ECLI:NL:TGZCTG:2025:40 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/2083

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:40
Datum uitspraak: 17-03-2025
Datum publicatie: 17-03-2025
Zaaknummer(s): C2023/2083
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: De klacht tegen een gz-psycholoog is verjaard. Klager heeft bij het Regionaal Tuchtcollege een door hem als ‘pro‑forma klaagschrift’ geduid stuk ingediend. Hieruit blijkt niet de inhoud van de klacht en evenmin de feiten en omstandigheden waarop deze klacht is gebaseerd. Drie maanden later heeft hij een aanvulling op dit stuk ingediend. In dit stuk is beschreven welke verwijten klager de gz‑psycholoog maakt en op welke feiten en omstandigheden hij deze verwijten baseert. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat de klacht is ingediend na de verjaringstermijn en verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. De Wet BIG biedt niet de mogelijkheid om door middel van een als ‘pro forma klaagschrift’ aangeduid stuk als hier aan de orde de verjaringstermijn op te rekken.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2023/2083 van
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., destijds gz-psycholoog, werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. dr. L.A.P. Arends,
advocaat te Arnhem.
1. Procesverloop
Klager heeft op 6 oktober 2022 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch tegen de gz-psycholoog een door hem als ‘pro forma klaagschrift’ aangeduid stuk ingediend. Op 17 januari 2023 heeft hij een aanvulling op dit stuk ingediend. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch heeft de klacht bij beslissing van 17 juli 2023, onder nummer H2022/4973, kennelijk niet ontvankelijk verklaard.
Klager heeft tegen die beslissing op tijd beroep ingesteld. De gz psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft nadien van klager nog aanvullende stukken ontvangen.
Op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 april 2024 is de behandeling van de zaak in beroep aangevangen, tegelijkertijd met de behandeling van de zaken C2023/2081 en C2023/2082. Tijdens die zitting heeft klager de wraking verzocht van R.C.A.M. Philippart, voorzitter, en van B.J.M. Frederiks en R.A. van der Pol, leden-juristen. De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege heeft dit verzoek op 5 juni 2024 op een openbare zitting behandeld. Bij beslissing van 3 juli 2024 heeft de wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege het verzoek tot wraking afgewezen en bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking.

De zaak is vervolgens op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 december 2024 behandeld. Om roostertechnische redenen is het lid-jurist R.A. van der Pol vervangen door het lid-jurist R.H. Zuijderhoudt. Klager was daar aanwezig en werd bijgestaan door mr. J. Bredius. De gz-psycholoog is met bericht niet verschenen. Klager heeft zijn standpunt nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De overwegingen
2.1 De voorzitter wil als eerste zeggen dat het zeer te betreuren is voor klager dat hij zijn dochter kort na haar geboorte in 2012 niet of nauwelijks heeft gezien en dat hij zijn vaderschap ook daarna niet heeft kunnen invullen zoals hij dat zou hebben willen doen.
2.2 De voorzitter moet beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Zij is van oordeel dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor die beslissing is het volgende van belang.
2.3 Klager heeft op 4 oktober 2022 een pro forma klaagschrift opgemaakt. Dit klaagschrift is op 6 oktober 2022 bij het college binnengekomen. In dit pro forma klaagschrift heeft klager het volgende vermeld: ‘Ik kan de feiten voor deze klacht pas op een later moment in volle omvang uiteen kan zetten omdat er nieuwe feiten zijn opgedoken die ik nog niet kon verwerken’.
Klager verwijt de GZ-psycholoog dat hij buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gegaan en de vertrouwensbeginselen c.q. het beroepsgeheim heeft geschonden. Bij dit pro forma klaagschrift zat geen bijlage.
2.4 Op 16 januari 2023 heeft klager een klaagschrift met bijlagen opgemaakt, binnengekomen bij het college op 19 januari 2023. Uit het klaagschrift blijkt dat de klacht betrekking heeft op de gebeurtenissen na de geboorte in juli 2012 van de dochter van klager en zijn toenmalige echtgenote, met wie zijn relatie in die periode verslechterde. Relatietherapie kon niet meteen plaatsvinden. Klager had als gezaghebbende vader geen vertrouwen meer in de maatschappelijk werker en de huisarts. Volgens klager heeft hij, gelet op de wanhopige situatie waarin hij destijds verkeerde, op 25 september 2012 de GZ-psycholoog benaderd, aangezien die veel ervaring had als therapeut met (v)echtscheidingen en problematische relaties. De GZ-psycholoog heeft, na de kennismaking, drie gesprekken gevoerd met de toenmalige echtgenote van klager (op 3, 11 en 16 oktober 2012) en drie gesprekken met klager (op 4, 9 en 16 oktober 2012). Op 17 oktober 2012 heeft klager de GZ-psycholoog per e-mail meegedeeld dat hij geen toestemming gaf om de verslagen te versturen naar anderen dan hemzelf en zijn toenmalige echtgenote (hierna ook: de ouders). Op
21 oktober 2012 heeft de GZ-psycholoog de verslagen van de behandeling gestuurd naar de relatietherapeut met een kopie aan de ouders. Klager heeft hierop direct per e-mail gereageerd naar de GZ-psycholoog, met de vraag waarom de eindverslagen niet eerst naar de ouders waren verstuurd.
