ECLI:NL:TGZCTG:2025:50 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2424
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:50 |
---|---|
Datum uitspraak: | 02-04-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | C2024/2424 |
Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
Beslissingen: | Ongegrond, vernietigt waarschuwing |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. De psychiater was werkzaam als geneesheer-directeur van een GGZ-instelling. Op enig moment is een verzoek binnengekomen van Veilig Thuis om informatie te verstrekken over klaagster vanwege ernstige zorgen over haar zwangerschap en de veiligheid van haar ongeboren kind. De psychiater heeft hier per brief op gereageerd. Klaagster verwijt de psychiater dat hij a) zijn beroepsgeheim heeft geschonden, zonder dat daartoe de strikte noodzaak kon worden vastgesteld en in strijd met de regel dat alleen op concrete vragen antwoord wordt gegeven, b) onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt, en c) informatie heeft verstrekt aan een bepaalde locatie van Veilig Thuis, terwijl alleen een andere locatie van Veilig Thuis bevoegd was om een onderzoek uit te voeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard en de psychiater de maatregel van waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Zowel klaagster als de psychiater hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het beroep van klaagster faalt. Het beroep van de psychiater slaagt, omdat het Regionaal Tuchtcollege naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege de klacht van klaagster ten onrechte heeft uitgebreid en gegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog geheel ongegrond en daarmee vervalt de opgelegde maatregel van waarschuwing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2424 van:
A., wonende te B. appellante, tevens verweerster in incidenteel beroep, klaagster
in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beroep, tevens incidenteel appellant, verweerder in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. F. Westenberg.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 7 november 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing
van 19 maart 2024, onder nummer 2023/6584, heeft dat College klachtonderdeel a gedeeltelijk
gegrond verklaard, aan de psychiater de maatregel van waarschuwing opgelegd, en de
klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klaagster is van die beslissing tijdig
in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend en tevens
incidenteel beroep ingesteld.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 12 februari 2025, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door mr. F. Westenberg.
Zij hebben hun het standpunt van de psychiater mondeling toegelicht. Klaagster was
ook verschenen, maar heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat de zitting door belangstellenden
werd bijgewoond. De voorzitter heeft medegedeeld dat de behandeling in een openbare
zitting zou plaatsvinden waarna klaagster de zittingzaal heeft verlaten.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“3. De feiten
3.1 In 2018 is de psychiater werkzaam als geneesheer-directeur van E. te
D. (hierna: de E.).
3.2 Op 5 februari 2018 komt bij het toenmalige hoofd behandelzaken van de
E. een verzoek binnen van F. (locatie G.) om informatie te verstrekken over klaagster
vanwege ernstige zorgen over haar zwangerschap en de veiligheid van haar ongeboren
kind. Het hoofd behandelzaken en de medewerker van F. hebben hierover contact en vervolgens
is het verzoek neergelegd bij het bureau geneesheer-directeur, waarna de psychiater
erbij betrokken raakt.
3.3 De medewerker van F. schrijft in een e-mailbericht van 8 februari 2018
onder meer dat F. een melding over klaagster heeft ontvangen van het K., wat de inhoud
van die melding is, dat F. bezig is met een onderzoek vanwege ernstige zorgen over
de zwangerschap van klaagster en haar ongeboren kind, dat uitgebreid contact heeft
plaatsgevonden met de huisarts van klaagster die adviseert om ook informatie op te
vragen bij de E. en dat klaagster geen toestemming geeft om informatie op te vragen
bij de E. De medewerker van F. verzoekt om informatie om een goede risico-taxatie
te maken:
“Wat is de diagnose die bij haar gesteld is? Heeft zij behandeling gehad bij
de E. en welke? Is deze succesvol afgesloten of niet? Wat is er bekend over agressie
bij deze mevrouw? Wat zijn de triggers voor de agressie? Wat zijn de data en inhoud
van de incidenten geweest die hebben plaatsgevonden (…)?”
