ECLI:NL:TGZCTG:2025:51 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2613
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:51 |
---|---|
Datum uitspraak: | 02-04-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | C2024/2613 |
Onderwerp: | Overige klachten |
Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts, die als samenwerkingspartner ten aanzien van COVID-19 teststraten heeft opgetreden. Klager verwijt de huisarts dat zij a) ongevraagd zijn pols heeft gevoeld, daarbij twee keer een diagnose heeft gesteld, en dat zij haar positie als huisarts misbruikte door klager met de door haar versterkte zorg over zijn gezondheid tot zakelijke concessies te bewegen, b) op meerdere momenten de situatie rond Covid19 gebruikte om meer geld af te dwingen dan tussen partijen was afgesproken, c) de continuïteit van de teststraat in gevaar bracht, d) tekortschoot in haar management, inspectie en controleverplichtingen van de testlocaties, en e) fraude pleegde met facturen en met verklaringen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel omdat het verweten handelen niet valt onder één van de tuchtnormen. In de overige klachtonderdelen is klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Klager heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van de klachtonderdelen a en e. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2613 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. T.A. Knijp,
tegen
C., huisarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 9 november 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. De voorzitter van dat College heeft bij beslissing van 23 augustus 2024, onder nummer Z2023/6581, klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Vervolgens zijn nog enkele producties in het geding gebracht. De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 19 februari 2025, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. T.A. Knijp, en de huisarts, bijgestaan door mr. M.F. van der Mersch. De zaak is over en weer toegelicht. Beide gemachtigden hebben dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
2.1 Klager is bestuurder en enig aandeelhouder van E.-B.V (hierna: E.). E. werkte samen met F.-B.V. (hierna: F.). Bestuurder en aandeelhouder van F. was G.. E. en F. waren overeengekomen dat – kort gezegd – zij ieder voor 50% zouden delen in de winst die de ander zou maken.
2.2 In december 2020 sloten F. en verweerster een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot twee door F. geëxploiteerde (COVID-19) teststraten. In deze samenwerkingsovereenkomst werd afgesproken dat verweerster voor deze teststraten de functie zou vervullen van toeziend arts.
2.3 In het voorjaar van 2021 stelde de Stichting Open Nederland (hierna: SON) een toelatingsprocedure open voor “testen voor toegang”. F. kreeg na inschrijving voor deze toelatingsprocedure op 23 april 2021 de opdracht gegund voor “testen voor toegang” voor de noordelijke provincies. In de overeenkomst met SON verbond F. zich om 93 testplekken te realiseren, verdeeld over verschillende locaties in Noord-Nederland.
2.4 Om de overeenkomst met SON te kunnen uitvoeren had F. voor inschrijving al samenwerkingspartners gezocht, namelijk H.-B.V. (handelend onder de naam: I.) en
J.-B.V. (hierna: J.). J. was een gezamenlijke vennootschap van K. en verweerster.
2.5 De samenwerkingsovereenkomst tussen F., I. en J. werd al uitgevoerd voordat deze definitief werd ondertekend. De afgesproken winstverdeling was aanvankelijk 20% voor F., 60% voor I. en 20% voor J.. Dit zou in de pas lopen met de afgesproken taakverdeling.
2.6 Op 19 juni 2021 waren er gesprekken tussen de samenwerkingspartners, waarbij de insteek van klager was dat I. minder taken uitvoerde dan afgesproken en daarom een minder groot deel van de winst zou moeten krijgen. De gesprekken resulteerden in een gewijzigde winstvergoeding. Tot en met 31 augustus 2021 zou de winstverdeling 25/50/25 zijn en daarna 27,5/45/27,5 (waarbij telkens het hoogste percentage voor I. was). De overeenkomst werd op 6 september 2021 getekend.
2.7 In eerste instantie werden op basis van de gunning en samenwerkingsovereenkomst tussen F., I. en J. 93 testplekken op acht locaties gerealiseerd. Op verzoek van SON van eind september 2021 werden later nog twee locaties gerealiseerd. Deze zouden vanwege het einde van de opdracht tot 10 oktober 2021 open zijn. De realisatie en uitvoering werden door de samenwerkingspartners onder de overeenkomst gebracht.