Klager verwijt de GZ-psycholoog dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door onder meer onvoldoende informatie te verstrekken over zijn rol en werkwijze, zijn geheimhoudingsplicht te schenden en doordat zijn verslagen/rapport niet voldoen aan de criteria die daaraan gesteld worden. De GZ-psycholoog was tijdens zijn betrokkenheid niet neutraal en is vrijwel direct ernstige en verstrekkende waardeoordelen gaan geven over klager als persoon en over zijn omgang met de dochter, met verstrekkende gevolgen voor klager. Volgens klager werd hij mede door het handelen van de GZ-psycholoog als vader uitgesloten als opvoeder. Klager heeft niet alleen tegen de GZ-psycholoog een klacht ingediend, maar ook tegen andere zorgverleners die destijds betrokken waren bij de gebeurtenissen.
2.5 De GZ-psycholoog heeft een verweerschrift ingediend, waarbij hij niet volledig ingaat op de inhoud van het klaagschrift, onder meer vanwege het feit dat alles zich in deze zaak meer dan tien jaar geleden heeft afgespeeld en hij zich een heleboel niet meer herinnert.
2.6 Het college heeft geconstateerd dat de GZ-psycholoog sinds 6 januari 2017 niet meer BIG-geregistreerd is.
Verjaring
2.7 De voorzitter overweegt dat in het tuchtrecht voor de gezondheidszorg een termijn van tien jaar geldt om te klagen over het handelen of nalaten van een zorgverlener. Deze termijn begint te lopen op de dag nadat dit handelen heeft plaatsgevonden of – als sprake is van nalaten – had moeten plaatsvinden. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer in behandeling worden genomen. Dit is een harde regel, waarvan ook niet kan worden afgeweken als de klager goede redenen had om de klacht zo laat in te dienen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.
2.8 Op 6 oktober 2022 heeft het college een pro forma klaagschrift ontvangen. Uit dit klaagschrift blijkt dat klager hiermee heeft beoogd om de termijn voor het indienen van een klacht veilig te stellen, zoals mogelijk in het bestuursrecht. Die mogelijkheid bestaat in het tuchtrecht voor de gezondheidszorg echter niet. Dit is ook vermeld in de brief die de secretaris op 20 december 2022 aan klager heeft verstuurd.
In artikel 4 van het Tuchtrechtbesluit BIG is bepaald dat een klaagschrift niet alleen de klacht moet bevatten, maar ook de feiten en de gronden waarop de klacht berust. Hiervan is geen sprake in het pro forma klaagschrift. Hierin zijn geen feiten vermeld. Zo ontbreekt de datum of periode van het handelen dan wel nalaten van de GZ-psycholoog. Ook staat er niet in waaruit dat handelen of nalaten zou hebben bestaan. Klager vermeldt zelf ook dat hij de feiten voor deze klacht pas op een later moment kan uiteenzetten. De secretaris heeft klager daarom de mogelijkheid geboden om de klacht aan te vullen. Dit aanvullende klaagschrift, waarin voor het eerst de feiten en gronden worden genoemd waarop de klacht berust, is vervolgens binnengekomen op 19 januari 2023.
2.9 Artikel 5 Tuchtrechtbesluit BIG bepaalt dat, indien het klaagschrift niet aan de eisen voldoet, het tuchtcollege de klager meedeelt in hoeverre het klaagschrift onvolledig is en de klager uitnodigt het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. Dat is in dit geval ook gebeurd, omdat de secretaris niet uit het klaagschrift kon afleiden dat de klacht betrekking had op een periode van meer dan tien jaar geleden. Nu de wetgever heeft overwogen dat het niet redelijk is dat een zorgverlener na meer dan tien jaar nog met een klacht kan worden geconfronteerd, is de voorzitter van oordeel dat een dergelijke aanvulling – waar het gaat om de concrete verwijten aan het adres van de zorgverlener – nog binnen de verjaringstermijn van tien jaar moet worden ingediend. Als dat anders zou zijn, zou de termijn om een klacht in te dienen worden opgerekt en langer worden dan tien jaar.
