ECLI:NL:TGZCTG:2025:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2556
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:219 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2556 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts verstandelijk gehandicapten (arts VG). De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De arts VG was tijdens deze opnames betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de arts VG dat zij geen goede en adequate zorg heeft geleverd, onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de medicatie en de ernst van de klachten en bijwerkingen niet voldoende serieus heeft genomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2556 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., arts verstandelijk gehandicapten,
destijds werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de arts VG,
gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is de moeder van de in september 2021 overleden E. Bij E. werden
na een psychose en verschillende opnames in verschillende GGZ-instellingen een ongespecificeerde
bipolaire stemmingsstoornis en autisme spectrum stoornis vastgesteld. Zij werd in
mei 2020 opgenomen in een instelling voor mensen met een licht verstandelijke beperking.
Na de behandeling en vervolgens het ontslag volgde vanwege een suïcidepoging een tijdelijke
terugplaatsing in die instelling, gevolgd door woonbegeleiding in een verwante instelling.
Daar ging het steeds slechter met E. en heeft zij opnieuw een suïcidepoging ondernomen.
Ook is zij uit de instelling weggelopen en wederom thuis gaan wonen. Daar ging het
niet goed en zij werd opnieuw opgenomen in de instelling. Tijdens deze laatste opname
ging het nog steeds niet goed met E. en zij heeft uiteindelijk suïcide gepleegd. Tijdens
de opnames vanaf mei 2020 is zij gezien door verschillende behandelaars en begeleiders
van de instelling. Klaagster heeft klachten ingediend tegen vier zorgverleners die
betrokken zijn geweest bij de zorg en begeleiding van E. Deze klacht richt zich tegen
de arts VG die tijdens de drie opnames in de instelling betrokken was bij de zorg
voor E.
1.2 Klaagster verwijt de arts VG dat zij geen goede en adequate zorg heeft geleverd,
onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de medicatie en de ernst van de klachten en
bijwerkingen van de medicatie niet serieus heeft genomen.
1.3 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal
Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en zal het beroep van klaagster verwerpen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 16 juli 2024 met nummer A2023/6192 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:154). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing
gehecht.
2.2 De arts VG heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Op verzoek van het
Centraal Tuchtcollege heeft de arts VG het calamiteitenrapport aan het Centraal Tuchtcollege
toegezonden. De arts VG heeft het Centraal Tuchtcollege met een beroep op artikel
67 lid 3 Wet BIG verzocht om het calamiteitenrapport niet aan klaagster door te zenden.
Dit verzoek is door de voorzitter gehonoreerd. Klaagster heeft geen afschrift van
het calamiteitenrapport ontvangen.
2.3 De zaak is op de zitting van 27 oktober 2025 gelijktijdig behandeld met zaak
C2024/2558. De zaken zijn niet gevoegd. Klaagster, de arts VG en de gemachtigde van
de arts VG waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die klaagster en mr. Van der
Mersch hebben gebruikt, zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit
van de feiten zoals weergegeven in overweging ‘3. Wat is er gebeurd?’ van de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende,
bestreden.
3.2 Ter verduidelijking geeft het Centraal Tuchtcollege hierna kort de betrokkenheid
van de instelling en de betrokkenheid van de arts VG weer.
3.3 is een instelling die ondersteuning biedt aan kinderen, jongeren en volwassenen
met een (lichte) verstandelijke beperking, en/of een lichamelijke beperking en/of
niet-aangeboren hersenletsel. De instelling biedt ambulante begeleiding, dagbesteding,
ambulante woonondersteuning en heeft een aantal behandelcentra en woonvoorzieningen,
waaronder G. en F.
3.4 G. is een behandelcentrum dat gespecialiseerd is in klinische behandeling,
crisisopvang en tijdelijk verblijf voor mensen vanaf 18 jaar met een licht verstandelijke
beperking in combinatie met psychopathologie. F. (hierna F.) is een woonvoorziening
en biedt begeleiding en woonondersteuning.
3.5 E. was van 6 mei 2020 tot 6 november 2020 opgenomen bij G. Eerst op de gesloten
afdeling en vanaf 2 juli 2020 op de open afdeling.
3.6 Van 24 november 2020 tot 22 januari 2021 was E. opgenomen op de crisisafdeling
van G.
3.7 Op 13 maart 2021 verhuisde E. naar F. Op 17 augustus 2021 liep E. daar weg
en ging zij (weer) bij klaagster wonen.
3.8 Op 3 september 2021 werd E. opgenomen op de crisisafdeling van G. Op maandagavond
16 september 2021 was E. niet op haar kamer. Op dinsdag 17 september 2021 is E. als
vermist opgegeven. Op 18 september 2021 is E. door de politie naast het spoor gevonden.
3.9 De arts VG was vanaf 1999 tot haar pensionering werkzaam bij H. De arts VG
was betrokken bij de drie opnames van E. bij G. De arts VG was niet de hoofdbehandelaar.
