ECLI:NL:TGZCTG:2025:195 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024.2644

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:195
Datum uitspraak: 01-12-2025
Datum publicatie: 01-12-2025
Zaaknummer(s): C2024.2644
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klager is strafrechtelijk vervolgd voor (samengevat) het maken en bezit van kinderporno. In dat kader is hij pro justitia psychologisch onderzocht door de gz-psycholoog. Klager vindt dat de gz-psycholoog het onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en dat de conclusies die hij heeft getrokken en de diagnoses die hij heeft gesteld onvoldoende steun vinden in de resultaten van het onderzoek. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en de gz-psycholoog de bevoegdheid ontzegt om deskundigenrapportages op te stellen. De gz-psycholoog is het niet eens met dit oordeel en komt hiertegen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege vernietigd voor een deel de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en legt aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping op.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2644 van:
A., gz-psycholoog, werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste
aanleg, gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, advocaat te Utrecht,

tegen

C., wonende te D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: dhr. E.

1. De kern van de zaak
1.1 Klager is strafrechtelijk vervolgd voor (samengevat) het maken en bezit van kinderporno. In dat kader heeft een pro justitia onderzoek plaatsgevonden door de gz-psycholoog. Klager vindt dat de gz-psycholoog het onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en dat de conclusies die hij heeft getrokken en de diagnoses die hij heeft gesteld onvoldoende steun vinden in de resultaten van het onderzoek.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht gegrond verklaard en de
gz-psycholoog de bevoegdheid ontzegd om deskundigenrapportages op te stellen. De
gz-psycholoog is het niet eens met dit oordeel en komt hiertegen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt voor een deel de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en legt
aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping op.

2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 De gz-psycholoog heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam van 11 oktober 2024 met nummer A2024/6892 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:203).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 6 oktober 2025 behandeld. De gz-psycholoog was op de zitting aanwezig en werd bijgestaan door mr. Mooibroek. Klager was ook aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde (zijn vader) de heer E.. Ook de moeder van klager was aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen die klager en mr. Mooibroek daarbij hebben gebruikt zijn aan het dossier toegevoegd.

3. De feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klager is in augustus 2022 aangehouden op verdenking van het maken en bezit van kinderporno en in voorlopige hechtenis genomen. Bij brief van 31 augustus 2022 heeft de officier van justitie de gz-psycholoog benoemd als deskundige om klager psychologisch te onderzoeken en hierover te rapporteren. De gz-psycholoog is sinds 2010 geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen.
3.3 Op 6 oktober 2022 vond het eerste onderzoeksgesprek tussen klager en de gz-psycholoog plaats. Hierbij was ook een onderzoeksassistent aanwezig.
3.4 Op 10 oktober 2022 hebben onderzoeksassistenten de ouders van klager geïnterviewd.
3.5 Op 14 oktober 2022 heeft de gz-psycholoog een tweede onderzoeksgesprek met klager gevoerd.
3.6 Op 17 oktober 2022 zijn, onder de supervisie van de gz-psycholoog, door onderzoeksassistenten psychologische tests afgenomen bij klager.
3.7 Op 22 oktober 2022 heeft de gz-psycholoog de concept-rapportage opgesteld. Hierover heeft een feedbackgever van het NIFP kenbaar gemaakt geen opmerkingen te hebben.
3.8 In het definitieve rapport staat onder meer:
9. DIFFERENTIAAL DIAGNOSTISCHE OVERWEGINGEN
(…) Voor zover de informatie reikt waren er geen aperte bijzonderheden in de ontwikkelingshistorie, althans volgens informatie van betrokkene en informatie van de ouders.
(…) Betrokkene heeft op verschillende plaatsen gewerkt maar het is opvallend dat hij een paar maal zijn baan verliest dan wel opgeeft na conflicten met leidinggevenden.
