ECLI:NL:TGZCTG:2025:52 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2440
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:52 |
---|---|
Datum uitspraak: | 02-04-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | C2024/2440 |
Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
Beslissingen: |
|
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. De zoon van klaagster is onder behandeling geweest bij de psychiater en is vier maanden na het afronden van de behandeling overleden. Klaagster verwijt de psychiater dat hij nalatig is geweest in de behandeling. Daarnaast verwijt zij hem dat niet naar haar werd geluisterd en dat haar waarschuwingen werden genegeerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht voor zover zij daarin klaagt namens haar overleden zoon, kort gezegd omdat zij geen van de wil van patiënt afgeleid klachtrecht heeft. Het andere deel van de klacht is kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2440 van:
A., wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. D.J.G. Timmermans.
1. Verloop van de procedure
A.- hierna klaagster - heeft op 12 juli 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer
van 16 april 2024, onder nummer A2023/5819, heeft dat College klaagster niet-ontvankelijk
verklaard in de klacht voor zover zij daarin klaagt namens haar overleden zoon, hierna
de patiënt. Het gedeelte van de klacht waarvoor klaagster een eigen klachtrecht heeft
is kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep
gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 12 februari 2025, waar zijn verschenen klaagster en de psychiater, laatstgenoemde
bijgestaan door mr. D.J.G. Timmermans. De zaak is over en weer toegelicht. Klaagster
heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege
heeft overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“3. De feiten
3.1 Klaagster is de moeder van wijlen E. (hierna: patiënt). Patiënt, geboren
in 2000, is op 2 november 2021 via de crisisdienst aangemeld voor behandeling bij
F. (hierna: F.).
3.2 De psychiater is vanaf februari 2022 voor het farmacotherapeutische deel (medicatieverstrekking)
betrokken geraakt bij de behandeling van patiënt en nam vanaf september 2022 ook de
taak van regiebehandelaar op zich.
3.3 De behandeling van patiënt bij F. is geëindigd op 15 februari 2023.
3.4 Op 17 juni 2023 is patiënt overleden.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater – zakelijk weergegeven – dat hij nalatig
is geweest in de behandeling van patiënt. Daarnaast verwijt zij de psychiater dat
hij niet naar haar heeft geluisterd. De behandeling is ondanks haar waarschuwingen
doorgegaan zoals ingezet en er is niet gestopt met voorschrijven van de vele medicijnen.
Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster toegelicht dat zij de klacht heeft
ingediend namens patiënt en ook voor zichzelf.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Het college staat allereerst voor de vraag of klaagster in haar klacht jegens
de psychiater ontvangen kan worden. Zoals uit artikel 65, eerste lid onder a, van
de Wet BIG volgt, wordt een tuchtzaak aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht
van onder meer een rechtstreeks belanghebbende. Het recht van een betrokkene (zoals
klaagster die de moeder is van patiënt) om een klacht in te dienen over een medische
behandeling van een overleden patiënt berust niet op een eigen klachtrecht van de
betrokkene, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de veronderstelde wil van
de patiënt. In beginsel geldt dat de nabestaande geacht wordt de wil van de overleden
patiënt te vertegenwoordigen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die
aanleiding geven daaraan te twijfelen.
5.2 In deze zaak is naar het oordeel van het college sprake van dergelijke bijzondere
omstandigheden, wat betekent dat klaagster niet namens haar zoon kan klagen. Allereerst
is er gegronde twijfel of patiënt door klaagster wenste te worden vertegenwoordigd.
Uit het medisch dossier blijkt dat patiënt klaagster tijdens de behandeling bij F.
op afstand wilde houden. Bij de aanvang van de behandeling heeft patiënt niet klaagster
maar een vriend aangewezen als eerste contactpersoon. Daarnaast blijkt uit het medisch
dossier op geen enkele wijze dat patiënt op enig moment tegenover de psychiater of
een andere behandelaar heeft aangegeven dat hij ontevreden was over de verleende zorg.
De behandeling is in onderling overleg afgesloten. Ook in de maanden tussen de beëindiging
van de behandelrelatie en het overlijden van patiënt zijn er geen signalen geweest
van patiënt tegenover de behandelaren dat hij ontevreden was of anderszins klachten
had over de behandeling. Er zijn geen aanwijzingen dat hij in deze periode van plan
was om een tuchtklacht in te dienen. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge
samenhang bezien, leiden tot de slotsom dat er gerede twijfel is dat klaagster met
het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt,
zodat zij geen van de wil van patiënt afgeleid klachtrecht heeft.
