ECLI:NL:TGZCTG:2025:56 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2468
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:56 |
---|---|
Datum uitspraak: | 02-04-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | C2024/2468 |
Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
Beslissingen: |
|
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts van moeder overleden patiënt. Klaagster verwijt de huisarts dat hij onvoldoende naar haar zorgen heeft geluisterd en niet is gestopt met het voorschrijven van vele soorten medicatie aan haar zoon. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat er sprake is van gerede twijfel of klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep; verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht die ziet op de medische behandeling van haar zoon; verklaart de klacht die ziet op het handelen van de huisarts ten opzichte van klaagster zelf ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2468 van:
A., wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.
1. Procesverloop, leeswijzer en oordeel
A. – hierna klaagster – heeft op 12 juli 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg in Amsterdam tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend.
Dat college heeft in zijn beslissing in raadkamer van 3 mei 2024 met nummer A2023/5821
de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster heeft tegen die beslissing op tijd beroep ingesteld. De huisarts heeft
een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van
12 februari 2025. Klaagster en de huisarts waren daar aanwezig. De huisarts werd
bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben vragen van het Centraal Tuchtcollege
beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. Klaagster heeft dat gedaan aan de
hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege en de wederpartij
heeft overhandigd.
2. Het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd:
“1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De zoon van klaagster is op 22-jarige leeftijd overleden. Hij was lange tijd
onder behandeling bij een psychiater en psycholoog. Verweerder was zijn huisarts.
Klaagster verwijt de huisarts dat hij nalatig is geweest in de behandeling van haar
zoon, zo zou hij onvoldoende hebben geluisterd naar haar zorgen over het medicatiegebruik
van haar zoon.
1.2 De huisarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
dan wel de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht,
maar dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig
is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet
gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing
is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 juli 2023;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek;
- de brief van de gemachtigde van de huisarts van 3 november 2023, binnengekomen
op 6 november 2023, met als bijlage het medisch dossier van de zoon;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op
23 januari 2024.
2.2 Het college heeft van de huisarts de beschikking gekregen over het medisch
dossier van de zoon van klaagster. Daarbij heeft hij de voorzitter van het tuchtcollege
verzocht in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de overledene
te bepalen dat het kennisnemen van deze stukken niet zou worden toegestaan aan klaagster
persoonlijk (op basis van artikel 67 lid 3 Wet BIG). De voorzitter heeft dit verzoek
gehonoreerd. In verband daarmee zullen in deze uitspraak geen medische details vermeld
worden die niet al uit een andere bron dan uit de voor klaagster kenbare processtukken
bekend zijn geworden.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het
college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij
aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De zoon van klaagster, E., is geboren in 2000.
3.2 In november 2021 is E. door de huisarts verwezen naar een psychiater in
verband met psychische klachten. Tot februari 2023 was hij onder behandeling bij de
psychiater. De behandeling bestond onder andere uit het slikken van psychofarmaca.
Ook vonden er in deze periode gesprekken plaats met een psycholoog. Verweerder was
de huisarts van E.
3.3 Op 28 april 2022 is de vader van E. op consult gekomen bij de huisarts.
Hij heeft daar zijn zorgen geuit over het medicatiegebruik van zijn zoon.
3.4 Op 2 september 2022 is klaagster op consult gekomen bij de huisarts. Zij
heeft toen eveneens haar zorgen geuit over het medicatiegebruik van haar zoon.
3.5 Medio november 2022 is de huisarts in verband met ziekte uitgevallen op
het werk. Hij is vanaf dat moment niet meer betrokken geweest bij de zorg aan E.
3.5 In februari 2023 werd de behandeling bij de psychiater afgesloten.
3.6 Op 17 juni 2023 is E. overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) onvoldoende of niet heeft geluisterd naar wat zij te vertellen had over de
voortgang van de ingezette behandeling van haar zoon;
b) niet is gestopt met het voorschrijven van vele soorten medicatie op haar verzoek;
c) geen waarschuwing in het medisch dossier heeft gezet over het hoge medicijngebruik.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de huisarts het college verzocht de klacht
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college merkt allereerst op dat het zich realiseert dat het overlijden
van de zoon van klaagster op zo jonge leeftijd zeer tragisch en verdrietig is. Duidelijk
is dat klaagster daar veel pijn en gemis van ondervindt. De huisarts heeft ook laten
weten dat hij het heel erg vindt dat de zoon van klaagster is overleden. Hij heeft
zijn condoleances aan klaagster overgebracht en wenst haar veel sterkte met dit grote
verlies. Wat hierna volgt, is een zakelijke beoordeling door het college.
Ontvankelijkheid
5.2 De huisarts stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is
in haar klacht. Er zijn daarvoor twee redenen aangevoerd.