Betrokkene heeft een aantal relaties gehad waarbij opvalt dat hij met name vrouwen van buitenlandse oorsprong verkiest die hij veelal via internet heeft leren kennen. Het relationele leven blijkt vaak conflictmatig te zijn en wat de huidige relatie betreft is er een opmerkelijk verschil in de perceptie van de kwaliteit van de relatie. Betrokkene is tamelijk lovend over zijn huidige vrouw maar volgens informatie uit het politiedossier is zijn vrouw een tegenovergestelde mening toegedaan Volgens zijn vrouw heeft betrokkene geen vrienden, geen sociaal leven, toont hij zijn emoties niet, is hij alleen maar bezig met werk, schuwt hij de intimiteit met haar en is er nauwelijks sprake van een seksueel huwelijksleven. Ook zou betrokkene zich op onverholen wijze hebben beziggehouden met kinder-pornografisch materiaal en met langdurig en herhaald ‘spelen onder de douche’ met zijn oudste dochter. (…)
Testpsychologische gegevens en klinische indrukken wijzen op een kwetsbare persoonlijk-
heidstoerusting van betrokkene waarbij hij zich snel aangetast kan voelen in zijn zelfgevoel,
snel angstig is en een sterke behoefte heeft om de omgeving te controleren. Dit laatste wellicht met als doel om zich veilig te voelen. Klinisch is er de indruk dat betrokkene zich formalistisch opstelt, weinig souplesse laat zien, althans non-verbaal, in de sociale omgang en in zijn denken rigide en obsessief is waarbij er zelfs de indruk bestaat dat er sprake is van pseudologia fantastica. Hiermee zij bedoeld dat betrokkene volledig op zichzelf is gericht en een egocentrische visie hanteert waardoor hij voor de volle honderd procent overtuigd is van de juistheid van zijn weergave van de gebeurtenissen. Het ontbreekt hem goeddeels aan een kritische blik op zijn eigen functioneren Dit geldt niet enkel zijn weergave van het ten laste gelegde want daarin kan de procespositie nog een rol spelen maar evenzeer de levensterreinen van werk en relaties. Zeker ook op het terrein van relaties lijkt betrokkene niet goed de juiste verhouding te vinden tot de ander hetgeen hij zelf (evenals zijn ouders) betitelt als naïviteit. Ook op het werk lijkt hij bij herhaling niet de (aan)gepaste verhouding te vinden tot zijn leidinggevende. Hij mist de juiste afstemming op de ander, althans volgens het verhaal van zijn vrouw.
Bovengenoemde kenmerken passen heel wel in narcistisch bepaalde persoonlijkheidsdynamiek maar zijn vanwege de nadrukkelijkheid van de sociaal-emotionele aberraties toch overwegend onder te brengen in autistiforme problematiek en meer specifiek in de stoornis van Asperger. Dit sluit ook aan bij de bevindingen die in het trajectconsult d.d. 15 augustus 2022 worden vermeld.
Daarnaast is er, niet alleen op basis van het ten laste gelegde (indien bewezen) maar ook op
grond van hetgeen zijn vrouw over betrokkene vertelt (althans zoals staat opgetekend in het
politiedossier) sprake van een pedofiele stoornis. Over langere tijd is er, volgens het politiedossier, sprake van recidiverend, intens gedrag met betrekking tot seksuele handelingen met pre-puberale en puberale kinderen.
Voor stoornissen in middelengebruik zijn geen aanwijzingen.
DSM-5 classificatie
302.2 Pedofiele stoornis
299.00 Autismespectrumstoornis in de vorm van stoornis van Asperger
10. FORENSISCH PSYCHOLOGISCHE BESCHOUWING
Verband diagnose en delict
Betrokkene wordt verdacht van het vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben van kinder-
pornografisch materiaal. Op de gegevensdragers van betrokkene zou kinder-pornografisch materiaal zijn aangetroffen en hij zou naaktfoto’s van zijn oudste dochter hebben genomen en hebben verspreid. Betrokkene geeft aan dat hij probeerde kinder-pornografisch materiaal van internet te verwijderen via zogeheten ‘hunting’ Daarvoor moest hij eerst het materiaal opsporen om het vervolgens via een aantal ingrepen te laten verwijderen of verdere verspreiding stop te (laten) zetten. Tevens zou hij naaktfoto’s gemaakt hebben van zijn oudste dochter om haar (vermeende) slechte verzorging door haar moeder te documenteren, aldus betrokkene.
