ECLI:NL:TGZCTG:2025:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2785

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:224
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 17-12-2025
Zaaknummer(s): C2025/2785
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Herziening, terugverwijzing naar Regionaal Tuchtcollege
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een huisarts. De zoon van patiënte heeft namens patiënte een klacht ingediend tegen de huisarts van patiënte. De klacht gaat over de weigering van de huisarts om bij patiënte op huisbezoek te gaan en over onjuiste diagnoses en adviezen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de zoon niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt deze beslissing. Dit college leidt uit de stukken en de zitting af dat de mentor van patiënte bekend was met de inhoud van de inhoud van de klacht en achteraf heeft willen bevestigen dat zij heeft ingestemd met de indiening ervan. Dit betekent dat - anders dan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft aangenomen - de zoon van patiënte gerechtigd was om namens patiënte een klacht in te dienen over het handelen van de huisarts.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2785 van:
A. wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. R. Kaya, werkzaam te Enschede,

tegen

C., huisarts, werkzaam in B., verweerster in beide instanties, 
gemachtigde: mr. S.C. Wesselingh, werkzaam te Amsterdam.

1.    Kern van de zaak en verloop van de procedure
1.1    De heer D. heeft op 3 september 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch (hierna: het Regionaal Tuchtcollege) namens zijn moeder, A. (hierna: klaagster), een klacht ingediend tegen C. (hierna: de huisarts). De klacht gaat over – onder meer – de weigering van de huisarts om bij klaagster op huisbezoek te gaan en over onjuiste diagnoses en adviezen.

1.2    De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 19 februari 2025 met nummer H2024/7576 de heer D. niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat – kort gezegd – klaagster op het moment van indiening van de klacht een mentor had en de heer D. niet heeft aangetoond dat deze mentor instemde met de indiening van de klacht. De beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

1.3    De heer D. heeft namens klaagster beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. 

1.4    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden van het beroep, een nagekomen stuk van mr. Kaya en het verweerschrift.

1.5    De zaak is op de zitting van 10 november 2025 behandeld. De heer D. en de huisarts waren beiden aanwezig. De heer D. werd bijgestaan door mr. R. Kaya en de huisarts door 
mr. S.C. Wesselingh. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van mr. S.C. Wesselingh zijn aan het dossier toegevoegd.

2.    Beoordeling van het beroep
Standpunten van partijen
2.1    De heer D. betoogt namens klaagster dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep gegrond te verklaren en ervoor zorg te dragen dat de klacht (zoals ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege) alsnog inhoudelijk wordt beoordeeld. Verder verzoekt de heer D. om een vergoeding van de in eerste aanleg en in beroep gemaakte proceskosten. 

2.2    De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Primair verzoekt zij het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen. Subsidiair verzoekt zij het Centraal Tuchtcollege om – wanneer dit college oordeelt dat de klacht ontvankelijk is – de zaak voor een inhoudelijke behandeling terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege. 

De ontvankelijkheid van de klacht 
2.3    De vraag die moet worden beantwoord is of de heer D. gerechtigd was om namens klaagster (zijn moeder) bij het Regionaal Tuchtcollege een klacht in te dienen. Het Centraal Tuchtcollege komt in beroep tot de conclusie dat dit inderdaad het geval is. Dit college zal daarom de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege vernietigen en de zaak voor een inhoudelijke beoordeling terugwijzen naar het Regionaal Tuchtcollege. Dit wordt hierna toegelicht.
 
2.4    Op grond van artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een klacht worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Daarbij dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de patiënt van een zorgverlener. Uitgangspunt is dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al dan niet indienen van een klacht over zijn of haar behandeling. 

2.5    Als een patiënt een mentor heeft, is deze mentor de wettelijk vertegenwoordiger van die patiënt op het gebied van — onder meer — verzorging en behandeling. Een patiënt die een mentor heeft kan ook zonder toestemming van die mentor een klacht indienen, tenzij aannemelijk is dat de patiënt ter zake van het indienen van die klacht wilsonbekwaam is. Als een patiënt met een mentor ter zake van het indienen van een klacht wilsonbekwaam is, kan een klacht over de behandeling van de patiënt alleen worden ingediend door de mentor zelf, als wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt, of door een ander met instemming van de mentor. Voor het antwoord op de vraag wie er gerechtigd is om een klacht in te dienen, is het moment van indiening van de klacht bepalend.

2.6    Het Centraal Tuchtcollege acht op grond van de stukken aannemelijk dat klaagster op het moment van indiening van de klacht – 3 september 2024 – niet meer in staat was om de betekenis en de gevolgen daarvan te overzien. Zij was niet meer in staat om haar wil hierover te bepalen en dus ter zake van de indiening van de klacht wilsonbekwaam. 

2.7    Klaagster had op het moment van indiening van de klacht een mentor. Deze mentor was als wettelijke vertegenwoordiger van klaagster gerechtigd de klacht in te dienen. De heer D. kan alleen over de behandeling van klaagster klagen als de mentor met de klacht instemt. 