2.10 Nu de klacht met de vermelding van de feiten en gronden op 19 januari 2023 is binnengekomen, is de klacht voor wat betreft de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 20 januari 2013 verjaard. De klacht ziet op gebeurtenissen in oktober 2012 en is dus in zijn geheel verjaard. Daarom is de klacht kennelijk niet ontvankelijk.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van het geding
4.1 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager niet ontvankelijk verklaard, op de grond dat klager deze heeft ingediend na afloop van de termijn van tien jaren, als bedoeld in artikel 65, lid 5, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). De klacht is daarmee verjaard en dus niet-ontvankelijk, aldus de voorzitter.
4.2 Klager is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en de zaak voor een inhoudelijke behandeling terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege.
4.3 De gz-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen.
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.4 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht is ingediend na afloop van de verjaringstermijn en zal het beroep van klager daarom verwerpen. Hieronder wordt uitgelegd hoe het Centraal Tuchtcollege tot zijn oordeel is gekomen.
Overwegingen van het Centraal Tuchtcollege
4.5 In artikel 65, lid 5, Wet BIG, is bepaald dat de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer in behandeling worden genomen. Het gaat hier om een fatale termijn. Deze termijn kan dus niet worden opgeschort; ook niet wanneer de termijn is overschreden als gevolg van omstandigheden die buiten de schuld van de klager liggen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.

4.6 Gelet op de tekst van artikel 65, lid 5, Wet BIG, is duidelijk dat de vraag of in een concreet geval sprake is van verjaring door de Regionale Tuchtcolleges en door het Centraal Tuchtcollege ambtshalve moet worden getoetst. Dit betekent dat zij dit ook moeten doen, als door partijen geen beroep op verjaring wordt gedaan. Dat, zoals klager in beroep betoogt, de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege met haar brief van 20 december 2022 de gz-psycholoog inhoudelijk op het spoor van verjaring heeft gezet, is dus niet relevant.
4.7 Klager heeft op 6 oktober 2022 een door hem als ‘pro forma klaagschrift’ geduid stuk ingediend. Hierin is de naam van de gz psycholoog vermeld. Onder het kopje ‘Aan de klacht liggen de volgende feiten ten grondslag’ staat geschreven: “Ik kan de feiten voor deze klacht pas op een later moment in volle omvang uiteenzetten omdat er nieuwe feiten zijn opgedoken die ik nog niet kon verwerken.”. Verder staat in dit stuk alleen vermeld dat klager de gz-psycholoog verwijt dat zijn bijdrage als gz psycholoog buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gegaan alsook dat hij de vertrouwensbeginselen c.q. het beroepsgeheim schond. Bij dit ‘pro forma beroepschrift’ zat geen bijlage.
4.8 Uit dit stuk blijkt niet de inhoud van de klacht en evenmin de feiten en omstandigheden waarop deze klacht is gebaseerd. Zo is niet duidelijk welk verwijt klager de gz-psycholoog maakt, de tijd of periode van het handelen of nalaten van de gz-psycholoog en waaruit dat handelen of nalaten zou hebben bestaan. Dit stuk voldoet dan ook niet aan de eisen die in artikel 65, tweede lid, Wet BIG, gelezen in samenhang met artikel 4 Tuchtrechtbesluit BIG, aan een klaagschrift worden gesteld.
4.9 Op 17 januari 2023 heeft klager per mail een aanvulling op het stuk van 6 oktober 2022 ingediend. Klager heeft pas in dit tweede stuk beschreven welke verwijten hij de gz-psycholoog maakt en op welke feiten en omstandigheden hij deze verwijten baseert. Uit dit laatste stuk blijkt dat de klager de gz-psycholoog verwijt dat hij in oktober 2012 onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende informatie te verstrekken over zijn rol en werkwijze, zijn geheimhoudingsplicht te schenden en doordat zijn verslagen/rapport niet voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden. Dit laatste stuk voldoet, anders dan het stuk van 6 oktober 2022, wel aan de eisen die in de Wet BIG en het Tuchtrechtbesluit BIG aan een klaagschrift worden gesteld.
4.10 De klacht ziet dus op de periode oktober 2012. Dat de klacht ook ziet op de periode daarna tot oktober 2020, zoals klager in beroep stelt, blijkt niet duidelijk uit het stuk van 17 januari 2023 en de daarin opgenomen klachtonderdelen. Klager heeft er in dit verband nog op gewezen dat hij in eerste aanleg een aspect aan zijn klacht wilde toevoegen, maar dat dit hem door de handelwijze van het Regionaal Tuchtcollege onmogelijk is gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat klager maandenlang de tijd heeft gehad om zijn klacht verder aan te vullen. Door dit na te laten heeft hij een risico genomen dat voor zijn rekening komt. Dit betekent dat de verjaringstermijn omstreeks november 2012 is gestart en dat het klaagschrift uiterlijk november 2022 had moeten worden ingediend. Het stuk van 17 januari 2023 is na de verjaringstermijn ingediend. Klager heeft het als ‘pro forma klaagschrift’ aangeduide stuk van 6 oktober 2022 kennelijk ingediend met als enig doel om de termijn voor het indienen van een klacht veilig te stellen.