Op grond van de huidige onderzoekbevindingen is de navolgende reconstructie van het ten laste gelegde (indien bewezen) aannemelijk.
Huidig onderzoek toont aan dat betrokkene gekenmerkt wordt door aberraties in zijn sociaal-emotionele en seksuele leven welke in diagnostische zin benoemd kunnen worden als een stoornis van Asperger en een pedofiele stoornis. Dit brengt met zich mee dat betrokkene een sterk op zichzelf gerichte tendens heeft die hem in zekere mate vervreemdt van de ander omdat hij adequate sociale en emotionele wederkerigheid mist. Hij kan geheel opgaan in zijn eigen wereld en zich vanuit narcistische motieven opwerpen als opruimer van vuig materiaal op internet. Deze activiteit wordt door betrokkene ‘hunting’ genoemd. Deze reddersfantasieën hebben het karakter van niet te corrigeren rigide opvattingen en komen in die zin weinig realistisch over. Het lijken eerder verzinsels waar betrokkene echter heilig van overtuigd is. Daarmee camoufleert betrokkene kennelijk zijn pedofiele strevingen waarvoor ook, anderszins dan enkel het ten laste gelegde, aanwijzingen zijn. Zijn gebrek aan invoelingsvermogen en zijn eigenzinnige inkleuring van datgene wat gepast of ongepast is in de wederzijdse omgang, ook op seksueel terrein, hebben hem in normatieve zin vervreemd. Zo heeft hij ook de opmerking van de politie om mogelijke misstanden bij zijn dochter te documenteren wellicht vanuit zijn autistiforme stoornis letterlijk genomen. In het relationele leven met zijn vrouw en ex-vrouw was betrokkene qua intimiteit en seksualiteit weinig toegankelijk en ‘moeilijk in de omgang’. Hij was blijkbaar vooral op digitale wijze actief en hij heeft zich vanuit zijn eigen beslotenheid waarschijnlijk steeds meer vastgebeten in zijn rol van ‘hunter’. Overigens past deze vorm van gedrevenheid ook meer bij een autistiforme stoornis. Hij heeft zichzelf een rol toegekend die niet of nauwelijks meer aan de realiteit getoetst werd.
Met deze toerusting kon betrokkene steeds meer vluchten in een digitale wereld waarin hij handig en bekwaam was en wellicht beter uit de voeten kon dan in de reële omgang met mensen van vlees en bloed. Tezamen met zijn pedofiele strevingen kon in deze constellatie het ten laste gelegde plaatsvinden. Het is te adviseren om betrokkene het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

3.9 De gz-psycholoog heeft in antwoord op de gestelde onderzoeksvragen geschreven dat bij klager sprake is van een stoornis van Asperger en van een pedofiele stoornis die aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Hij adviseert om klager de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Hij schat het recidiverisico in als hoog en adviseert om, indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf een behandeling binnen een forensisch psychiatrische polikliniek op te leggen, evenals reclasseringsbegeleiding.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 De gz-psycholoog is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft primair tot doel dat de klacht alsnog ongegrond wordt verklaard. Subsidiair verzoekt de gz-psycholoog het Centraal Tuchtcollege om geen maatregel op te leggen, althans meer subsidiair een lichtere maatregel op te leggen dan de ontzegging van de bevoegdheid om deskundigenrapportages op te stellen.
4.2 Klager heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege (impliciet) om het beroep van de gz-psycholoog te verwerpen.
Verzoek om behandeling achter gesloten deuren
4.3 Vanwege de gevoeligheid van de zaak heeft klager verzocht om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Dit verzoek is aan het begin van de (openbare) zitting behandeld. Na een korte schorsing van de zitting heeft het Centraal Tuchtcollege meegedeeld dat het verzoek wordt afgewezen. Die beslissing is als volgt toegelicht.