2.8 Naast deze overeenkomsten waren F. en verweerster ook samenwerkingspartners bij een op 1 juli 2021 ondertekende samenwerkingsovereenkomst. Deze overeenkomst tussen F. en verweerster ging over vijftien door F. geëxploiteerde teststraten voor “testen voor vertrek”. Afgesproken werd dat verweerster voor deze teststraten de functie zou vervullen van toeziend arts.
3. DE KLACHT EN DE REACTIE DAAROP
3.1 Klager verwijt verweerster, dat zij:
- ongevraagd zijn pols heeft gevoeld en twee keer een diagnose heeft gesteld, de
eerste keer atriumfibrilleren en de tweede keer bigeminie, en dat zij haar positie als huisarts misbruikte door klager met de door haar versterkte zorg over zijn gezondheid tot zakelijke concessies te bewegen;
- op meerdere momenten de situatie rond Covid19 gebruikte om meer geld af te
dwingen dan tussen partijen was afgesproken;
- de continuïteit van de teststraat in gevaar bracht door haar communicatie met
medewerkers over het mogelijke einde van de teststraat en het ronselen van uitzendkrachten, waardoor de uitzendorganisatie de samenwerking “on hold” zette;
- tekortschoot in haar management, inspectie en controleverplichtingen van de
testlocaties;
- fraude pleegde met facturen en met verklaringen overheidsonderzoek publieke
bestedingen.
Uit twee verklaringen bij productie 134 van het klaagschrift, blijkt dat verweerster Stichting Open Nederland (SON) en de accountant heeft misleid:
- de e-mail van L. van 11 juni 2022 waarin een verklaring van
verweerster is opgenomen;
- een ondertekende verklaring van verweerster van 23 juni 2022.
3.2 Verweerster voert aan dat de klachten van klager gaan over de uitvoering van een zakelijke overeenkomst tussen F. en verweerster. Het tuchtrecht is niet bedoeld voor het beslechten van zakelijke geschillen tussen partijen die geen verband houden met de individuele gezondheidszorg. Verweerster stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klachten.
4. DE OVERWEGINGEN
4.1 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is een arts (alleen) onderworpen aan tuchtrechtspraak voor:
-
- handelen of nalaten in strijd met de zorg die die arts hoort te betrachten ten
opzichte van zijn patiënt, iemand die in (medische) nood is en bijstand nodig
heeft en naaste betrekkingen van deze personen (de zogenoemde eerste tuchtnorm);
-
- enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een
behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (de zogenoemde tweede tuchtnorm).
4.2 Daarnaast geldt dat een tuchtklacht alleen in behandeling kan worden genomen als de indiener klachtgerechtigd is. In artikel 65, eerste lid, van de Wet BIG is bepaald dat een klaagschrift moet worden ingediend door:
-
- een rechtstreeks belanghebbende;
- de opdrachtgever van de zorgverlener;
- de werkgever van de zorgverlener;
- de inspecteur.
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
4.3 Op 19 juni 2021 was er een zakelijke bespreking waarbij klager, zakenpartner
G. (namens F.) en verweerster (namens J.) aanwezig waren. Klager had verweerster maanden eerder al laten weten dat hij last had van hartritmestoornissen. Bij de bespreking gaf klager aan al de hele dag last te hebben van hartkloppingen. Verweerster heeft vervolgens klagers pols gevoeld. Zij heeft daarna de woorden atriumfibrilleren en bigeminie gebruikt.
4.4 Vaststaat dat verweerster geen behandelrelatie had met klager. Het handelen vond plaats in de setting van een zakelijke bespreking tussen samenwerkingspartners waarbij de winstverdeling in de samenwerking het onderwerp van bespreking was. Duidelijk was dat verweerster niet handelde als medisch behandelaar. Gesteld noch gebleken is voorts dat klager in (medische) nood was en hiervoor bijstand behoefde. Het handelen dat door klager in klachtonderdeel a) aan de orde is gesteld valt niet onder de eerste tuchtnorm.