In de periode van de derde opname in G. was de arts VG met vakantie van 26 augustus
2021 tot
13 september 2021. Zij heeft E. in de dagen na
13 september 2021 gezien en gesproken in G.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Klaagster verwijt de arts VG dat zij:
- geen goede en adequate zorg heeft geleverd door:
a) geen aandacht te hebben voor de bipolaire stoornis en chronische depressiviteit
die daarmee samenhing;
b) geen verwijzing te geven voor een second opinion inzake de Olanzapine;
c) niet systematisch te bevragen op suïcidaal gedrag en geen signaleringsplan
heeft opgesteld na de suïcidepoging in mei 2021 en het “weer aan de dood denken” in
augustus 2021;
d) tijdens het MDO van 15 september 2021 niet aan E. vragen wat zij zelf wilde
en geen rekening heeft gehouden met de stress die terugkeer naar F. veroorzaakte;
- onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de medicatie door:
e) de Clomipramine ineens te stoppen zonder af te bouwen en persoonlijke monitoring;
- de ernst van de klachten en bijwerkingen niet voldoende serieus heeft genomen
door:
f) het urineverlies te bagatelliseren en te willen behandelen met oefeningen voor
bekkenbodemspieren en pas na de vraag om een second opinion overging op een ander
medicijn;
g) de onrust, slaapstoornissen, moeite met eten, het afvallen, gebrek aan levenslust
en signalen van suïcidegedachten niet adequaat heeft ingeschat en niet is nagegaan
of er een mogelijk verband was tussen de toename van klachten en het medicijngebruik.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft alle onderdelen van de klacht ongegrond
verklaard. Klaagster is het niet eens met deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege
stelt vast dat klaagster de oordelen over alle klachtonderdelen in beroep weer aan
de orde stelt. Klaagster is in de kern van mening dat de arts VG niet heeft gehandeld
zoals een goed beroepsbeoefenaar betaamt. Klaagster wijst in haar beroepschrift verder
op tegenstrijdigheid tussen de conclusies in het calamiteitenrapport, uitlatingen
van de voorzitter van de calamiteitencommissie en uitlatingen van de IGJ enerzijds
en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege anderzijds. Klaagster geeft aan dat
die conclusies en uitlatingen niet met de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege
zijn te rijmen.
Toetsingskader
4.3 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat het zich realiseert dat
het overlijden van E. een zeer verdrietige en ingrijpende gebeurtenis is voor klaagster,
die een grote invloed heeft gehad en nog altijd heeft op haar leven. Het college heeft
daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of ieder van de
beklaagden en dus in dit geval de arts VG de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
arts VG. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder
geldt als uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn
voor hun eigen handelen.
4.4 Ten aanzien van het calamiteitenrapport geldt volgens vaste rechtspraak van
het Centraal Tuchtcollege dat indien bij de tuchtrechtelijke oordeelsvorming naar
aanleiding van een gebeurtenis die als calamiteit kan worden aangemerkt, gebruik wordt
gemaakt van een rapportage, het oordeel over de individuele verwijtbaarheid en de
motivering van een eventuele maatregel niet in overwegende mate dienen te berusten
op de inhoud van de rapportage (Centraal Tuchtcollege 20 maart 2018: ECLI:NL:TGZCTG:2018:83).
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal
Tuchtcollege tot het oordeel dat de behandeling van de zaak in beroep geen ander licht
op de zaak heeft geworpen. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege
van oordeel dat de arts VG niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Centraal
Tuchtcollege is het eens met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
en neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het
college’ heeft overwogen hier over.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het calamiteitenrapport
van H. van december 2021. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de inhoud van het
calamiteitenrapport – dat niet ziet op de individuele zorgverlener - niet leidt tot
een ander oordeel.
Het Centraal Tuchtcollege merkt daarbij op dat de uitlatingen die de voorzitter
van de calamiteitencommissie in de e-mail aan klaagster van 7 november 2021 heeft
gedaan niet voldoende grondslag vinden in de bevindingen in het rapport. Daar komt
bij dat de voorzitter van de calamiteitencommissie deze e-mail heeft geschreven toen
het onderzoek nog liep en haar opvattingen dus niet de bevindingen van de commissie
en het eindrapport kunnen weergeven. Het Centraal Tuchtcollege betreurt het dat de
voorzitter door het sturen van deze e-mail bij klaagster verwachtingen heeft gewekt.
Wat betreft het telefoongesprek van klaagster met de IGJ, heeft de IGJ aangegeven
zich niet in de weergave van klaagster van dat gesprek te kunnen vinden.
4.7 Met betrekking tot het verwijt van klaagster dat de arts VG een second opinion heeft geweigerd voegt het Centraal Tuchtcollege hier nog aan toe dat een zorgverlener een verwijzingsverzoek voor een second opinion in beginsel moet honoreren. De arts VG heeft op de zitting bij het Centraal Tuchtcollege nogmaals toegelicht dat zij de second opinion niet heeft geweigerd, maar zij eerst het effect van de omzetting van de Olanzapine naar Risperidon wilde afwachten. Zij gaf aan de second opinion als het ware vooruit te hebben geschoven. Het Centraal Tuchtcollege kan de arts VG hierin volgen.
Conclusie
4.8 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege
de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klaagster
wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,
A.S. Gratama en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen, en J.J. de Jong en M. Vermaak,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.