ECLI:NL:TGZCTG:2025:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2783

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:217
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 17-12-2025
Zaaknummer(s): C2025/2783
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog was betrokken bij de behandeling van klager. Direct na beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie – is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie van bijna zes jaar aangegaan. De inspectie heeft een klacht ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door verweerster. Klager heeft eveneens een klacht ingediend. Hij klaagt niet alleen over het aangaan van de relatie zonder afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie en klager zijn gevoegd behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De gz-psycholoog is een schorsing van zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden. Alleen klager komt in beroep tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel 74 lid 4 Wet BIG de zaak in volle omvang te beoordelen en verklaart de klachtonderdelen e) en f) alsnog gegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, verklaart deze klachtonderdelen alsnog gegrond en legt de gz-psycholoog – alles afwegende - de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2783 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,

tegen

C., gz-psycholoog, (destijds) werkzaam in D., verweerster in beide instanties, hierna: de gz-psycholoog.

1.    Kern van de zaak
1.1    De gz-psycholoog was als psycholoog betrokken bij de behandeling van klager. Direct na de beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie – is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie aangegaan zonder dat zij een afkoelingsperiode in acht heeft genomen. De relatie heeft bijna zes jaar geduurd. Klager heeft na het einde van deze relatie melding van grensoverschrijdend gedrag gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie). 
1.2    De inspectie heeft daarop onderzoek gedaan en vervolgens een klaagschrift ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door de gz-psycholoog alvorens zij een langdurige persoonlijke en seksuele relatie met klager is aangegaan. Klager heeft eveneens een klacht ingediend over het aangaan van de relatie zonder afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie en klager zijn gevoegd (gezamenlijk) behandeld en daarom is de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in beide zaken in één uitspraak vastgelegd. 
1.3    Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De gz-psycholoog is in die uitspraak over de klachten van de inspectie en klager een schorsing van zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden. Alleen klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdelen e) en f) van klager alsnog gegrond en legt op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de gz-psycholoog in het BIG-register. 

2.    Verloop van de procedure
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle met nummers H2024/7516 en H2024/7445 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:29
2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden, het verweerschrift en de aanvullende stukken van klager d.d. 21 september 2025.
2.3    De zaak is op de zitting van 6 oktober 2025 behandeld. Klager en de gz-psycholoog waren beiden aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager en de gz-psycholoog zijn aan het dossier toegevoegd.

3.    Feiten
3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2    Klager was in 2008/2009 gedurende een periode van elf maanden in een Centrum voor Psychotherapie opgenomen. Verweerster was toen zijn hoofdbehandelaar. Klager meldde zich in 2016 weer aan bij verweerster met een complexe posttraumatische stressstoornis. Verweerster was inmiddels gevestigd als zelfstandig gz-psycholoog en psychotherapeut. 
3.3    Blijkens de factuur die verweerster aan klager stuurde, duurde de behandelrelatie van 
16 september 2016 tot 2 juni 2017. 
3.4    In het medisch dossier staat onder meer (alle citaten inclusief eventuele taal- en spelfouten): 
“Do 8-2:18.30 tot 20.00
(…)
Wil contact met psychiater, twijfel over intake H. te E.”
en:
“24-2-17
(…)
Gesprek (second opinion) met F. H. te E. liep OK. Hij overweegt zijn advies: aanmelding angst en stemming.
(…)
en:
“Ma 6 maart 90 minuten 15 indirect
(…)
Als we verwijzing naar H. te E. bespreken geeft hij aan dat hij het moeilijk vindt om daar te beginnen. Wantrouwt hulpverlening. Uiteindelijk stelt hij 2 belangrijke vragen
1) als ik ooit in mijn leven ondanks hv toch weer zo vastdraai , mag ik jou dan weer 
bellen. (ja)hij moet er van huilen en als hij dit vraagt
2) kunnen we niet gewoon vrienden worden en samen koffie drinken. Hij durft het bijna niet te vragen, maar doet dat toch heel voorzichtig. (vanuit mijn rol als zijn behandelaar is het antwoord nee, maar ik zeg hem ook dat als wij elkaar op een andere manier hadden ontmoet bv met zeilen, wij mogelijk wel vrienden zouden kunnen zijn)
(…)”
en:
“14-4 90 min
voelt zich beter o.a door sporten, gebeld door H. te E.,
3 mei intakeH.. Intaker kan info opvragen bij mij.