4.4 Het uitgangspunt is, mede gelet op artikel 6 EVRM, dat tuchtklachten tijdens een openbare zitting worden behandeld. Daarvan kan alleen worden afgeweken indien sprake is van gewichtige redenen (waaronder bescherming van privéleven en belangen van minderjarigen), genoemd in artikel 70 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het ter bewaking van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg van belang is dat de zaak in het openbaar wordt behandeld. De openbaarheid is er om het vertrouwen in het tuchtrecht te bevorderen. Er is geen sprake van gewichtige redenen als genoemd in artikel 70 lid 1 Wet BIG die een uitzondering op het openbaarheidsbeginsel rechtvaardigen.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de gz-psycholoog bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt gekeken naar de stand van wetenschap ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep de norm of standaard was, waaronder in ieder geval de richtlijn ‘Forensisch Psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht’ (2022) van het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie), hierna: de NIFP-richtlijn.
4.6 Daarnaast worden volgens vaste jurisprudentie de volgende eisen aan een rapportage gesteld:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de gz-psycholoog uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de gz-psycholoog in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
Klachtonderdelen a) en b): de omstandigheden tijdens de testen en de invloed daarvan op de resultaten, en de bejegening door de gz-psycholoog
4.7 Klager verwijt de gz-psycholoog met deze klachtonderdelen dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de stressvolle omstandigheden van klager ten tijde van het onderzoek en de invloed daarvan op de onderzoeksresultaten, namelijk de bedreigende en onveilige situatie van detentie en de claustrofobie waar klager last van heeft. Ook is klager van mening dat de
gz-psycholoog hem onvriendelijk en onnodig afstandelijk heeft benaderd. Hij weigerde om klager een hand te geven, er was geen wederkerigheid in het contact en klager is niet op zijn gemak gesteld.
4.8 De gz-psycholoog heeft onder meer naar voren gebracht dat hij zoveel als mogelijk neutraal is jegens elke justitiabele die hij onderzoekt, zo ook waar het klager betreft. Daarbij heeft hij vanuit zijn psychoanalytische achtergrond een zekere mate van afstandelijkheid gehanteerd. Hij herkent zich echter niet in het ontbreken van wederkerigheid in het contact.
4.9 Net als het Regionaal Tuchtcollege stelt het Centraal Tuchtcollege voorop dat klachten over de mondelinge communicatie en bejegening moeilijk op juistheid te beoordelen zijn, omdat het college van die communicatie geen getuige is geweest. Bij communicatie tussen leken en professionals bestaat er bovendien altijd een risico op elkaar verkeerd begrijpen. Dat risico is zeker voorstelbaar bij een onderzoekssituatie als de onderhavige, waar voor klager veel van afhangt.
4.10 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat het hanteren van een zekere mate van afstandelijkheid in het onderzoek naar een justitiabele wenselijk en gebruikelijk is voor de betrouwbaarheid van de resultaten. Uitgangspunt is dat de onderzoeker zich neutraal en terughoudend opstelt. Dat deze houding voor onderzochten onprettig aanvoelt is goed mogelijk, zo volgt ook uit hetgeen hiervoor in 4.9 overwogen, maar het is deels ook als zodanig bedoeld om een goed beeld van de onderliggende persoonlijkheidsstructuur van een onderzochte te krijgen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de omstandigheid dat klager de benadering van de gz-psycholoog als afstandelijk en onvriendelijk heeft ervaren, onvoldoende is om de gz-psycholoog daarvan objectief een tuchtrechtelijk verwijt te kunnen maken.