5.3 Primair betoogt de huisarts dat de klacht niet voldoet aan het bepaalde in
artikel 4 lid 1 sub b Tuchtrechtbesluit BIG omdat klaagster geen feiten en gronden
heeft aangevoerd die aan de klacht ten grondslag liggen. Het college volgt de huisarts
hierin niet. Naar het oordeel van het college heeft de arts uit het klaagschrift en
de repliek voldoende kunnen afleiden wat klaagster hem verwijt. In het verweerschrift
en de dupliek is ook op die verwijten ingegaan.
5.4 Subsidiair betoogt de huisarts dat klaagster niet als rechtstreeks belanghebbende
kan worden aangemerkt omdat wordt betwijfeld of klaagster de veronderstelde wil van
de patiënt vertegenwoordigt. Ook hierin volgt het college de huisarts niet. Het is
vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) dat
het recht van een naaste betrekking om een klacht in te dienen over de behandeling
van een overleden patiënt is afgeleid van de veronderstelde wil van de patiënt. Het
is tevens vaste rechtspraak (zie ECLI:NL:TGZCTG:2015:372) dat het niet de taak van
de tuchtrechter is om in een zaak waarin een naaste van een overleden patiënt een
klacht indient, ambtshalve te onderzoeken of deze daadwerkelijk de wil van de overleden
patiënt vertegenwoordigt. Dit betekent dat een klacht van een (directe) nabestaande
in beginsel het oordeel rechtvaardigt dat die klager de wil van de overleden patiënt
vertegenwoordigt. Er kunnen echter bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven
hieraan te twijfelen.
Het college ziet geen aanleiding om klaagster de mogelijkheid te ontzeggen om te
klagen over de in haar ogen tekortschietende medische zorg aan haar zoon, voorafgaande
aan zijn overlijden. Naar het oordeel van het college kan er niet zonder meer vanuit
worden gegaan dat hij dit niet had gewild. In dit geval komt daar als extra waarborg
bij (tegen eventuele bezwaren van de overledene tegen kennisname van het medisch dossier
door klaagster) dat de beoordeling plaatsvindt op een wijze waarbij klaagster zelf
geen inzage krijgt in het medisch dossier, maar het college wel, vanwege het geslaagde
beroep op artikel 67 lid 3 wet BIG terzake.
5.5 Alles overwegende, verklaart het college klaagster ontvankelijk in haar klacht
en zal het college de klacht inhoudelijk beoordelen.
5.6 Anders dan de huisarts veronderstelt, begrijpt het college de klacht niet
(mede) als betrekking hebbend op het handelen van de huisarts jegens klaagster zelf,
als bedoeld in artikel 47 lid 1 a onder 3 Wet BIG. In de kern verwijt klaagster de
huisarts dat hij nalatig is geweest in de behandeling van haar zoon.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.7 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Inhoudelijke beoordeling
5.8 Gezien de samenhang, zal het college de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.
5.9 Klaagster voert aan dat de huisarts tijdens de gesprekken met de ouders de
huisarts onvoldoende heeft geluisterd naar haar. Zij heeft toen haar zorgen geuit
over het medicatiegebruik van haar zoon. Klaagster stelt dat toen de behandeling werd
overgedragen van de psychiater aan de huisarts, de huisarts nagenoeg zonder verdere
gesprekken te voeren de medicatie bij herhaling heeft verstrekt. Verder stelt klaagster
dat er in het medisch dossier van haar zoon geen waarschuwing zou staan over het medicatiegebruik
van haar zoon. Dit is kwalijk omdat de waarnemers van de huisarts dit dan hadden kunnen
zien toen de huisarts door ziekte uitviel.
5.10 De huisarts voert aan dat hij de zorgen van klaagster serieus heeft genomen
en deze ook heeft genoteerd in het medisch dossier van E. Gezien zijn beroepsgeheim,
kon de huisarts tijdens de gesprekken met de ouders geen inhoudelijke mededelingen
doen over de behandeling van E. De huisarts betwist dat er in het medisch dossier
van E. geen waarschuwing is geplaatst over het medicatiegebruik van E. en over de
zorgen die er waren over zijn behandeling en medicijngebruik. Hij heeft dit wel genoteerd.
Van november 2021 tot februari 2023 was E. onder behandeling bij de psychiater en
ging de psychiater over de psychiatrische medicatie. De huisarts heeft wel contact
gehad met de psychiater naar aanleiding van de gesprekken met de ouders.
