ECLI:NL:TGZCTG:2025:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2775
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-12-2025 |
| Datum publicatie: | 08-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2775 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een MDL-arts. Klager is sinds 2002 in behandeling vanwege een darmziekte. Oorspronkelijk is de diagnose colitis ulcerosa (ontsteking van de dikke darm) gesteld. Later is ook de verdenking op de ziekte van Crohn in de overwegingen betrokken, die niet alleen de dikke darm, maar het gehele spijsverteringskanaal van mond tot anus kan aantasten. Beide ziekten zijn zogenoemde inflammatoire darmziekten (Inflammatory Bowel Dieseases of IBD), die zich vaak kenmerken door een complexe problematiek. Vanaf september 2017 is klager behandeld door een multidisciplinair team (MDO) in het medisch centrum waar de MDL-arts werkzaam is. De MDL-arts maakte deel uit van het MDO en heeft klager in 2019 enkele malen gezien. Klager verwijt de MDL-arts nalatigheid en onzorgvuldig handelen. In het bijzonder verwijt hij haar enerzijds dat haar brief aan de huisarts feitelijke onjuistheden bevat en anderzijds dat zij zich na april 2019 afzijdig heeft gehouden en ten onrechte niet actief heeft uitgezocht waarom geen resultaten uit de onderzoeken kwamen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2775 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg, hierna: klager,
tegen
F., werkzaam te D., verweerster in beide instanties, hierna: de MDL-arts, gemachtigde:
mr. H.J.C. Smink, werkzaam te Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager is sinds 2002 in behandeling vanwege een darmziekte. Oorspronkelijk
is de diagnose colitis ulcerosa (ontsteking van de dikke darm) gesteld. Later is ook
de verdenking op de ziekte van Crohn in de overwegingen betrokken, die niet alleen
de dikke darm, maar het gehele spijsverteringskanaal van mond tot anus kan aantasten.
Beide ziekten zijn zogenoemde inflammatoire darmziekten (Inflammatory Bowel Dieseases
of IBD), die zich vaak kenmerken door een complexe problematiek. Vanaf september 2017
is klager behandeld door een multidisciplinair team in het medisch centrum waar de
MDL-arts werkzaam is. De MDL-arts maakte deel uit van het multidisciplinair team en
heeft klager in 2019 enkele malen gezien.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond
verklaard evenals de klachten die klager tegen zijn hoofdbehandelaar en de chirurg
die hem in 2018 heeft geopereerd, heeft ingediend. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt
het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2023/6688 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:30).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het
aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 3 november 2025 behandeld, gelijktijdig met
de zaken tegen de hoofdbehandelaar en de chirurg. Klager was aanwezig. Ook de MDL-arts,
de hoofdbehandelaar en de chirurg waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde.
Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht.
De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Voor zover klager zich niet kan vinden in de feitenvaststelling door het
Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het aan de tuchtrechter
is voorbehouden om die feiten en omstandigheden op te nemen die hij voor zijn beoordeling
van belang vindt, zonder daarbij uitputtend te zijn. Anders dan klager lijkt te betogen
hoeft deze feitenvaststelling niet alle feiten en omstandigheden die de behandeling
van klager betreffen te bevatten. Het gaat bovendien om objectief vast te stellen
feiten, zoals data en aantekeningen in het medisch dossier.
3.2 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege een
adequate weergave heeft gegeven van de feiten die relevant zijn voor de beoordeling
van dit geschil. Het Centraal Tuchtcollege gaat daarom, net als het Regionaal Tuchtcollege,
uit van de volgende feiten:
“3.1 Nadat in 2002 bij klager de diagnose colitis ulcerosa was gesteld is bij hem
de dikke darm verwijderd met aanleg van een ileostoma (kunstmatige uitgang van de
dunne darm via de buik). In 2006 onderging klager een operatie, waarbij in plaats
van het stoma een ileoanale pouch (een van de dunne darm gemaakt zakje binnen het
lichaam, waarmee een stoelgang langs natuurlijke weg mogelijk is) werd aangelegd.
Na deze operatie ontstond een naadlekkage (een gaatje bij de aansluiting van de pouch
op de darm). Een dergelijke lekkage is een bij deze operaties regelmatig voorkomende
complicatie. Om de pouch te ontlasten is toen opnieuw een ileostoma aangelegd. Vanaf
dat moment hield men rekening met de mogelijkheid dat klager ook de ziekte van Crohn
zou kunnen hebben.
3.2 Nadat de situatie langere tijd stabiel bleef en er geen aanwijzingen waren
dat het lek nog bestond, is klager in 2016 geopereerd om het stoma op te heffen. Vanaf
de pouchnaad ontstond daarna een fistel (opening) naar de linker bil met abcesvorming,
waarvoor behandeling heeft plaatsgevonden. In september 2017 is klager verwezen naar
het ziekenhuis waar de MDL-arts werkzaam is. Klager is hier in februari 2018 geopereerd,
waarbij - vooruitlopend op een definitief behandelplan - een dubbelloops stoma is
aangelegd en drainage van de bilfistel plaatsvond.