4.11 Het Centraal Tuchtcollege stelt net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege vast dat de Wet BIG niet de mogelijkheid biedt om door middel van een als ‘pro forma klaagschrift’ aangeduid stuk als hier aan de orde de verjaringstermijn op te rekken. De door klager aangehaalde jurisprudentie en artikel 5 Tuchtrechtbesluit BIG leiden het Centraal Tuchtcollege niet tot een ander oordeel. In deze laatste bepaling is opgenomen dat, indien het klaagschrift niet voldoet aan artikel 4 van dat besluit, het tuchtcollege de klager meedeelt, in hoeverre het klaagschrift onvolledig is en hem uitnodigt het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. De secretaris van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in dit geval ook die mogelijkheid geboden. De mogelijkheid die het Tuchtrechtbesluit BIG biedt om een klacht aan te vullen neemt niet weg dat binnen de verjaringstermijn een dergelijke aanvulling – met daarin de concrete klachtonderdelen – binnen de verjaringstermijn van tien jaar duidelijk moet zijn over welk concreet handelen of nalaten wordt geklaagd en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 65, lid 5, van de Wet BIG vervalt de bevoegdheid immers om dit na verloop van tien jaar alsnog te doen. Een andere uitleg van de Wet BIG en het Tuchtrechtbesluit BIG zou betekenen dat de termijn om een klacht in te dienen zou worden opgerekt en langer dan tien jaar zou worden. Dat is, gelet op de wettekst en de hiervoor onder rechtsoverweging 4.5 beschreven achtergrond van de in de Wet BIG opgenomen verjaringstermijn, niet de bedoeling. Voor het door klager genoemde artikel 2, lid, van het Reglement van Orde van de Regionale Tuchtcollege geldt hetzelfde.
4.12 Klager betoogt in beroep nog dat de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege hem pas bij brief van 20 december 2022, dus tweeënhalve maand na ontvangst van het pro forma klaagschrift, heeft uitgenodigd om de klacht aan te vullen en de feiten en gronden waarop berust deze te vermelden. Als de secretaris dit meteen bij de ontvangstbevestiging van het stuk van 6 oktober 2022 had gedaan, had hij nog binnen de verjaringstermijn zijn verzuim kunnen herstellen. Volgens klager wordt hij door de vertraging bij het Regionaal Tuchtcollege als rechtzoekende in zijn rechten beknot.
4.13 Het Centraal Tuchtcollege volgt klager niet in dit betoog. Klager heeft tien jaar lang de mogelijkheid heeft gehad om een klacht in te dienen. Het is aan hem om deze verjaringstermijn te bewaken, dat is niet de verantwoordelijkheid van het Regionaal Tuchtcollege. Uit het ‘pro forma klaagschrift’ van 6 oktober 2022 kan worden afgeleid dat klager zich ook bewust was van de verjaringstermijn en van het feit dat het ‘pro forma klaagschrift’ niet aan de eisen voldeed. Hij heeft hierin immers aangegeven de feiten pas op een later moment in volle omvang uiteen te kunnen zetten. De conclusie is dan ook dat klager door het handelen van de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege niet in zijn rechten is beknot, nog daargelaten dat de beperking van de bevoegdheid een klaagschrift in te dienen rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Daar komt nog bij dat in dit geval de secretaris niet kon weten dat de verjaringstermijn bijna was verstreken, omdat klager in het ‘pro forma klaagschrift’ niet had aangegeven wanneer het handelen waarover hij wilde klagen had plaatsgevonden.
4.14 Uit het vorenstaande volgt dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de beoordeling van de vraag of de klacht binnen de verjaringstermijn van tien jaar is ingediend terecht is uitgegaan van het klaagschrift van 17 januari 2023. De voorzitter heeft daarmee ook terecht geoordeeld dat de klacht verjaard is en dus niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Dit betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen. Gelet hierop, ziet het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om de zaak ter verdere behandeling en beoordeling terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege.
5. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
wijst het verzoek om terugwijzing van de zaak naar het Regionaal Tuchtcollege af;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG geanonimiseerd zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: R.C.A.M. Philippart, voorzitter,
R.H. Zuijderhoudt en B.J.M. Frederiks, leden juristen, en M.A.J. Hagenaars en
F.D.F. Steenbakkers, leden beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken op de zitting van 17 maart 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.