4.5 De tweede tuchtnorm gaat over handelen buiten een behandelrelatie in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. De tweede tuchtnorm ziet dus op handelen dat niet valt onder de eerste tuchtnorm. Het toetsen van handelen aan de tweede tuchtnorm kan alleen plaatsvinden als het verweten handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg. Dit is niet het geval. Het handelen van verweerster vond plaats in de besloten setting van een bespreking tussen samenwerkingspartners, waarbij het doel was overeenstemming te bereiken over een bepaalde winstverdeling. Dat verweerster na de bevestiging door klager dat hij de hele dag al last had van hartkloppingen, zijn pols heeft gevoeld en noemde dat klager atriumfibrilleren en/of bigeminie had, heeft onvoldoende weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. Verweerster heeft geen medisch advies gegeven of behandelvoorstellen gedaan. Door klager is evenmin inzichtelijk gemaakt dat het handelen van verweerster voor klager gevolgen heeft gehad waardoor de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg is of wordt geraakt. De door klager genoemde omstandigheid dat hij door het handelen van verweerster akkoord is gegaan met een voor hem minder gunstige winstverdeling, betreft een zakelijk belang en raakt niet de individuele gezondheidszorg. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerster met haar handelen de grens van het betamelijke heeft overschreden.
4.6 Uit het voorgaande volgt dat het handelen als bedoeld in klachtonderdeel a) niet valt onder één van de tuchtnormen. Klager is hierin niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid klachtonderdelen b) tot en met e)
4.7 Klager is niet de werkgever of opdrachtgever van verweerster. Dat betekent dat voor ontvankelijkheid is vereist dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Dit houdt in dat bij klager sprake moet zijn van een concreet en rechtstreeks eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de Wet BIG die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken. Is dit belang er niet, dan is klager niet gerechtigd om een tuchtklacht in te dienen en kan hij dus niet in deze klachtonderdelen worden ontvangen.
4.8 Klachtonderdelen b) tot en met e) gaan allemaal over het handelen van verweerster in een samenwerkingsverband waarin klager geen partij was. Hij had bij de uitvoering hiervan zelf slechts een financieel belang, bestaande uit zijn recht op een deel van de winst van F.. De door klager genoemde belangen als volksgezondheid, publieke gelden en het publieke vertrouwen zijn algemene belangen. Het belang van klager verschilt hierin niet van enig andere privépersoon en is daarmee niet aan te merken als een rechtstreeks eigen belang. De door klager genoemde reputatieschade als gevolg van het door hem gestelde handelen van verweerster is geen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Dat klager door het zakelijke conflict last zou hebben van (toegenomen) gezondheidsklachten maakt hem niet alsnog rechtstreeks belanghebbende. Genoemde gezondheidsschade staat wat dat betreft te ver af van het handelen waarover geklaagd wordt.
4.9 Uit het voorgaande volgt dat klager niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende bij de klachtonderdelen b) tot en met e). Dat betekent dat klager ook hierin niet-ontvankelijk is.
Slotsom
4.10 De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
-
- Het beroep van klager strekt ertoe dat hij alsnog ontvankelijk wordt verklaard in de klachtonderdelen a en e en dat die klachtonderdelen gegrond worden verklaard. Het beroep van klager richt zich niet tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de klachtonderdelen b, c en d, zodat die klachtonderdelen in beroep niet meer aan de orde zijn.
4.2 De huisarts kan zich vinden in de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en stelt daarom dat het beroep van klager moet worden verworpen. Indien het Centraal Tuchtcollege anders dan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat klager ontvankelijk is in de klacht, verzoekt de huisarts om terugwijzing van de zaak naar het Regionaal Tuchtcollege.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2025 is dat debat voortgezet.
Beoordeling ontvankelijkheid klachtonderdeel a
4.4 In klachtonderdeel a verwijt klager de huisarts dat zij ongevraagd zijn pols heeft gevoeld en twee keer een diagnose heeft gesteld, en dat zij haar positie als huisarts misbruikte door klager met de door haar verstrekte zorg over zijn gezondheid tot zakelijke concessies te bewegen. Voor de vraag of klager in dit klachtonderdeel moet worden ontvangen, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.5 Op 19 juni 2021 vond er een zakelijke bespreking plaats over de verdeling van de winst tussen F., I. en J.. De opvatting van klager was dat I. minder taken uitvoerde dan afgesproken en daarom een minder groot deel van de winst zou moeten krijgen. Bij de bespreking waren aanwezig klager, zakenpartner G. (namens F.) en de huisarts (namens J.). Klager had de huisarts eerder al laten weten dat hij last had van hartritmestoornissen. Bij de bespreking gaf klager aan al de hele dag last te hebben van hartkloppingen. De huisarts heeft toen klagers pols gevoeld. Van de bespreking op 19 juni 2021 zijn geluidsopnamen gemaakt. Deze zijn, samen met transcripties daarvan, onderdeel van het dossier. Hieruit blijkt dat onder meer het volgende is gezegd:
[Productie 11 bij het klaagschrift]
G. : A., doe nou maar rustig.
Klager : Ja, het gaat nu beter dan een uur geleden, dus eh.