Wat betreft de omstandigheden tijdens het onderzoek en de invloed daarvan op de resultaten overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Klager en de gz-psycholoog verschillen van mening over de vraag of klager veel spanning heeft ervaren in de periode dat het onderzoek werd uitgevoerd. Klager heeft aangevoerd dat hij claustrofobisch is en dat hij de hele eerste periode in detentie als zeer stressvol, onveilig en bedreigend heeft ervaren. Hij voelde zich een zombie en reageerde op de automatische piloot, maar uit het rapport blijkt daarvan niets. Ook blijkt daaruit niet dat rekening is gehouden met de stressvolle omstandigheden waaronder klager sommige testen in zijn cel heeft gemaakt. De gz-psycholoog heeft aangevoerd dat klager zijn angstklachten ondanks navraag niet meer heeft genoemd tijdens het onderzoek, en dat deze hem ook niet op andere wijze duidelijk zijn geworden. De gz-psycholoog wijst er verder op dat het niet benoemen van de angstklachten door klager ook valt te verklaren uit het feit dat in het verslag van het trajectconsult staat dat klager later die middag over zou gaan naar een wat kleinere afdeling waar extra zorg is. Volgens de gz-psycholoog heeft klager ook geen bezwaar gemaakt tegen het maken van de testen in zijn cel.
In het rapport is een samenvatting opgenomen van het verslag van een psychiater die klager in het kader van het trajectconsult heeft gesproken aan het begin van zijn detentie. In die samenvatting staat onder andere: ‘Betrokkene heeft binnen de PI veel angstklachten’. In het rapport is niets vermeld over deze door de psychiater benoemde angstklachten noch over de invloed van de omstandigheden op de onderzoeksbevindingen, ondanks dat de claustrofobie wel wordt benoemd eerder in het rapport. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest als de gz-psycholoog hierop in ieder geval in de conclusie nog was teruggekomen, óók als volgens hem de omstandigheden niet van invloed waren op de onderzoeksresultaten. Dit is echter onvoldoende om de gz-psycholoog een tuchtrechtelijk verwijt te maken dat hij onvoldoende aandacht heeft gehad voor de invloed van de omstandigheden op de onderzoeksresultaten. Klachtonderdelen a en b zijn hiermee ongegrond.
Klachtonderdeel c): de wijze van afnemen van de psychologische testen
4.11 Met dit klachtonderdeel klaagt klager over de wijze waarop het testpsychologisch materiaal is uitgevoerd. De gz-psycholoog heeft naar voren gebracht dat de gebruikte psychologische testen standaard worden gebruikt en behoren tot de testbatterij van de ‘Dynamische Persoonlijkheids-diagnostiek’, die door het NIFP als professionele methodiek is erkend. Tijdens de zitting in beroep heeft de gz-psycholoog toegelicht hoe de testen zijn afgenomen.
4.12 Over de TAT (thematische apperceptietest) heeft het Regionaal Tuchtcollege overwogen dat de gz-psycholoog heeft bevestigd dat een heel korte instructie is gegeven en dat klager vervolgens is uitgenodigd om te vertellen wat zich afspeelt. Het Regionaal Tuchtcollege stelt vast dat daarmee een afwijkende instructie is gegeven dan behoort bij de TAT: een onderzochte behoort gevraagd te worden om zijn fantasie te gebruiken en een verhaal te vertellen over de afbeelding, wat eraan vooraf ging en hoe het afloopt en daarbij te vertellen wat elk personage op de foto voelt en denkt. De instructie die is opgenomen in de Handleiding TAT is daarmee veel uitgebreider en bevat meer vragen dan de instructie die aan klager is gegeven.
In beroep heeft de gz-psycholoog hierover naar voren gebracht dat de gz-psycholoog samen met de onderzoeksassistenten een werkboek heeft opgesteld waarin onder andere testinstructies staan beschreven. De testinstructie voor de TAT was door de gz-psycholoog aan de assistenten doorgegeven en zij hebben die zelf op schrift gesteld. De instructie heeft de gz-psycholoog bij het beroepschrift gevoegd. De assistenten hebben vervolgens de geschreven tekst voorgedragen aan klager, aldus de gz-psycholoog. De tekst van de instructie luidt (inclusief eventuele type-en spelfouten):
TAT
Ik ga u een aantal plaatjes laten zien. Ik zou graag willen dat u mij van alles verteld over het plaatje. Dat mag van alles zijn, alles wat er in u opkomt. Dit kan gaan over wat u ziet, wat u denkt dat er gebeurd en wat uw gevoel hierbij is. U mag ook aangeven wat u denkt dat er in het verleden is gebeurd of wat er in de toekomst zal gaan gebeuren (13 Plaatjes).