3.4 Op 22 februari 2018 heeft de psychiater op het (aangevulde) verzoek van
F. gereageerd door middel van een brief. In deze brief staat onder meer geschreven:
“U vraagt ons informatie over [klaagster] te verstrekken ondanks het feit dat [klaagster]
geen toestemming heeft gegeven voor uitwisseling van informatie. Ondanks de door ons
aangereikte afspraken zoals deze met F. en de H. zijn gemaakt, ontbreekt het in uw
schrijven aan concrete feitelijke vragen.
Het is aan ons om een afweging te maken in hoeverre wij in deze situatie, in afwijking
van ons beroepsgeheim, medische informatie over [klaagster] met u mogen delen. Een
van de afwegingen hierbij is dat informatie strikt noodzakelijk moet zijn om een ernstig
nadeel voor, in dit geval een kind, te voorkomen en in hoeverre deze informatie niet
op een andere wijze verkregen kan worden zonder ons beroepsgeheim te schenden.
In deze casus kunnen wij de strikte noodzaak niet vast stellen. Immers er is veel
informatie over [klaagster] bekend bij de politie en bij de huisarts die steeds omtrent
onze bevindingen volgens vaste procedures is geïnformeerd.
Niettemin zien wij de ernst van de informatie in en zullen wij u beknopt en feitelijk
informeren middels onderstaande bevindingen.
[Klaagster] is in september-oktober 2016 kortdurend bij ons opgenomen geweest na
een crisisbeoordeling en met een IBS. Het is ons daarna niet gelukt om met [klaagster]
een hulpverleningsrelatie tot stand te brengen omdat zij onze bemoeienis afwees. Wij
hebben haar overgedragen aan Sociaal team B. om te trachten te komen tot bemoeizorg.
(…) Na deze periode is er in 2017 en 2018 door de huisarts verzocht om een crisisbeoordeling.
Het is hierbij niet gekomen tot daadwerkelijk contact of hulpverlening. Derhalve zijn
wij dan ook naast bovenstaande overwegingen niet in staat om enig oordeel te hebben
over de actuele situatie. (…)”
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater:
a) dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden, zonder dat de strikte noodzaak
daartoe kon worden vastgesteld en in strijd met de regel dat alleen op concrete vragen
antwoord wordt gegeven;
b) dat de informatie die hij heeft verstrekt onjuist en onvolledig is;
c) dat hij informatie heeft verstrekt aan de locatie G. van F., terwijl alleen
de locatie L. bevoegd was om een onderzoek uit te voeren.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
Hij betwist dat hem tuchtrechtelijk verweten kan worden dat hij informatie heeft gedeeld
met F.. Op grond van de wet was hij namelijk, desnoods met doorbreking van zijn beroepsgeheim,
bevoegd om informatie aan F. te verstrekken voor zover F. die informatie nodig had
om een redelijk vermoeden van huiselijk geweld te onderzoeken. Daarbij moest hij ervan
uitgaan dat F. voldoende aanleiding had om een onderzoek in te stellen. Uit het verzoek
van F. bleek al dat klaagster geen toestemming gaf. Het verzoek bevatte concrete vragen.
De psychiater heeft onderzocht of F. de informatie ook kon ontvangen zonder dat hij
zijn beroepsgeheim zou hoeven te doorbreken, bijvoorbeeld via de huisarts. Toen dat
niet mogelijk bleek heeft hij, gelet op de ernstige zorgen bij F., zeer beknopt en
uitsluitend feitelijke informatie verstrekt. Hij vindt dat hij daarmee binnen de grenzen
van de wet is gebleven.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
5.2 Bij de beoordeling is het volgende van belang. Een arts heeft een geheimhoudingsplicht,
dat wil zeggen dat hij de plicht heeft om aan anderen geen inlichtingen over de patiënt
te verstrekken zonder dat de patiënt toestemming geeft. In sommige situaties mag of
moet een arts zijn beroepsgeheim doorbreken, bijvoorbeeld bij signalen van huiselijk
geweld of kindermishandeling. In de KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk
geweld zijn daarvoor regels neergelegd. Artikel 6 van de meldcode, onderdeel kindermishandeling
(versie 2015), luidt onder meer als volgt:
Artikel 6 Informatie op verzoek van F.