Huisarts : Heb je last van hartkloppingen?
Klager : Hele dag.
Huisarts : Mag ik eens voelen?
Klager : Jij gaat tellen.
Huisarts : Oeh hebt eh, je hebt eh, atriumfibrilleren.
Huisarts : Dan slaat ie weer over.
Huisarts : Ja, het is echt een hele onregelmatige hartslag.
Klager : Ja dan voel je je dus heel arelaxt.
Huisarts : Dat is heel vervelend. Je kunt er ook loos van worden.
Klager : Mm mm.
Huisarts : Avondtrek, ongezond eten, de koffie drinken.
Klager : Mm mm.
Huisarts : Maar even serieus. Nee, maar je kan wel miljoenen willen verdienen,
maar als je dan plotseling dood neervalt dan heb je toch ook niks?
G. : Nee maar dat hebben we vanmiddag al uitgebreid verteld.
Klager : Mm mm.
[Productie 12 bij het klaagschrift]
Huisarts : Je hebt vrijdag nog gezegd (..) Ik sta op het punt om te accepteren
mijn 20% dus gewoon laten (..)
Klager : Nou (..) mooi niet.
Huisarts : Ik ben heel tevreden met het geld wat daar binnenkomt (..) Dus voor
mij is het prima.
Klager : Ja maar dan heb je met mij een rechtszaak. Met alle respect (..) Je gaat
het niet weggeven (..) En dan krijg je het terug hoor. Als ik het
gewonnen heb.
Klager : Maar ik zorg ervoor dat de kaas niet van ons brood wordt gegeten en
naar hun gaat. Als je het weggeeft, dan ga ik een zaak tegen hun
aanspannen.
Huisarts : Weet je hoe ongelukkig je daarvan wordt?
Klager : Ja maar weet je hoe gelukkig ik er wel van word? Als ik het win
uiteindelijk.
Huisarts : Met ritmestoornissen en alles
Klager : Maar dat heb ik ongeacht wat ik doe
Huisarts : Straks krijg je ergens kanker over 2 jaar. Dan heb je 2 jaar een
rechtszaak gevoerd. Je kant beter met M. uit eten gaan.
Huisarts : En daar je energie in stoppen.
[Productie 13 bij het klaagschrift]
Huisarts : En dan moet (..) A. maar even slikken. Ja, dat is dan maar jammer.
Klager : Nou, ik denk dat we een zaak kunnen maken.
Huisarts : Ja (..) Maar (..)
G. : Nee maar we gaan geen zaak maken. Ouwe reus (..) Jij gaat aan je
hart denken, we gaan hier mee nokken.
[Productie 14 bij het klaagschrift]
Klager : Geen, geen concessies!
Klager : Zaak, zaak zaak!
Huisarts : Jouw hart (..). Hè? Mag ik je hartslag nog eens voelen jongen? Je hebt
gewoon, verdomme op jouw leeftijd nu al (..)
Klager : Al jaren.
Huisarts : Slik je bloedverdunners?
Klager : Nee?
Huisarts : Ik heb dit ook gehad hè? Een periode Bigeminie (..)
Huisarts : Stress.
Klager : Ja.
Huisarts : Ik heb het niet meer. Ik heb geen stress meer, ik heb mindfulness
gedaan (..) Ik weet niet wat gedaan. Ik voel bijna nooit stress. En
daardoor heb ik het niet meer. Dus het kan weggaan, als je aan jezelf
werkt. Ja, jij bent echt (..) ik weet niet wat je aan het doen bent.
Klager : Ja, als we een deal (..) Als we een goeie deal voor onszelf maken ja.
4.6 Het handelen van de huisarts dat door klager in klachtonderdeel a aan de orde wordt gesteld vond dus plaats in de setting van een zakelijke bespreking tussen samenwerkingspartners, waarbij de winstverdeling het onderwerp van bespreking was. De huisarts was weliswaar onderdeel van het samenwerkingsverband juist omdat zij van beroep huisarts is, maar het gesprek voerde zij in de hoedanigheid van zakelijke partner en niet in de hoedanigheid van (de) huisarts (van klager). Van een behandelrelatie tussen klager en de huisarts was op 19 juni 2021 naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege geen sprake, althans dat heeft klager uit de hiervoor geciteerde gesprekken en uit het enkele feit dat de huisarts vroeg zijn pols te mogen voelen toen hij klaagde over hartkloppingen redelijkerwijs niet kunnen afleiden. Gesteld noch gebleken is voorts dat klager in medische nood was en hiervoor die dag medische bijstand heeft gekregen. Het in klachtonderdeel a genoemde handelen valt dus niet onder de eerste tuchtnorm.