2.8    De heer D. heeft in dit kader gewezen op een e mailwisseling tussen hem en de mentor van 6 juli 2024. De heer D. benoemt hierin dat hij eerder een voormalige mentor van klaagster had verzocht om in te stemmen met de indiening van een klacht bij het Regionaal Tuchtcollege over de handelwijze van de huisarts, maar dat hij hierop van die mentor nooit een reactie had ontvangen. De mentor reageert met de mededeling dat zij vanuit haar rol als huidige mentor hier niets voor de heer D. kan betekenen, aangezien het gaat over handelen van de huisarts van vóór haar benoeming als mentor. Maar als de heer D. vanuit zijn persoon dit wil doen, kan dat natuurlijk altijd, aldus de mentor. Uit de e-mailwisseling kan worden afgeleid dat de mentor met ‘dit wil doen’ doelt op het indienen van een klacht over het handelen van de huisarts waarover de heer D. vervolgens op 3 september 2024 ook daadwerkelijk namens zijn moeder heeft geklaagd. 

2.9    De heer D. heeft in beroep verklaard dat hij het klaagschrift aan de mentor heeft doen toekomen en dat deze daarvan kennis heeft genomen. Tot slot heeft de heer D. in beroep een door de mentor ondertekende verklaring van 28 mei 2025 overgelegd. De mentor geeft daarin in die hoedanigheid toestemming aan de heer D. om een bezwaar in te dienen tegen het besluit strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de klacht die in 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege tegen de huisarts was ingediend.  

2.10    Het Centraal Tuchtcollege leidt uit het vorenstaande af dat de mentor bekend was met de inhoud van de klacht en achteraf heeft willen bevestigen dat zij heeft ingestemd met de indiening ervan. Dit betekent dat - anders dan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft aangenomen - de heer D. gerechtigd was om namens klaagster een klacht in te dienen over het handelen van de huisarts. 

Conclusie
2.11    De conclusie is dat de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege niet in stand kan blijven en dat de klacht alsnog inhoudelijk moet worden beoordeeld. 

2.12    In artikel 73, lid 9, Wet BIG is bepaald dat indien het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel komt dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan worden gehandhaafd, het deze beslissing vernietigt en de zaak zelf afdoet. In dit geval zou dat betekenen dat niet twee instanties maar één instantie de klacht inhoudelijk beoordeelt. De huisarts geeft er om die reden de voorkeur aan dat de zaak voor inhoudelijke behandeling naar het Regionaal Tuchtcollege wordt teruggewezen. Op de zitting is van de zijde van klaagster aangegeven dat hiertegen geen bezwaren bestaan. Het Centraal Tuchtcollege zal gelet hierop de zaak terugwijzen naar het Regionaal Tuchtcollege te ‘s Hertogenbosch, zodat dat college de klacht alsnog inhoudelijk kan beoordelen. De huisarts zal daartoe door dat college alsnog in de gelegenheid moeten worden gesteld om inhoudelijk verweer te voeren tegen de door de heer D. namens klaagster ingediende klacht. 

Proceskosten 
2.13    Op grond van de artikelen 69, vijfde lid, en 74, tweede lid, Wet BIG kan het Centraal Tuchtcollege, indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en een maatregel wordt opgelegd, in zijn beslissing opnemen dat de beklaagde de door klager gemaakte proceskosten geheel of gedeeltelijk vergoed. In dit geval is nog geen inhoudelijk oordeel gegeven over de klacht van klaagster. Dit betekent dat er op dit moment geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. 

3.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: vernietigt de beslissing waarvan beroep en opnieuw rechtdoend; wijst de zaak terug naar het Regionaal Tuchtcollege te ‘s Hertogenbosch om het Regionaal Tuchtcollege in de gelegenheid te stellen de klacht inhoudelijk te behandelen; wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, 
M.W. Zandbergen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en O.T.M. Schouten en D. van Sleeuwen, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2025.

        Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG 
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Voorzittersbeslissing van 19 februari 2025 op de klacht van:

D.,
wonende in B.,
klager, 
gemachtigde mr. R. Kaya, werkzaam in Enschede,
tegen:
C.,
huisarts,
werkzaam in Roermond,
verweerster.
1.    De klacht 
De klacht van klager gaat over de behandeling van zijn moeder door de huisarts.  
2.    De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
-    het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 3 september 2024; 
-    de brief van 10 oktober 2024 van de secretaris aan klager;
-    het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 23 oktober 2024;
-    de brief van 15 november 2024 van de secretaris aan klager;
-    het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 2 december 2024;
-    de brief van 11 december 2024 van de secretaris aan klager;
-    aanvullende informatie van klager, ontvangen op 7 januari 2025;
-    de brief van 30 januari 2025 van de secretaris aan klager;
-    de e-mail van 6 februari 2025, ontvangen van de gemachtigde van klager.
3.    Overwegingen
3.1    Klager dient de klacht in namens zijn moeder. Klager geeft in het klaagschrift aan dat zijn moeder aan vasculaire dementie lijdt en daarom niet in staat is zelf de klacht in te dienen. Bij beschikking van de rechtbank van 13 juni 2024 is een (opvolgend) mentor over de moeder benoemd. 
3.2    Bij brief van 10 oktober 2024 heeft de secretaris aan klager gevraagd een bewijsstuk toe te sturen, waaruit blijkt dat de mentor op de hoogte is van de inhoud van de klacht en instemt met de indiening daarvan.
3.3    Klager heeft daarop een kopie van de e-mailwisseling van 6 juli 2024 overgelegd tussen hem en de mentor. In die e-mail reageert de mentor onder meer op het verzoek van klager tot het geven van instemming voor het indienen van een klacht bij het tuchtcollege. De mentor schrijft: “Ik kan vanuit mijn rol als huidige mentor hier niks voor je in betekenen aangezien dit voor mijn periode is geweest. Als jij vanuit jouw persoon dit wil doen, kan dat natuurlijk.”
3.4    De secretaris heeft klager bij brief van 15 november 2024 opnieuw om een bewijsstuk gevraagd, waaruit de expliciete toestemming van de mentor blijkt. Dit verzoek heeft de secretaris nog twee keer herhaald.
3.5    Klager stelt zich op het standpunt dat de toestemming van de mentor uit de e-mail van 
6 juli 2024 blijkt en dat deze dan ook als toestemmingsverklaring moet worden beschouwd.     
3.6    De voorzitter stelt vast dat klager in zijn klaagschrift duidelijk heeft opgeschreven dat hij de klacht indient namens zijn moeder. Ook staat vast dat ten behoeve van de moeder mentorschap is ingesteld. 
3.7    Op grond van artikel 65 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) kan een klacht worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Daarbij dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de patiënt van een zorgverlener. Uitgangspunt is dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al dan niet indienen van een klacht over zijn of haar behandeling.
3.8    Als een patiënt een mentor heeft, is deze mentor de wettelijk vertegenwoordiger van die patiënt op het gebied van - onder meer - verzorging en behandeling. Een patiënt die een mentor heeft, kan ook zonder toestemming van die mentor een klacht indienen, tenzij aannemelijk is dat de patiënt ter zake van het indienen van de klacht wilsonbekwaam is. Als een patiënt met een mentor ter zake van het indienen van een klacht wilsonbekwaam is, kan een klacht over de behandeling van de patiënt alleen worden ingediend door de mentor zelf, als wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt, of door een ander met instemming van de mentor. Voor het antwoord op de vraag wie er gerechtigd is/zijn om een klacht in te dienen, is het moment van indiening van de klacht bepalend.
3.9    Op grond van de door klager overgelegde stukken acht de voorzitter aannemelijk dat de moeder op het moment van indiening van de klacht (3 september 2024) ten aanzien van het indienen van de klacht wilsonbekwaam is. 
3.10    De moeder had op het moment van indiening van de klacht (3 september 2024) een mentor. Als wettelijke vertegenwoordiger van de moeder is de mentor gerechtigd de klacht in te dienen. Dat betekent dat klager slechts over de behandeling van zijn moeder kan klagen als de mentor met de klacht instemt. Klager heeft geen toestemmingsverklaring van de mentor overgelegd of een ander bewijsstuk waaruit blijkt dat de mentor expliciet toestemming geeft voor het indienen van de onderhavige klacht. Anders dan klager meent, kan de reactie van de mentor in e-mail wisseling van 6 juli 2024 niet als toestemmingsverklaring worden opgevat. Het klaagschrift was op die datum immers nog niet ingediend. 
3.11     Aangezien klager geen verklaring of ander bewijsstuk van de mentor heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij met de inhoud en indiening van deze klacht op de hoogte is en daarmee instemt, zal de voorzitter klager niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de klacht niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.
4.     De beslissing
De voorzitter verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan op 19 februari 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, in tegenwoordigheid van C.W.M. Hillenaar, secretaris.

Secretaris w.g.                                    voorzitter  w.g.

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG):
a.    Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als 
-    het college u geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of 
-    als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. 
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b.    Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.    Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het CTG, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te ‘s-Hertogenbosch. Het beroepschrift moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat het RTG de beslissing aan u heeft verstuurd. 

Vanwege mogelijke vertraging bij de bezorging van post, kunt u uw beroep ook per e-mail indienen. Dan weet u zeker dat het RTG uw beroep op tijd ontvangt. U stuurt dan binnen die zes weken uw e-mail naar TG-DenBosch@minvws.nl. U moet het originele beroepschrift nog wel per post nasturen. 

U hoeft bij uw brief of e-mail niet meteen de reden(en) van uw beroep op te geven. U ontvangt van het CTG bericht over de extra tijd die u krijgt om die redenen later toe te sturen.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het CTG. U ontvangt hierover bericht. Als u helemaal of voor een deel gelijk krijgt, ontvangt u het griffierecht terug.