1 De arts die door F. wordt benaderd om informatie, verstrekt – bij voorkeur
met toestemming van betrokkenen – in beginsel alle tot zijn beschikking staande informatie
die noodzakelijk is om kindermishandeling te stoppen of een redelijk vermoeden daarvan
te laten onderzoeken.
2 F. onderbouwt het verzoek om informatie zodanig dat de arts
kan bepalen welke gegevens relevant kunnen zijn voor F. en
welke niet. (…)
In de toelichting bij het artikel staat onder meer:
(…) Voor iedere arts die een verzoek om informatie van F. krijgt,
blijft uitgangspunt dat informatieverstrekking met toestemming van het kind en/of
diens ouders plaatsvindt. Het meldrecht uit de Wmo 2015 biedt artsen echter zeker
de mogelijkheid om zonder toestemming informatie aan F. te verstrekken. Dit is toegestaan
als dat ‘noodzakelijk is om kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden
te onderzoeken.’ Dit meldrecht is geregeld in art. 5.2.6 Wmo 2015.
De meldcode verlangt daarom van de arts om in beginsel (relevante) informatie aan
F. te verstrekken vanuit de gedachte dat – als F. onderzoek heeft ingesteld – in de
regel sprake is van een redelijk vermoeden van kindermishandeling en een noodzaak
om dat te onderzoeken. Wel moet F. de arts helpen bij diens belangenafweging en bij
het bepalen welke gegevens relevant kunnen zijn voor het onderzoek en welke niet.
Het toestemmingsvereiste brengt met zich mee dat de arts – óók als een toestemmingsverklaring
is getekend – het kind en/of diens ouders in beginsel tevoren laat weten welke informatie
hij van plan is te verstrekken.
Klachtonderdeel a) schending beroepsgeheim, zonder noodzaak en zonder concrete vragen
5.3 Uit het hierboven weergegeven beoordelingskader blijkt dat bij informatieverstrekking
aan F. het uitgangspunt blijft dat dit gebeurt met toestemming van de betrokken persoon,
in dit geval klaagster. De psychiater heeft klaagster geen toestemming gevraagd voor
het verstrekken van informatie en heeft evenmin van tevoren aan klaagster laten weten
welke informatie hij van plan was te verstrekken. Op grond van de meldcode mocht de
psychiater weliswaar ook zonder toestemming van klaagster informatie verstrekken,
maar hij had hierover wel eerst met klaagster contact moeten hebben. Dat er een uitzonderingssituatie
was waarin dit contact achterwege kon blijven, is door de psychiater niet aangevoerd
en is ook niet gebleken. De psychiater wist dat klaagster aan F. geen toestemming
had gegeven om informatie op te vragen, maar dat ontsloeg hem niet van zijn verplichting
te onderzoeken of hij met toestemming van klaagster de informatie kon delen en haar
daarover te informeren.
5.4 Het college oordeelt dat de psychiater op grond van het verzoek van F. voldoende
informatie had om tot het oordeel te komen dat het noodzakelijk was om gegevens over
klaagster te delen met F.. Hij mocht daarop al vertrouwen omdat F. een onderzoek had
ingesteld en het verzoek van F. was bovendien voldoende specifiek om de afweging te
maken of doorbreking van het beroepsgeheim nodig was. Tijdens de zitting heeft de
psychiater uitgelegd dat hij zich in de brief misschien ongelukkig heeft uitgedrukt,
maar dat hij bedoelde te schrijven dat hij alleen die beknopte en feitelijke informatie
deelde waarvan hij op basis van het verzoek kon bepalen dat het noodzakelijk was om
te delen. Naar het oordeel van het college is de psychiater op dit punt zorgvuldig
te werk gegaan.
5.5 Anders dan klaagster is het college bovendien van oordeel dat het verzoek
van F. voldoende concrete vragen bevat. De klacht dat de psychiater informatie heeft
gedeeld in strijd met de regel dat alleen op concrete vragen antwoord wordt gegeven,
is dan ook feitelijk onjuist.