4.7 De tweede tuchtnorm gaat over handelen buiten een behandelrelatie in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. De tweede tuchtnorm ziet dus op handelen dat niet valt onder de eerste tuchtnorm. Het toetsen van handelen aan de tweede tuchtnorm kan alleen plaatsvinden als het verweten handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg. Met de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat dat in casu niet het geval is. Het handelen van de huisarts vond plaats in de besloten setting van een zakelijke bespreking tussen samenwerkingspartners, waarbij het doel was overeenstemming te bereiken over een bepaalde winstverdeling. Dat de huisarts na de mededeling van klager dat hij de hele dag al last had van hartkloppingen, zijn pols heeft gevoeld en noemde dat klager atriumfibrilleren en/of bigeminie had, heeft onvoldoende weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. De huisarts heeft geen medisch advies gegeven of behandelvoorstellen gedaan. Door klager is evenmin inzichtelijk gemaakt dat het handelen van de huisarts voor klager gevolgen heeft gehad, waardoor de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg is of wordt geraakt. De door klager genoemde omstandigheid dat hij door het handelen van de huisarts akkoord is gegaan met een voor hem minder gunstige winstverdeling, betreft een zakelijk belang en raakt niet de individuele gezondheidszorg.
4.8 Uit het voorgaande volgt dat het handelen als bedoeld in klachtonderdeel a niet valt onder één van de tuchtnormen. Klager is in dit klachtonderdeel dus niet-ontvankelijk.
Beoordeling ontvankelijkheid klachtonderdeel e
4.9 In klachtonderdeel e verwijt klager de huisarts dat zij fraude heeft gepleegd met facturen en verklaringen.
4.10 Voor de ontvankelijkheid is vereist dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Dit houdt in dat bij klager sprake moet zijn van een concreet en rechtstreeks eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de Wet BIG die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken. Is dit belang er niet, dan is klager niet gerechtigd om een tuchtklacht in te dienen en kan hij dus niet in de klacht worden ontvangen.
4.11 Klachtonderdeel e gaat over het handelen van de huisarts in een samenwerkingsverband, waarin klager geen partij was. Hij had bij de uitvoering hiervan zelf slechts een financieel belang, bestaande uit zijn recht op een deel van de winst van F.. De door klager genoemde belangen als volksgezondheid, publieke gelden en het publieke vertrouwen zijn algemene belangen. Het belang van klager verschilt hierin niet van enig andere privépersoon en is daarmee niet aan te merken als een rechtstreeks eigen belang. De door klager genoemde reputatieschade als gevolg van het door hem gestelde handelen van de huisarts is geen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Dat klager door het zakelijke conflict last zou hebben van (toegenomen) gezondheidsklachten maakt hem niet alsnog rechtstreeks belanghebbende. Genoemde gezondheidsschade staat wat dat betreft te ver af van het handelen waarover geklaagd wordt.
4.12 Uit het voorgaande volgt dat klager niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende bij klachtonderdeel e. Klager is dus ook in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.
4.13 Ten overvloede overweegt het Centraal Tuchtcollege nog dat het gewraakte frauderen door de huisarts – gemotiveerd – is weersproken (zie verweerschrift randnummer 18), dat klager daar ter zitting geen nadere onderbouwing aan heeft gegeven en dat in deze tuchtprocedure dan ook niet kan worden vastgesteld dat de huisarts heeft gefraudeerd als gesteld. Ook daarom faalt klachtonderdeel e.
Conclusie
4.13 Het voorgaande betekent dat het Centraal Tuchtcollege tot dezelfde conclusie komt als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en dat het beroep van klager wordt verworpen. Aan een inhoudelijke behandeling van de klachtonderdelen zal niet worden toegekomen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R.C.A.M. Philippart, voorzitter, E.F. Lagerwerf-Vergunst en R.A. van der Pol, leden-juristen en O.T.M. Schouten en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.