Heeft een nieuwe date ( G.)is daar hoopvol over.
behandelcontact geëvalueerd en afgesloten.
terug gekeken naar (trauma )behandeling, angst voor dissociatie en misbruik marine
ongegrond, is daar opgelucht over. Meer inzcht in gevolgen van pestervaringen en
daardoor opgelopen zelfbeeldschade, wat onderliggend/ instandhoudend lijkt/leek voor
nu meer op de voorgrond staande depressieve stoornis. Nu meer toe aan angst en
stemming behandeling H., probeert zich er voor open te stellen.
omarming bij afscheid op verzoek, bijzondere ervaring”

3.5    Op 14 april 2017 omhelzen verweerster en klager elkaar aan het einde van de sessie (zoals hiervoor in het dossier staat vermeld), welke omhelzing verweerster als bijzonder intens ervaart. Daarop stuurt verweerster diezelfde dag een e-mail aan klager om naar zijn beleving van deze omhelzing te vragen. Onmiddellijk daarna volgt een persoonlijke en seksuele relatie tussen hen die bijna zes jaar duurt. Verweerster verbreekt de relatie half februari 2023.
3.6    Klager heeft op 3 maart 2023 bij de inspectie melding gedaan van onder meer seksueel grensoverschrijdend gedrag van verweerster. De inspectie heeft in juni 2024 een rapport opgemaakt en daarna een klacht ingediend. Kort daarop volgt de klacht van klager.

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Het Centraal Tuchtcollege stelt het volgende voorop. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager en de klacht van de inspectie gevoegd behandeld en opgenomen in één beslissing met vermelding van twee zaaknummers. De klacht van de inspectie (H2024/7445) is door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaard en de inspectie heeft tegen deze beslissing geen beroep ingesteld. In beroep is daarom uitsluitend het beroep van klager in zijn zaak (H2024/7516) aan de orde.
4.2    Klager verwijt de gz-psycholoog:
a)    seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens en direct aansluitend op de behandelrelatie;
b)    het eenzijdig verbreken van de behandeling van klager met het oog op het voortzetten van
seksueel contact met klager;
c)    het misbruiken van haar uit haar positie voortvloeiend overwicht tijdens en buiten de
behandelrelatie;
d)    het vernietigen van het originele medisch EPD-dossier van klager en het aanleveren van een
onvolledig en gemanipuleerd (schaduw) dossier;
e)    het schenden van haar beroepsgeheim richting derden hetgeen het behandelbelang van klager heeft geschaad;
f)    het verlenen van onzorgvuldige en onprofessionele zorg waarbij verweerster haar eigen belang zwaarder heeft gewogen dan het behandelbelang van klager, waardoor het behandeltraject en haar onprofessionele gedrag een averechts effect hebben gehad op het herstel en het vertrouwen van klager in GGZ-behandelaren blijvend is geschaad. 
4.3    Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdelen a) en c) gegrond verklaard en de klachtonderdelen d) en f) gedeeltelijk gegrond verklaard. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de ongegrond verklaarde klachtonderdelen b), d) (deels), e) en f) (deels) alsnog gegrond worden verklaard.
4.4    De gz-psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen. Zij heeft geen (incidenteel) beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en berust in de opgelegde maatregel.
4.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel 74 lid 4 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg de zaak in volle omvang te beoordelen. Dit betekent dat klachtonderdelen a), c), d) en f) (voor zover gegrond verklaard) mede betrokken worden in de beoordeling door het Centraal Tuchtcollege. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van het college niet los gezien worden van de klachtonderdelen die thans nog voorliggen en zijn tevens relevant bij de bepaling van de op te leggen maatregel. 