3.3 In de loop van 2018 heeft klager met meerdere leden van het MDO gesproken
over de verschillende behandelmogelijkheden. Op 10 juli 2018 sprak klager met zijn
hoofdbehandelaar. De hoofdbehandelaar noteerde in het medisch dossier (alle citaten
zijn letterlijk weergegeven):
“Uitgebreid gesproken over de opties. Mi geen redo [college: creëren van een nieuwe
pouch] wegens de grote kans op Crohn.
Counselen via [chirurg, verweerster in de zaak A2023/6686, hierna: de chirurg] voor
hernia repair
Tevens mogelijk parastomale hernia. Loopt wat slijm uit afvoerende lis onder de
plak”
3.4 Op 24 juli 2018 sprak klager voor het eerst met de chirurg die hem later
zou opereren (de chirurg). Dat ging met name over zijn liesbreuk, maar ook over de
behandelopties in het kader van de darmproblematiek.
3.5 In de gesprekken die klager met diverse artsen had (onder wie de destijds
behandelend MDL-arts), kwam naar voren dat hij na de operatie van februari 2018 nog
steeds klachten had die leken op wat hij had voor die operatie. De dubbelloops stoma
leidde bovendien tot overloop. Daarom heeft de chirurg klager op 10 december 2018
geopereerd, waarbij naast de liesbreukcorrectie in plaats van het dubbelloops stoma
een eindstandig stoma is aangelegd.
3.6 Op 15 januari 2019 zag de chirurg klager voor controle na de operatie en
noteerde in het dossier onder meer:
“(…)
A: gaat goed, geen last van lie smeer, geen zwelling meer.
Stoma problemen met stoma, geen lekkages, mooi plat weer.
Fistels rustiger, maar wil er toch nog graga een keer vanaf.
Is zelf niet overtuigd van crohn.
(…)
B:
Voorlopig chirurgische behandleing
Drukverhogende momenten vrlagen/ voorkomen
Wil tzt nog wel een keer van fistels af: gezien pouh en verdneking crohn uitleg
niet opportuun.”
3.7 Op 13 februari 2019 is klager voor het eerst bij de MDL-arts geweest. Zij
noteerde onder meer in het dossier:
“(…)
Fistel zorgt voor discomfort, komt veel vocht uit. Probeert dit met verband op te
vangen middels inlegger.
Zou graag hiervan af willen zijn, is het mogelijk bijv het defect in pouch te sluiten?
Hoopt op termijn wellicht nog een nieuwe pouch te kunnen krijgen, maar niet ten koste
van alles.
(…)
Beleid
Bespreken met [andere chirurg uit het MDO] , MRI fistel nodig alvorens consult?
Is destijds omentum opgeslagen? Op termijn mogelijk om fistels te sluiten?”
3.8 Op 4 maart 2019 heeft de MDL-arts een MRI van de pouch aangevraagd. Ook heeft
zij de patholoog revisie gevraagd van het oorspronkelijke dikke darm preparaat. Van
dat preparaat had in een ander ziekenhuis al revisie plaatsgevonden met conclusie:
“In de colonresectie is er gezien de diepe ontsteking met fissuurvorming en uitgebreide
reactieve verandering van de submucosa een beeld wat het best past bij m. Crohn en
niet goed bij CU”
3.9 Klager is op 24 maart 2019 op de SEH geweest vanwege bruin vochtverlies via
de bilfistel. Hij werd doorverwezen naar zijn behandelaren op de poli, waar op 29
maart 2019 de MRI stond ingepland. De conclusie van die MRI was:
“Grotendeels onveranderd aspect van het met granulatieweefsel gevulde brede extrafincterische
fistelgang links.
Meer fibrose ter plaatse van de mediale uitwendige opening.
Geen nieuwe fistels.
Geen vochtcollecties.”
3.10 Klager heeft op 18 april 2019 telefonisch contact gehad met een arts-assistent
chirurgie. Deze noteerde onder meer in het dossier:
“(…)
Recente MRI toont nog duidelijk actieve fistel vanuit de inactieve pouch.
MRI werd op verzoek nogmaals bekeken door radioloog: er ligt wel een dunnedarmlis
tegen de pouch aan (…)
Niet zeker of dit een fistel is.
Na overleg met [andere chirurg uit het MDO]:
Mogelijk dat er een fistel is ontstaan tussen dunnedarm en pouch.
Hiervoor zou dan echter nieuwe ziekteactiviteit nodig zijn terwijl de patient hier
verder niet symptomatisch bij is, dus onwaarschijnlijk.
Indien fistel naar de pouch dan zou je ook verwachten dat de productie toeneemt,
terwijl dit niet het geval is.
Dd is (deviation) pouchitis.”