Mijn collega gaat letterlijk meeschrijven met wat u zegt. We zullen dus soms even wat tot zij uitgeschreven is en ik zal soms wat zinnen voor haar herhalen, maar laat u zich hierdoor niet afleiden.

Omdat de gz-psycholoog -onder verwijzing naar de overgelegde instructie- betwist dat klager bij de TAT alleen de vraag heeft gekregen: ‘Wat zie je hier?’, kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen welke instructie klager precies heeft gekregen. Dit onderdeel van de klacht kan het college dan ook niet gegrond verklaren.
4.13 Vaststaat dat klager een deel van het testpsychologisch onderzoek alleen op zijn cel heeft gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit ongebruikelijk is en dat hiermee is afgeweken van het uitgangspunt dat bij het invullen van zelfrapportagevragenlijsten toezicht wordt gehouden. De gz-psycholoog brengt hierover naar voren dat klager van tevoren heeft ingestemd met het maken van (een deel van) het testpsychologisch onderzoek alleen op de cel. Uit het rapport blijkt niet op welke manier de gz-psycholoog heeft ingeschat dat de betrouwbaarheid van de door klager ingevulde gegevens hierdoor niet zou worden aangetast, noch heeft de
gz-psycholoog hierover op een andere manier uitgelegd dat en waarom is afgeweken van het uitgangspunt. Dat klager met het maken van het onderzoek alleen op de cel heeft ingestemd, maakt het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet anders.
Het Centraal Tuchtcollege stelt verder vast dat op het invulformulier van de MMPI-test in elke antwoordkolom, waarin de mogelijke antwoorden ja, nee en een vraagteken staan, bij de eerste paar vragen de vraagtekens zijn doorgestreept. De gz-psycholoog heeft hierover verklaard dat op enig moment een collega, tevens autoriteit op dit gebied, heeft geïnstrueerd om te bekijken of beantwoording met een vraagteken achterwege kan blijven. Volgens haar zou door het vaak beantwoorden van de vragen met vraagtekens de uitkomst van de test minder goed bruikbaar zijn. De gz-psycholoog heeft verklaard dat hij daarom onderzochten instrueert om het vraagteken liever niet te gebruiken. Hij streept dan de eerste paar vraagtekens in de antwoordkolom door om duidelijk te maken wat hij bedoelt. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de gz-psycholoog hiermee de test zelfstandig heeft aangepast en is afgeweken van de gebruikelijke instructie, waardoor de uitkomsten van de test zijn beïnvloed. Dit kan de gz-psycholoog tuchtrechtelijk worden verweten. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat als een onderzochte veel vragen met een vraagteken beantwoordt de uitkomsten mogelijk minder goed bruikbaar zijn, maar de rapporteur dient in dat geval hierover een opmerking te maken in het rapport.
4.14 De conclusie is dat klachtonderdeel c gegrond is voor zover klager het onderzoek alleen op zijn cel zonder toezicht heeft gemaakt en voor zover klager is geïnstrueerd om bij de MMPI niet het vraagteken te omcirkelen.
Klachtonderdelen e) en f): de diagnoses pedofiele stoornis en autismespectrumstoornis
4.15 Met deze twee klachtonderdelen verwijt klager de gz-psycholoog dat hij ten onrechte de genoemde diagnoses bij klager heeft gesteld. Ten aanzien van de diagnose pedofiele stoornis is het Centraal Tuchtcollege, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de gz-psycholoog deze diagnose kon stellen. Niet is gebleken dat de gz-psycholoog de diagnose alleen op basis van de tenlastelegging heeft gesteld. Wel had hij deze diagnose beter in zijn rapport kunnen onderbouwen.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat niet wordt beoordeeld of de gestelde diagnose ook de juiste diagnose is, maar of de gz-psycholoog in redelijkheid tot de diagnose heeft kunnen komen.