Behandeling eerste aanleg
4.6    Klager heeft aangevoerd dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte zijn klacht en de klacht van de inspectie heeft gevoegd. Vanwege zijn onbekendheid met de procedure had hij hiermee ingestemd, maar zijn klacht was veel uitgebreider en had aparte aandacht verdiend. 
4.7    Deze beroepsgrond treft geen doel. Een beslissing tot voeging is een discretionaire bevoegdheid van de voorzitter en daartegen staat niet afzonderlijk hoger beroep open. Wel kan in het beroep tegen de eindbeslissing hierover worden geklaagd. Het college overweegt dat de behandeling bij het Centraal Tuchtcollege is bedoeld om eventuele verzuimen in de behandeling bij het Regionaal Tuchtcollege in beroep te herstellen. Mocht er in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege al sprake zijn geweest van een onjuiste gang van zaken, dan is dit hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. Klager heeft in beroep immers opnieuw de gelegenheid gekregen zijn standpunten naar voren te brengen. 
Toetsingskader
4.8    Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor de gevoeligheden in deze zaak en de weerslag die dit heeft op beide partijen, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of de 
gz-psycholoog heeft gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor haar geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. 
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdelen a) en c) seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens en direct aansluitend op de behandelrelatie en het misbruiken door verweerster van haar uit haar positie voortvloeiend overwicht 
tijdens en buiten de behandelrelatie

4.9    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling in beroep niet heeft geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de gz-psycholoog, nog tijdens of vlak na de behandelrelatie, zonder enige afkoelingsperiode en zonder zich ervan te vergewissen of dit verenigbaar was met de eerdere behandelrelatie, een persoonlijke en seksuele relatie is aangegaan met een kwetsbare cliënt. Ook het Centraal Tuchtcollege acht deze klachtonderdelen gegrond en neemt hier over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing onder 5.7 tot en met 5.10 heeft overwogen.
Klachtonderdeel b) het eenzijdig verbreken van de behandeling van klager met het oog op het voortzetten van seksueel contact met klager
4.10    Volgens klager heeft de gz-psycholoog de behandeling eenzijdig verbroken met het oog op het voortzetten van de seksuele relatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst klager naar het intakerapport van H. van 3 mei 2017, waaruit volgt dat hij heeft uitgesproken bij de gz-psycholoog in behandeling te willen blijven. Ook duurt een realistische behandeling van PTSS meer dan een jaar, waardoor de doorverwijzing, waarover de gz-psycholoog geen intervisie heeft gehad, op dat moment ook niet logisch was. Volgens klager flirtte de gz-psycholoog ook al ruim voor het eerste seksuele contact met hem waaruit ook volgt dat de doorverwijzing een vooropgezet plan was. De gz-psycholoog voert aan dat zij in haar optiek de behandeling heeft overgedragen aan H. in verband met de aard en de complexiteit van de problematiek van klager.
4.11    Anders dan klager betoogt kan uit zijn stellingen niet worden afgeleid dat de gz-psycholoog de behandeling eenzijdig heeft verbroken. Uit het medisch dossier leidt het college af dat al in januari 2017 werd gesproken over verdere hulpverlening voor klager. Sinds februari 2017 werd al gesproken over een intake bij H.. Deze gesprekken vonden plaats voordat sprake was van een persoonlijke en seksuele relatie. Reeds gelet hierop kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen dat de gz-psycholoog klager heeft doorverwezen met het oogmerk op het voortzetten van het seksueel contact. Dat de gz-psycholoog al langere tijd met klager flirtte is een subjectieve beleving die door de gz-psycholoog wordt betwist, zodat hiervan niet kan worden uitgegaan. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) het vernietigen van het originele medisch EPD-dossier van klager en het aanleveren van een onvolledig en gemanipuleerd (schaduw) dossier
4.12    Klager heeft een wettelijk recht op inzage in zijn dossier. De wettelijke verplichting voor de gz-psycholoog om elektronisch inzage dan wel een elektronisch afschrift van het dossier te verschaffen geldt per 1 juli 2020. Ten tijde van het beëindigen van de behandeling van klager door de gz-psycholoog in 2017 bestond deze wettelijke verplichting nog niet. Dat klager het vreemd vindt dat de gz-psycholoog een onverplicht bijgehouden elektronisch patiënten dossier (EPD) niet heeft bewaard, staat hem vrij. Dit betekent echter niet dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is, ook al waren er opties voor de gz-psycholoog beschikbaar om het EPD te bewaren. Het wettelijk recht van klager is immers inzage in zijn medisch dossier en dat was in dit geval in papieren vorm voorhanden. 