5.3 Klaagster is wél ontvankelijk in haar klacht dat de psychiater onvoldoende
naar haar heeft geluisterd en haar waarschuwingen heeft genegeerd, omdat klaagster
hierbij een eigen belang heeft. Dit gedeelte van de klacht zal hierna dan ook inhoudelijk
worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
5.4 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
5.5 Voorop staat dat de psychiater een behandelrelatie had met patiënt en niet
met klaagster. Ten aanzien van de mate waarin klaagster bij de behandeling kon worden
betrokken staat de wil van patiënt voorop. Uit het medisch dossier blijkt dat het
de uitdrukkelijke wens van patiënt was om klaagster niet bij de behandeling te betrekken.
Ondanks dat heeft de psychiater tijdens de behandelperiode toch aan klaagster de
mogelijkheid geboden om haar zorgen te uiten. Niet weersproken is dat klaagster aanwezig
is geweest tijdens (een deel van) een behandelgesprek tussen de psychiater en patiënt.
Uit het medisch dossier blijkt dat de psychiater de door klaagster geuite zorgen heeft
genoteerd en daaraan dus aandacht heeft besteed. Naar het oordeel van het college
heeft de psychiater hiermee zorgvuldig gehandeld. Tijdens de behandelperiode is klaagster
ook te woord gestaan door andere behandelaren van patiënt. Zij is telefonisch te woord
gestaan door een verpleegkundige van F. en is aanwezig geweest bij een gesprek tussen
patiënt en zijn behandelend psycholoog in opleiding tot gz-psychloog. Dat de door
klaagster geuite zorgen niet hebben geleid tot een aanpassing van de behandeling of
het medicatiebeleid kan de psychiater niet tuchtrechtelijk worden verweten. Voor het
bepalen van het behandelplan is immers de wil van patiënt zelf beslissend. In de periode
vanaf de start van de behandeling in februari 2022 tot aan het eind van de behandeling
in februari 2023 heeft de psychiater veelvuldig met patiënt contact gehad over de
(medicatie)behandeling: de medicatie is steeds afgestemd op de behoeften en wensen
van patiënt. De psychiater heeft de situatie van patiënt structureel gemonitord en
dit met de andere betrokken zorgverleners geëvalueerd. Uit het voorgaande volgt dat
het gedeelte van de klacht waarvoor klaagster een eigen klachtrecht heeft kennelijk
ongegrond is.”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor
onder “3. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1 Het beroep van klaagster strekt ertoe dat zij ontvankelijk wordt verklaard
voor zover zij namens haar overleden zoon klaagt en dat de klacht in zijn geheel alsnog
gegrond wordt verklaard.
4.2 De psychiater kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
en verzoekt om het beroep van klaagster te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep hebben partijen het debat schriftelijk
nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door
het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen
en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2025 is dat debat
voortgezet.
Beoordeling
4.4 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen
die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel
uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd.
Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake
is van uitbreiding van de klacht, kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.
4.5 Het Regionaal Tuchtcollege heeft met juistheid overwogen dat het recht van
klaagster om een klacht in te dienen over de medische behandeling van haar overleden
zoon (patiënt) niet berust op een eigen klachtrecht, maar op een klachtrecht dat is
afgeleid van de veronderstelde wil van de patiënt. In beginsel geldt dat de nabestaande
geacht wordt de veronderstelde wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen,
tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te
twijfelen.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de vertrouwelijke bijlagen
3 tot en met 7 van het verweerschrift in eerste aanleg (stukken medisch dossier).
Evenals het Regionaal Tuchtcollege komt het Centraal Tuchtcollege op basis van die
stukken tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
zijn om te twijfelen dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van
haar overleden zoon, de patiënt vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege kan zich
vinden in de overwegingen die het Regionaal Tuchtcollege hieraan heeft gewijd onder
5.2 en neemt die integraal over. Klaagster is daarom niet-ontvankelijk in de klacht
voor zover zij daarin namens de patiënt klaagt.
4.7 Met het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege klaagster wel
ontvankelijk in haar klacht voor zover zij voor zichzelf klaagt, te weten dat de psychiater
onvoldoende naar haar heeft geluisterd en haar waarschuwingen heeft genegeerd. Het
Centraal Tuchtcollege heeft begrip voor het verdriet en de frustratie van klaagster,
maar het gaat om de vraag of de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en dat is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet het geval. Het Centraal
Tuchtcollege sluit zich aan bij wat het Regionaal Tuchtcollege over dit deel van de
klacht heeft overwogen onder 5.4 en 5.5. Wat klaagster daarover in beroep heeft aangevoerd
is een herhaling van wat zij eerder heeft aangevoerd en werpt geen ander licht op
de zaak. De klacht is dus in zoverre ongegrond.
4.8 Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover zij in beroep nieuwe klachten heeft
ingediend;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter,
T. Dompeling en H.M. Wattendorff, leden-juristen, en J.A.M. Rutgers en E.J. Stevelmans,
leden-beroepsgenoten en bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2025
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.