5.6 Concluderend oordeelt het college dat het eerste klachtonderdeel gedeeltelijk
gegrond is. De psychiater mocht informatie over klaagster verstrekken zonder haar
toestemming, maar hij had wel eerst toestemming aan klaagster moeten vragen en aan
haar moeten laten weten welke informatie hij van plan was aan F. te geven.
Klachtonderdeel b) de informatie was onjuist en onvolledig
5.7 Klaagster heeft tijdens de zitting toegelicht dat de informatie op twee punten
niet klopt: zij is niet twee maanden opgenomen geweest met een IBS en er is niet overgedragen
aan Sociaal team B., aangezien dat niet eens bestaat.
5.8 Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond. In de brief staat niet dat
er een opname is geweest van twee maanden, alleen dat in die periode een kortdurende
opname heeft plaatsgevonden. Verder heeft de psychiater onderbouwd dat een last tot
inbewaringstelling (IBS) is verstrekt. Verder heeft de psychiater toegelicht dat het
dossier van klaagster informatie bevat over de overdracht aan het genoemde Sociaal
team, inclusief een contactpersoon met contactgegevens. Het college heeft geen reden
om daaraan te twijfelen.
Klachtonderdeel c) informatie verstrekt aan de verkeerde locatie van F.
5.9 Het laatste klachtonderdeel acht het College ook ongegrond. De psychiater
heeft de informatie verstrekt aan de medewerker van F. van wie hij het verzoek om
informatie heeft ontvangen. De verschillende locaties van F. doen in beginsel onderzoek
binnen hun eigen werkgebied, maar dat wil niet zeggen dat een andere locatie onbevoegd
is onderzoek te doen in een ander werkgebied. Bovendien hoeft een arts die een verzoek
van F. krijgt niet te controleren of het van de juiste locatie afkomstig is.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond
is en de andere klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.11 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet beoordeeld worden of een maatregel
moet worden opgelegd. Naar het oordeel van het college is dat wel het geval en is
de maatregel van waarschuwing passend. Hieronder licht het college dat toe.
5.12 De geheimhoudingsplicht van een arts is een belangrijke wettelijke verplichting
die op hem rust. In bijzondere situaties kan het beroepsgeheim doorbroken worden,
soms moet dat zelfs. Daarbij is zorgvuldigheid van groot belang. Uit de brief van
de psychiater aan F. en uit de toelichting die hij op de zitting heeft gegeven blijkt
dat de psychiater zich bewust is geweest van het belang van zijn beroepsgeheim en
van het maken van een zorgvuldige afweging of het noodzakelijk was om het beroepsgeheim
te doorbreken. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de psychiater heeft geprobeerd om niet meer
informatie te delen dan hij noodzakelijk achtte. Wat beter en zorgvuldiger had gemoeten,
is klaagster te betrekken bij zijn afweging, door haar om toestemming te vragen en
door haar te laten weten welke informatie hij van plan was te verstrekken aan F..
5.13 Alles afwegende acht het college het passend om de psychiater te waarschuwen.”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor
onder “3. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep hebben partijen het debat schriftelijk
nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door
het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen
en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2025 heeft de psychiater
zijn standpunt nogmaals toegelicht.
Beoordeling van het beroep van klaagster
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor zover haar klacht ongegrond is verklaard. Zij wil dat de ongegrond bevonden
klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard en dat aan de psychiater een zwaardere
maatregel dan de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege voor zover de klacht ongegrond is verklaard. Het gaat dan om een gedeelte
van klachtonderdeel a, en de klachtonderdelen b en c. Het Centraal Tuchtcollege kan
zich vinden in de motivering van die ongegrondverklaring, zoals weergeven in de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.4 tot en met 5.9. Wat klaagster in beroep heeft
aangevoerd is een herhaling van wat zij eerder heeft aangevoerd en werpt geen ander
licht op de zaak. Dit betekent dat het beroep van klaagster wordt verworpen.
Beoordeling van het incidenteel beroep van de psychiater
4.4 Ook de psychiater is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
en hij heeft daarom incidenteel beroep ingesteld. Hij is van mening dat het Regionaal
Tuchtcollege klachtonderdeel a ten onrechte heeft uitgebreid met een nieuwe klacht,
die klacht vervolgens gegrond heeft verklaard en daarvoor een maatregel heeft opgelegd.