3.11 Op 28 mei 2019 zag de MDL-arts klager en besprak met hem onder meer de uitslag
van de op 4 maart 2019 gevraagde herbeoordeling van de colonresectie:
“colon met daarin een diffuse, chronisch actieve bij patient bekende IBD, waarbij
gezien de microscopische bevindingen (dieper reikende infiltraten en enkele fissuraties)
toch enige voorkeur voor M. Crohn. Geen granulomen.”
3.12 De hoofdbehandelaar zag klager op 11 juni 2019 en besprak met hem onder
meer de uitslag van een op 28 mei 2019 gemaakte CT-scan:
“CT scan: geen aanweizing voor fistel
De fistel gaat nog open en dicht, alleen veel beter nu er geen ontlasting
(…)
Opties toekomst:
1. Pouch excisie
2. redo pouch
3. Sluiten fistel na overgroeien van het defect evt met EVAC
Pouchoscopie
C 1 maand”
3.13 De chirurg heeft klager na de scopie gezien op 30 juli 2019 en noteerde
onder meer:
“AO:
CT scan: geen aanwezigheid voor fistel
Scopie: Ileo-anale anastomose met een matig ernstige pouchitis.
Fistel in het verlengde van de setonse drains, met granulatieweefsel hiertussen.
PA; eenmalig wel granulomen gezien in PA, maar ook reuscel reactie evt passend bij
seton
(…)
Belangrijkste vragen:
1. M crohn of niet: Alle problemen duiden op chrnonisch naaddefect, echter, Resucelgranulomen
in fisteltraject , maar zou ook een vreemd lichaam reactie op seton kunnen zijn. NB
herbeoordeling colonresectie [naam]: [college: zie tekst 3.11]
2. Vraag of er nog een fistel is tussen aanvoerende darm en pouch/ afvoerende darmlis
gezien anamnestisch etensresten uit pouch, niet aan te tonen.”
3.14 Daarna is in het MDO besloten een MR enterografie te laten maken, waarbij
de dunne darm zichtbaar wordt gemaakt met contrastvloeistof. De chirurg heeft met
klager op 12 november 2019 besproken dat deze MRE geen fistel had aangetoond tussen
het dunnedarmtraject en de pouch.
31.5 De hoofdbehandelaar heeft op 17 december 2019 in het dossier genoteerd:
“Ouders aanwezig.
Uitgebreid de drie opties besproken:
1. Niets doen
2. Pouch excisie en omentumplastiek
3. Pouch excisie en naadreconstructie
Plan:
Indien een goede pouch is aan te leggen dan pouch, anders pouchexcisie of omentumplastiek”
3.16 In de periode van april 2021 tot en met november 2021 had klager meerdere
malen contact met de hoofdbehandelaar over de drie opties en het al dan niet uitvoeren
van de in december 2019 besproken operatie. Klager wilde dat alvorens hij een beslissing
zou nemen nog meer diagnostiek zou plaatsvinden, en eventueel een aparte operatie
om de fistel aan te tonen. De hoofdbehandelaar was niet bereid om alleen een verkennende
operatie uit te voeren om dan later mogelijk nog een tweede keer aan de pouch te moeten
opereren. Wel heeft hij nog een extra MRE laten maken. De fistel werd ook daarop niet
aangetoond.
Op 17 augustus 2021 heeft de hoofdbehandelaar onder meer genoteerd:
“Ik ben accoord met een ingewikkelde exploratie welke risicovol zou zijn. Evenwel
niet accoord als dat we risicovol de top van de pouch vrijleggen en geen fistel vinden
niet meteen het probleem kunnen oplossen omdat hij er dan over wil nadenken. In tweede
instantie zal het nog lastiger zijn met opnieuw veel risico op darm letsel.”
Op 2 november 2021 noteerde de hoofdbehandelaar aanvullend nog:
“Plan:
Exploratie met onderbreken fistel
Indien niet aanwezig dan pouchredo of pouch excisie.
Expectatief”
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de MDL-arts nalatigheid en onzorgvuldig handelen. In het bijzonder
verwijt klager de MDL-arts dat haar brief aan de huisarts van 13 februari 2019 feitelijke
onjuistheden bevat en dat de MDL-arts zich na april 2019 afzijdig heeft gehouden en
dat zij onrechte niet actief heeft uitgezocht waarom geen resultaten uit de onderzoeken
kwamen.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang
beoordeelt en alsnog gegrond verklaart.
4.3 De MDL-arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de MDL-arts bij zijn beroepsmatige
handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen waarover
wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop op de zitting
komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht
terecht in al haar onderdelen ongegrond heeft verklaard.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep
geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal
Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘4. De overwegingen
van het college’ heeft overwogen hier over. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel
dat de MDL-arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
4.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager moet worden
verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, R.A. Boon en A.R.O.
Mooy, leden-juristen, en M.M. van der Eb en R.J.J. de Ridder, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.