gegaan en patiënte in
plaats daarvan naar
een niet geschikte afdeling is gebracht zonder verdere monitoring (in samenwerking
met collega F);
c) de medicatielijst niet heeft aangepast aan de klachten die patiënte had.
4.2 De arts heeft het college verzocht klaagster wat onderdeel b van de klacht betreft
niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht in zoverre dus niet inhoudelijk te behandelen.
Voor de
overige klachtonderdelen heeft de arts het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college begrijpt dat het proces voorafgaand aan en het uiteindelijke overlijden
van de
moeder van klaagster veel impact op klaagster en haar familie heeft. Het is echter
aan het college om een zakelijke afweging te maken van de klacht en het daartegen
gevoerde verweer.
Is klaagster ontvankelijk?
5.2 De arts heeft aangevoerd dat klaagster in klachtonderdeel b niet ontvangen
kan worden, omdat
zij met dit klachtonderdeel niet de veronderstelde wil van patiënte uitdrukt. Patiënte
heeft immers
zelf aangegeven dat zij geen kasplantje wilde worden waardoor de klacht over het
code B beleid niet
de wil van patiënte uitdrukt en klaagster niet ontvankelijk is, aldus de arts.
5.3 Het college oordeelt als volgt. Het klachtrecht van klaagster als nabestaande
is afgeleid van
de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt. In deze zaak zijn er geen
bijzondere
omstandigheden waardoor daaraan twijfel zou kunnen ontstaan. Patiënte had een duidelijke
behandelwens en heeft in de loop van haar behandeling verschillende malen te kennen
gegeven dat zij
gereanimeerd en beademd wilde worden. Dat patiënte een keer gezegd heeft dat zij
geen kasplantje
wilde worden, doet daaraan niet af. Klaagster kan dus in dit klachtonderdeel worden
ontvangen. Het
college zal dit klachtonderdeel daarom verderop inhoudelijk bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.4 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.5 Het college stelt op basis van het dossier vast dat patiënte al langere tijd
in een medisch
kwetsbare positie verkeerde. Zij had uitgezaaide borstkanker en onderging een oncologisch
traject.
Daarnaast had zij veel andere klachten, waaronder longklachten, en was zij vaak
benauwd. Verdrietig
genoeg was haar levensverwachting minder dan zes maanden. Dat alles maakt dat patiënte
(extra) zorg
nodig had en daar ook regelmatig om vroeg. Het college begrijpt dat klaagster zich
ernstige zorgen
maakte over de situatie van patiënte. Klaagster is bovendien van mening dat in onvoldoende
mate
zorg werd verleend. Het college oordeelt als volgt over de klachten van klaagster.
Klachtonderdeel a) onterecht behandelcode A aangepast naar behandelcode B
5.6 Klaagster verwijt de arts dat bij de opname op 13 maart 2022 behandelcode
B is afgesproken.
Het bepalen en bespreken van behandelcode bij opname van een patiënt op de SEH is
de
verantwoordelijkheid van de primair behandelend specialist, in dit geval de longarts,
waarbij daarnaast de SEH-arts ook zeggenschap had. De SEH-arts heeft dit beleid ook
met patiënte en haar familie besproken. Vanwege het moeizaam verlopen van het gesprek
is later ook de dienstdoend longarts aangesloten voor dit gesprek en voor het maken
van opnamebeleid.
5.7 Het college overweegt dat de arts op dat moment als arts-assistent op de SEH
werkte. Gezien
de positie en rol van de arts op dat moment als arts-assistent, en die van de primair
behandelend
specialist, in dit geval de SEH-arts, is het college van oordeel dat de arts geen
zelfstandige
zeggenschap had over de beslissing om niet te beademen of te reanimeren. De klacht
dat zij die
zeggenschap wel had en dat zij een onjuiste afweging heeft gemaakt, is dus ongegrond.
Klachtonderdeel b) belemmerd dat patiënte naar de intensive care is gegaan en patiënte
niet naar
een geschikte afdeling gebracht
5.8 Klaagster verwijt de arts dat patiënte op 13 maart 2022 geen indicatie voor
een behandeling
op de intensive care heeft gekregen. Het college is echter van oordeel dat de arts
niet degene is
die deze indicatie geeft, evenmin als de SEH-arts. Deze indicatie wordt door de
intensive care arts
gegeven. Deze intensive care arts is patiënte die nacht twee keer komen beoordelen
en heeft tot
twee keer toe besloten dat een intensive care opname niet geïndiceerd was. Het college
heeft op
basis van het medisch dossier en de door partijen ingebrachte stukken geen aanwijzingen
dat dit
oordeel onjuist was. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de arts bij die besluitvorming
een negatieve
rol zou hebben gespeeld. De arts treft dan ook geen verwijt. Bovendien betekent
de weigering om
patiënte op te nemen op de intensive care afdeling niet dat patiënte niet de juiste
zorg heeft
gekregen. Patiënte is naar een verpleegafdeling van het ziekenhuis gebracht waar
een bed
beschikbaar was. Zij is daar ’s nachts meerdere malen gecontroleerd en verneveld.