4.13    Dit papieren dossier heeft klager uiteindelijk door tussenkomst van een advocaat ontvangen van de gz-psycholoog. Het college kan begrijpen dat deze gang van zaken klager wantrouwend maakt. Temeer nu er twee versies van het dossier beschikbaar zijn die op vier plekken van elkaar verschillen. Dit betekent echter niet dat kan worden vastgesteld dat de gz-psycholoog opzettelijk een onvolledig en/of gemanipuleerd papieren dossier heeft aangeleverd. Hierbij wordt overwogen dat deze verschillen samenhangen met de werkwijze van de gz-psycholoog en tevens minimaal en irrelevant zijn voor de beoordeling. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de werkwijze van de 
gz-psycholoog en de bestaande verschillen in beide versies in zijn uitspraak in overwegingen 5.13 en 5.14 uitgebreid toegelicht en waarom dit tot het oordeel leidt dat opzettelijke manipulatie niet kan worden vastgesteld. Het Centraal Tuchtcollege is hiermee eens, sluit zich aan bij deze overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en neemt dit oordeel over. Dit deel van klachtonderdeel d) is dan ook terecht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege wel van oordeel dat het medisch dossier niet volledig is, omdat essentiële momenten niet zijn beschreven en de formats voor de intake- en ontslagbrief niet aanwezig waren. Dit deel van de klacht is daarom terecht gegrond verklaard.
Klachtonderdeel e) het schenden van haar beroepsgeheim richting derden hetgeen het behandelbelang van klager heeft geschaad
4.14    Het Centraal Tuchtcollege stelt aan de hand van de WhatsApp-berichten vast dat de 
gz-psycholoog mededeling heeft gedaan aan klager over een met naam en toenaam genoemde  (voormalige) cliënte. Hieruit volgt dat zij met vermelding van haar naam over deze cliënte sprak en daarbij onder andere ook inging op door deze cliënte gewenste therapie, haar gemoedstoestand en haar drankgebruik (die de gz-psycholoog vergelijkt met die van klager). Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de gz-psycholoog hiermee vertrouwelijke en gedetailleerde informatie over deze cliënte gedeeld en zodoende haar beroepsgeheim geschonden. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat dit handelen het behandelbelang van klager heeft geschaad. Immers, het handelen van de gz-psycholoog kan klager het gevoel hebben gegeven dat zij ook informatie over hem zou kunnen delen, onder andere met deze cliënte. Daarbij heeft het Centraal Tuchtcollege ook betrokken dat uit de door de gz-psycholoog ingebrachte getuigenverklaring van deze (voormalige) cliënte volgt dat de relatie van de gz-psycholoog met klager in ieder geval een regelmatig besproken onderwerp was tussen haar en de gz-psycholoog. Dit past niet bij professioneel handelen van een gz-psycholoog en zij had zich ervan bewust moeten zijn dat zij klager niet had mogen belasten met informatie over deze cliënte. Dit klemt temeer nu zij ook vergelijkingen trekt tussen de cliënte en klager. Dit kan drempelverhogend werken voor klager om andere zorgverleners adequaat te informeren. Klager heeft ook aangevoerd dat dit handelen zijn vertrouwen in adequate hulpverlening heeft aangetast. 
4.15    Het Centraal Tuchtcollege is daarom van oordeel dat de gz-psycholoog op dit punt (ook) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart dit klachtonderdeel gegrond. 