Primair verzoekt hij de beslissing te vernietigen en subsidiair om het opleggen van
een maatregel achterwege te laten.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat klaagster klachtonderdeel a in haar
klaagschrift duidelijk heeft geformuleerd: zij verwijt de psychiater dat hij zijn
beroepsgeheim heeft geschonden door informatie over haar te verstrekken aan F. zonder
dat daartoe strikte noodzaak bestond. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel
a als volgt in de beslissing weergegeven : klaagster verwijt de psychiater dat hij
zijn beroepsgeheim heeft geschonden zonder dat de strikte noodzaak daartoe kon worden
vastgesteld. Onder 5.4. komt het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel dat de psychiater
op grond van het verzoek van F. voldoende informatie had om tot het oordeel te komen
dat het noodzakelijk was om gegevens over klaagster met F. te delen, met welk oordeel
het Centraal Tuchtcollege het eens is. Door daaraan voorafgaand onder 5.3 te oordelen
dat de psychiater – de toelichting op artikel 6 van de toen geldende KNMG-meldcode
Kindermishandeling en huiselijk geweld, onderdeel kindermishandeling – heeft nagelaten
toestemming te vragen aan klaagster voor het verstrekken van informatie aan F. en
heeft nagelaten aan klaagster te laten weten welke informatie hij van plan was te
verstrekken, en klachtonderdeel a op dit punt gedeeltelijk gegrond te verklaren, is
het Regionaal Tuchtcollege buiten de omvang van dit klachtonderdeel getreden. Een
klacht over deze specifieke punten valt in redelijkheid niet te lezen in het klaagschrift.
De psychiater heeft terecht aangevoerd dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad.
Dit betekent dat het beroep van de psychiater slaagt en dat de beslissing van het
Regionaal Tuchtcollege niet in stand kan blijven. Het Centraal Tuchtcollege zal klachtonderdeel
a alsnog geheel ongegrond verklaren. Dit betekent ook dat de opgelegde maatregel van
waarschuwing vervalt.
4.6 Ten overvloede merkt het Centraal Tuchtcollege nog op dat als het vorenbedoelde
wél onderdeel van de klacht zou zijn geweest, de inhoudelijke behandeling daarvan
naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet zou hebben geleid tot een gegrondverklaring.
De toelichting op artikel 6 van de genoemde KNMG-meldcode houdt in dat een arts bij
een verzoek om informatie van F. in beginsel contact opneemt met de betrokkene, in
dit geval klaagster, om toestemming te vragen en om te laten weten welke informatie
hij van plan is te verstrekken. In deze zaak heeft de psychiater, zoals hij op de
zitting bij het Centraal Tuchtcollege heeft toegelicht, na overleg met een jurist
en andere geneesheer-directeuren, ervoor gekozen om dat in dit geval niet te doen.
Hij heeft daarbij gewezen op de crisissituatie en het risico op verdere escalatie.
Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de psychiater daartoe in de gegeven
omstandigheden - het was al duidelijk dat klaagster geen toestemming gaf en er was
kort gezegd sprake van een crisissituatie – in redelijkheid kunnen besluiten. De psychiater
heeft een zorgvuldige afweging gemaakt en is daarmee gebleven binnen de grenzen van
een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is
het Centraal Tuchtcollege dus van oordeel dat ook op dit punt geen sprake is van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen.
4.7 Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege
bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
in het principaal beroep:
verwerpt het beroep,
in het incidenteel beroep:
vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klachtonderdeel a is uitgebreid
en gegrond is verklaard (overwegingen 5.3 en 5.6 van de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege) en doet opnieuw recht:
verklaart klachtonderdeel a in zijn geheel ongegrond;
verstaat dat de maatregel van waarschuwing komt te vervallen;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt
in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor
Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek
tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter,
T. Dompeling en H.M. Wattendorff, leden juristen en J.A.M. Rutgers en E.J. Stevelmans,
leden beroepsgenoten en bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.