Klaagster heeft
niet onderbouwd waarom deze verpleegafdeling ongeschikt zou zijn geweest voor patiënte,
anders dan
dat het geen intensive care was. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) de medicatielijst niet aangepast
5.9 Klaagster verwijt de arts dat de medicatielijst van patiënte bij opname vanaf
de SEH naar de
verpleegafdeling op 14 maart 2022 niet is aangepast aan de klachten die patiënte
had. Evenmin is
volgens klaagster rekening gehouden met de medicatielijst die vanuit het verpleeghuis
was
meegegeven. Klaagster heeft aangevoerd dat op de
medicatielijst van het verpleeghuis andere tijdstippen en doseringen van de medicatie
waren
opgenomen en was vermeld dat het middel Dormicum (Midazolam) was gestopt. Deze medicatielijst
is
volgens klaagster op de SEH aan de arts overhandigd. Daarnaast heeft patiënte volgens
klaagster ten
onrechte op de verpleegafdeling nog bloeddrukverlagende medicijnen en Pregabaline
toegediend
gekregen. De arts heeft toegelicht dat zij de medicatie aan de hand van een lijst
- die op de SEH
aan haar is verstrekt - heeft gecontroleerd. Met de kennis van nu meent zij dat
het beter was
geweest als zij hierover nog overleg had gevoerd met de dienstdoend longarts en/of
dienstdoend
psychiater.
5.10 Het college heeft niet kunnen vaststellen dat de arts beschikte over een medicatielijst
waarop stond dat Dormicum niet meer werd toegediend. De medicatie was recent nog
geverifieerd door
de apotheek en daarom ging de arts-assistent er van uit dat de medicatie die in
het systeem stond
up to date was. Dat de medicatie ten onrechte ten tijde van de recente medicatieverificatie
door de
apotheek niet was aangepast, kon na intern onderzoek niet worden verklaard anders
dan dat er een
menselijke fout zou zijn gemaakt. Het college heeft het interne onderzoek van de
apotheek niet in
kunnen zien. Dat er verschillen waren met de meegebrachte lijst en recent geverifieerde
medicatielijst in het systeem valt niet vast te stellen. In zoverre is dit klachtonderdeel
ongegrond.
5.11 Wel is het college van oordeel dat het in dit geval, ook als Dormicum wel op
de
medicatielijst stond vermeld, onverstandig was om nog Dormicum toe te dienen. Patiënte
was immers
ernstig ziek en de aanleiding voor opname op de SEH was dat zij niet wekbaar was.
Onder die
omstandigheden kan het toedienen van Dormicum, vergaande gevolgen hebben. Daarnaast
bevatte de
medicatielijst eenentwintig verschillende medicijnen, waaronder twee morfinepreparaten
en was
sprake van door patiënte zelf geïnitieerde behandelingen in meerdere ziekenhuizen,
wat het
overzicht bemoeilijkte. In deze omstandigheden was het volgens het college beter
geweest als de
arts meer aandacht had besteed aan de opnamemedicatie of hierover overleg had gevoerd
met een van
haar supervisors. Daar staat tegenover dat patiënte een beperkte levensverwachting
had en al
langere tijd in een medisch kwetsbare positie verkeerde en dit in ieder geval zo
was toen zij werd
opgenomen. Het is dus onduidelijk welke effecten de medicatie heeft gehad op het
verloop van de
ziekte in dit geval. Verder had de arts tijdens haar SEH-stage als arts- assistent
in opleiding tot
militair arts pas een beperkt aantal diensten gehad en had zij voornamelijk chirurgische
voorervaring. Complexe beschouwende problematiek zoals deze had zij nog niet aan
de hand gehad. Dit
alles maakt dat, hoewel de arts beter anders had kunnen handelen, in dit geval de
grens van
tuchtrechtelijke verwijtbaarheid niet wordt gehaald. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel
ongegrond is.
5.12 In algemene zin merkt het college los van de vraag naar de persoonlijke verwijtbaarheid
van
de arts nog het volgende op. In dit geval was er opnamebeleid gemaakt en besproken
door de
dienstdoend longarts bij wie ook de verantwoordelijkheid ligt om de opnamemedicatie
te reviseren.
De dienstdoend SEH-arts bleek in de veronderstelling dat de verantwoordelijkheid
van supervisie
inmiddels was overgedragen aan de longarts aangezien deze tijdens het codegesprek
direct bij deze
casus betrokken was geweest. De overdracht van verantwoordelijkheden is echter niet
actief benoemd
en zover bekend zijn daar ook geen lokale afspraken over. De noodzaak om te komen
tot zulke lokale
afspraken is een belangrijk aandachtspunt dat in alle ziekenhuizen aan de orde zou
moeten worden
gesteld.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond
is.
Publicatie
5.14 Mede gelet op het voorgaande en het algemeen belang zal deze beslissing worden
gepubliceerd.
Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen
leren van wat
hiervoor is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen
of andere tot
personen of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.15 Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk)
gegrond
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Gelet op het voorgaande wijst
het college
het verzoek om een kostenveroordeling af.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond;
- wijst het verzoek om een kostenveroordeling af;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, S. Colsen,
lid-jurist,
H.H. Dol, B.W.J. Bens en P. Baas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé,
secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.