Klachtonderdeel f) het verlenen van onprofessionele en onzorgvuldige zorg waarbij verweerster haar eigen belang zwaarder heeft gewogen dan het behandelbelang van klager, waardoor het behandeltraject en haar onprofessionele gedrag een averechts effect heeft gehad op het herstel en het vertrouwen van klager in GGZ-behandelaren blijvend is geschaad.
4.16    Vast staat dat de gz-psycholoog een langdurige persoonlijke en seksuele relatie met klager is aangegaan zonder inachtneming van enige afkoelingstermijn. Het college acht het voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant wanneer de behandelrelatie exact is beëindigd. Het is het Centraal Tuchtcollege namelijk niet gebleken dat de gz-psycholoog zich er bij het aangaan van de relatie van heeft vergewist dat de professionele relatie waarbij zij hoofdbehandelaar was van klager, geen relevante betekenis meer had. Zij had moeten begrijpen dat die behandelrelatie nog steeds een grote rol speelde, waarbij de inhoudelijke kennis die zij vanuit die achtergrond over klager had een belangrijke factor was. Het Centraal Tuchtcollege betrekt in de beoordeling van dit klachtonderdeel daarom ook het handelen van de gz-psycholoog na het beëindigen van de behandelrelatie.
4.17    In dat kader overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het de gz-psycholoog is geweest die klager na de omhelzing op 14 april 2017 heeft benaderd voor verder contact. Zij heeft in de daaropvolgende periode geen poging ondernomen om het contact te beëindigen. Enige vorm van zelfreflectie van de gz-psycholoog op dat moment over de op haar initiatief ontstane relatie tegen de achtergrond van de psychische problematiek van klager is niet gebleken. Uit de overgelegde berichtenwisseling volgt verder dat de gz-psycholoog er met regelmaat voor zorgde dat er alcohol aanwezig was tijdens hun ontmoetingen, terwijl zij bekend was met het feit dat bij klager sprake was van alcoholproblematiek. Ook bood de gz-psycholoog klager op 26 april 2017, en dus op hele korte termijn na de start van de relatie (en voor de intake bij H.), aan om samen XTC te gaan gebruiken. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de gz-psycholoog hiermee onprofessioneel en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Zij heeft hiermee het vertrouwen in de psychologiebeoefening geschaad en dus ook het vertrouwen van klager in verdere psychologische behandeling. 
4.18    Het Centraal Tuchtcollege is daarom van oordeel dat dit klachtonderdeel volledig gegrond moet worden verklaard. 
Conclusie en maatregel
4.19    De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdelen a), c), d) (deels) en f) (deels) terecht gegrond heeft verklaard. Wel oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de 
gz-psycholoog op meerdere punten tekort is geschoten en verklaart het klachtonderdelen e) en f) alsnog (volledig) gegrond. Omdat het Centraal Tuchtcollege in beroep meer klachtonderdelen gegrond acht dan dat het Regionaal Tuchtcollege heeft gedaan, is het de vraag of aan de 
gz-psycholoog een zwaardere maatregel dan in eerste aanleg moet worden opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt die vraag bevestigend. 
4.20    Volgens vaste jurisprudentie zijn gedragingen zoals die aan de gz-psycholoog worden verweten zodanig in strijd met wat van een integere en betrouwbare zorgverlener mag worden verwacht dat in beginsel ten minste een schorsing van de inschrijving van de aangeklaagde in het BIG-register passend en geboden is. Bij de keuze van dat uitgangspunt is maatgevend dat de maatregel voldoende preventieve werking moet hebben om herhaling te voorkomen. Verzachtende omstandigheden kunnen worden meegewogen maar die behoren niet voorop te staan. Daarbij kan de schorsing voorwaardelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de beklaagde zorgverlener heeft getoond zich bewust te zijn van het verkeerde van zijn of haar gedragingen, en bereid is zo nodig een behandeling te ondergaan om herhaling te voorkomen. Een onvoorwaardelijke schorsing kan echter ook onvoldoende zijn, bijvoorbeeld wanneer de betrokken zorgverlener het norm-overschrijdende en schadelijke karakter van zijn of haar gedragingen niet inziet en een reële kans op herhaling aanwezig moet worden geacht. Hierbij kunnen de ernst en duur van de norm-overschrijdende gedragingen eveneens relevant zijn. In dat geval is een doorhaling van de inschrijving in het BIG-register passend en geboden.