5.11 Het college stelt vast dat het verweer van de huisarts wordt ondersteund
door de inhoud van het medisch dossier. Aldus blijkt niet dat de huisarts de zorgen
die klaagster aan de huisarts heeft gemeld over het medicatiegebruik niet serieus
heeft genomen. De huisarts was echter gebonden aan zijn beroepsgeheim en kon geen
informatie met klaagster delen over de behandeling van E.. Het college concludeert
dat niet is gebleken dat de huisarts op enig moment nalatig is geweest in de zorg
voor E..
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in alle onderdelen
kennelijk ongegrond is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor
onder “3. De feiten” zijn weergegeven.
4. Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
Standpunten partijen
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
en wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht alsnog
gegrond verklaart.
4.2 De huisarts verzoekt het Centraal Tuchtcollege om klaagster niet-ontvankelijk
te verklaren althans om het beroep van klaagster te verwerpen.
Ontvankelijkheid
4.3 Allereerst dient (ambtshalve) de vraag te worden beantwoord of klaagster
klachtgerechtigd is in de zin van artikel 65 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg (Wet BIG). Artikel 65 lid 1 onder a van de Wet BIG bepaalt dat een
klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende.
4.4 Anders dan het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege ervan
uit dat klaagster niet alleen namens haar zoon klaagt, maar ook voor zichzelf. De
klacht van klaagster ziet niet alleen op de medische behandeling van de zoon van klaagster
maar ook op het handelen van de huisarts ten opzichte van klaagster zelf.
4.5 Voor de klacht die ziet op de medische behandeling van de zoon van klaagster
geldt het volgende. Het recht van een betrokkene (zoals klaagster die de moeder is
van patiënt) om een klacht in te dienen over een medische behandeling van een overleden
patiënt berust niet op een eigen klachtrecht van de betrokkene, maar op een klachtrecht
dat is afgeleid van de veronderstelde wil van de patiënt. In beginsel geldt dat de
nabestaande geacht wordt de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen, tenzij
er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen.
4.6 In deze zaak is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege sprake van
dergelijke bijzondere omstandigheden, wat betekent dat klaagster niet namens haar
zoon kan klagen. Allereerst is er gegronde twijfel of patiënt door klaagster wenste
te worden vertegenwoordigd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het
medisch dossier van patiënt dat door de huisarts met een beroep op artikel 67 lid
3 Wet BIG is overgelegd. De gemachtigde van de huisarts heeft op de zitting toegelicht
dat uit het medisch dossier onder andere blijkt dat patiënt klaagster niet wilde betrekken
bij de behandeling van zijn mentale klachten. En dat daarnaast op geen enkele wijze
uit het medisch dossier blijkt dat patiënt op enig moment heeft aangegeven dat hij
ontevreden was over de door de huisarts verleende zorg. Medio november 2022 is de
huisarts in verband met ziekte uitgevallen op het werk. Hij is vanaf dat moment niet
meer betrokken geweest bij de zorg aan patiënt. In de periode tussen november 2022
en het overlijden van de patiënt zijn er geen aanwijzingen dat hij van plan was om
een tuchtklacht in te dienen. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang
bezien, leiden tot de slotsom dat er gerede twijfel is dat klaagster met het voeren
van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Dit betekent
dat het Centraal Tuchtcollege over de ontvankelijkheid van klaagster anders oordeelt
dan het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor het verdriet
van klaagster en haar wens om het handelen van de huisarts te toetsen, maar dat neemt
niet weg dat er niet vanuit kan worden uitgegaan dat zij een van de patiënt afgeleid
klachtrecht heeft.
4.7 Klaagster is wel ontvankelijk in haar klacht dat de huisarts onvoldoende
of niet naar haar zorgen heeft geluisterd, omdat klaagster hierbij een eigen belang
heeft. Dit gedeelte van de klacht zal hierna dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
4.8 De huisarts heeft verklaard dat hij de zorgen van klaagster heeft gehoord
en naar aanleiding daarvan professioneel heeft gehandeld. Op basis van de inhoud van
het medisch dossier en hetgeen de huisarts op de zitting naar voren heeft gebracht
is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld
naar aanleiding van de zorgen van klaagster. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld
dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat dit
deel van de klacht ongegrond zal worden verklaard.
Conclusie
4.9 Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Centraal Tuchtcollege de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege zal vernietigen, klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren
in de klacht die ziet op de medische behandeling van haar zoon en de klacht die ziet
op het handelen van de huisarts ten opzichte van klaagster zelf ongegrond zal verklaren.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende;
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht die ziet op de medische behandeling
van haar zoon;
verklaart de klacht die ziet op het handelen van de huisarts ten opzichte van klaagster
zelf ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door C.H.M. van Altena, voorzitter;
T. Dompeling en H.M. Wattendorff, leden-juristen en J. van Krimpen en C.A. Lindeboom,
leden-beroepsgenoten en bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.