4.21    De gz-psycholoog heeft de professionele grenzen ernstig overschreden door een langdurige persoonlijke en seksuele relatie met klager aan te gaan. Zoals terecht door het Regionaal Tuchtcollege is overwogen is de gz-psycholoog daarbij niet kritisch geweest over haar eigen gedrag en heeft zij zich volledig laten leiden door haar eigen gevoelens voor klager. Zij heeft geen afkoelingsperiode in acht genomen terwijl zij zich wel bewust was (en dat als professionele zorgverlener ook had moeten zijn) dat het aangaan van deze relatie niet was toegestaan. In het voordeel van de gz-psycholoog weegt mee dat zij haar huidige werkgever heeft ingelicht over de situatie en enkele dagen na de zitting zal starten met therapie. 
4.22    Deze enkele omstandigheid aan de zijde van de gz-psycholoog weegt volgens het college echter niet zodanig zwaar dat het Centraal Tuchtcollege hierin aanleiding ziet tot het opleggen van een lichtere maatregel. Hoewel de gz-psycholoog zegt in te zien dat zij professioneel niet goed heeft gehandeld is het niet duidelijk geworden of zij dit ook zonder de klacht en opgelegde maatregel door het Regionaal Tuchtcollege had ingezien en intrinsiek gemotiveerd zou zijn geweest hulp te zoeken. De gz-psycholoog heeft verklaard dat ze pas enkele dagen na de zitting zal starten met therapie en daarbij is niet duidelijk wat de inhoud hiervan is.
4.23    Tevens wegen de alsnog gegrond verklaarde klachtonderdelen zwaar voor het college. Het delen van vertrouwelijke informatie over een andere cliënte met klager, en het stimuleren van het gebruik van alcohol en voorstellen van gebruik van XTC, acht het college – naast het aangaan van de seksuele relatie zonder afkoelperiode – ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Met dit handelen heeft de gz-psycholoog het belang van klager, een in die periode kwetsbare man met een drankprobleem, volledig uit het oog verloren. Zoals eerder overwogen heeft de gz-psycholoog dit destijds niet onderkend. Uit de stukken en de behandeling op zitting volgt naar de overtuiging van het college dat het bij de gz-psycholoog nog altijd ontbreekt aan een doorleefd besef van de ernst en de ontoelaatbaarheid van haar gedrag ten aanzien van deze punten. Zij blijft zich beroepen op het feit dat deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden na het beëindigen van de behandelrelatie. Hiermee miskent zij dat deze behandelrelatie nog altijd een rol speelde, zeker bij de start van de relatie, dat hoe dan ook een afkoelingsperiode ontbrak, en dat zij ook na de beëindiging van de behandelrelatie de belangen van klager niet uit het oog mocht verliezen. Daarbij blijft zij volhouden dat de klacht slechts een reactie is van klager op het uiteindelijk door haar beëindigen van de relatie en verwijt zij klager dat hij de feiten verdraait, maar verzuimt zij concreet te maken wat deze onjuiste voorstelling van zaken dan is. Hieruit volgt dat de 
gz-psycholoog nog altijd niet inziet wat de impact van haar handelen is geweest op klager. Het gebrek aan zelfreflectie op dit punt baart het Centraal Tuchtcollege zorgen. 
4.24    Alles afwegende heeft de gz-psycholoog het college er niet van kunnen overtuigen dat zij in de toekomst anders zal handelen en niet meer in een dergelijke situatie terecht zal komen Gevaar voor herhaling is dus aanwezig. De ernst van de verweten gedragingen van de 
gz-psycholoog rechtvaardigt dan ook een maatregel die een beroepsbeperking meebrengt. Het college is van oordeel dat het handelen van de gz-psycholoog zo ernstig grensoverschrijdend is, dat toekomstige patiënten hiertegen moeten worden beschermd, zodat doorhaling van de inschrijving van de gz-psycholoog in het BIG-register de enige passende maatregel is. 
Kostenveroordeling
4.25    Klager vraagt niet om een proceskostenveroordeling in beroep. Wel voert hij aan dat zijn verzoek om de gz-psycholoog te veroordelen in de proceskosten ten onrechte door het Regionaal Tuchtcollege is afgewezen. De gemaakte kosten waren volgens klager gemaakt ten behoeve van het opstellen van het klaagschrift. 
4.26    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat in artikel 69 lid 5 Wet BIG een regeling voor de gemaakte proceskosten is opgenomen. Een kostenveroordeling voor kosten die zijn gemaakt in de tuchtrechtelijke procedure is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Hiervan is in deze zaak sprake. Klager heeft in zijn klaagschrift zijn proceskosten niet nader gespecificeerd, alleen benoemd dat hij advocaten heeft ingeschakeld om zijn medisch dossier in handen te krijgen en om bijstand te verlenen in het onderzoekstraject dat door de inspectie was gestart.
4.27    Het Centraal Tuchtcollege zoekt bij de beoordeling van het verzoek aansluiting bij de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg (hierna: Oriëntatiepunten kostenveroordeling). Hierin is onder meer bepaald dat een kostenveroordeling uitdrukkelijk dient te worden verzocht, maar deze behoeft niet te worden gespecificeerd waar het gaat om kosten van rechtsbijstand en reiskosten. Voor vergoeding komen redelijk geachte, door klager gemaakte, proceskosten die in rechtstreeks verband met de tuchtprocedure staan in aanmerking. Hieronder vallen onder andere de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (forfaitair, te berekenen).
4.28    Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de proceskosten van klager gemaakt bij het Regionaal Tuchtcollege voor vergoeding in aanmerking komen. Weliswaar heeft klager zijn klaagschrift zelfstandig ingediend, maar het college stelt tegelijkertijd vast dat klager werd bijgestaan door een advocaat gedurende het onderzoek door de inspectie. De tuchtklacht van de inspectie is uiteindelijk gevoegd behandeld met de tuchtklacht van klager. Bovendien heeft klager in zijn klaagschrift ook gebruik gemaakt, c.q. verwezen naar passages van door zijn advocaat gemaakte opmerkingen en bezwaren op de conceptrapportage van de inspectie. Hiermee staat naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende vast dat sprake is van proceskosten die rechtstreeks verband houden met de tuchtprocedure. Uit de stukken volgt verder dat klager zich tijdens het mondeling vooronderzoek en tijdens de zitting heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
4.29    Bij de begroting van de kosten gaat het college uit van de Oriëntatiepunten kostenveroordeling. Door klager is een klaagschrift ingediend. Daaraan wordt 1 punt toegekend. Aan het bijwonen van het mondeling vooronderzoek en de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege wordt (afzonderlijk) eveneens 1 punt toegekend. De waarde per punt is € 647,-, zodat het totaal neerkomt op € 1.941,-. Daarnaast zal het door klager bij het Centraal Tuchtcollege betaalde griffierecht worden terugbetaald.
Publicatie
4.30    Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing, en zal het bepalen dat deze beslissing wordt bekend gemaakt zoals in het dictum staat vermeld. 

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor 
zover het klachtonderdelen e) en f) in zaak H2024/7516 en de opgelegde maatregel betreft; opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdelen e) en f) alsnog gegrond; legt de gz-psycholoog de maatregel 
van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op; veroordeelt de gz-psycholoog in de vastgestelde kosten van klager van € 1.941,- en veroordeelt haar het totaalbedrag te voldoen op de bankrekening van klager binnen een maand nadat deze haar schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van 
de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten; verwerpt het beroep voor het overige; gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klager het betaalde griffierecht ten bedrage van 
€ 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de beroepsprocedure en de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege vergoedt, voor zover dit niet is gebeurd; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan de tijdschriften De Psycholoog van het NIP en het Tijdschrift voor Psychotherapie van de NVP en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is genomen door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud en R.A. van der Pol, leden-juristen, en G.T.M. Mooren en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2025.
    Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.