4.17 Uit de rapportage volgt dat de gz-psycholoog de beschikking had over het politiedossier en over het verslag van het trajectconsult d.d. 15 augustus 2022. In het politiedossier stond onder meer vermeld dat klager in totaal 786 grafische bestanden met kinderporno naar zijn Google-account had geüpload (pagina 4 van de rapportage). Op grond hiervan, aangevuld met een in het politiedossier aanwezige verklaring van de toenmalige echtgenote van klager, overweegt de
gz-psycholoog dat volgens het politiedossier over langere tijd sprake is van recidiverend, intens gedrag met betrekking tot seksuele handelingen met prepuberale en puberale kinderen.
Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de gz-psycholoog hiermee de aanwezigheid van het beeldmateriaal, in combinatie met de verklaring van de echtgenote, voldoende acht om pedofilie vast te stellen, zonder dat er vastgesteld werd of er in concreto sprake is van seksuele opwinding bij klager bij het bekijken van de bestanden. De gz-psycholoog heeft dit aspect niet als zodanig in de rapportage benoemd. Het Centraal Tuchtcollege is dan ook van oordeel dat de gz-psycholoog in de rapportage onvoldoende heeft toegelicht dat en waarom hij, ondanks dat klager stelt geen seksuele spanning hierbij te ervaren, toch de diagnose pedofilie heeft gesteld. In beroep heeft de gz-psycholoog twee wetenschappelijke publicaties naar voren gebracht en toegelicht dat kinderpornobezit een diagnostische indicator van pedofilie is. Tevens heeft hij toegelicht dat hij, gelet op het gedurende vele jaren uploaden van een grote hoeveelheid bestanden, aannemelijk acht dat er bij klager wel sprake is van seksuele opwinding. Alles overziend is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de gz-psycholoog de diagnose pedofilie in redelijkheid kon stellen maar dat de onderbouwing van de diagnose in het rapport niet toereikend is, met name vanwege de ontkenning door klager van seksuele opwinding. De gz-psycholoog heeft in de rapportage hierover niets opgenomen, terwijl dat wel op zijn pad lag door bijvoorbeeld te benoemen dat hij dat niet heeft kunnen onderzoeken, maar wel aannemelijk achtte op grond van de door hem in beroep toegelichte reden. Daarbij had ook een verwijzing naar relevante wetenschappelijke artikelen gepast.
4.18 Over de diagnose autismespectrumstoornis (ASS) oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de gz-psycholoog niet in redelijkheid tot deze diagnose kon komen. Voor de diagnose ASS is vereist dat de symptomen al aanwezig waren in de vroege ontwikkelingsperiode. Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat de rapportage vermeldt dat er ‘geen aperte bijzonderheden in de ontwikkelingshistorie’ zijn. Weliswaar zijn er relevante testen gebruikt zoals de TAT, maar het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat vanuit de omgeving van klager geen eenduidig beeld naar voren kwam dat kon hebben bijgedragen aan de diagnose ASS. De ouders van klager beschreven hem niet als contactgestoord in zijn jeugd. Bovendien is één van de belangrijkste argumenten van de gz-psycholoog voor de diagnose geweest dat klager heeft benoemd zichzelf in autisme te herkennen. Op enkel deze herkenning van klager zelf kan geen sluitende diagnose worden gesteld, dat behoort nader te worden onderbouwd. Indien sprake is van afwijkende input of onvoldoende input om onmiskenbaar de diagnose ASS vast te stellen, waar in dit geval sprake van was, ligt het voor de hand om andere bronnen te raadplegen, in het geval van klager bijvoorbeeld zijn broer of zus.
4.19 Klachtonderdeel e) is ongegrond en klachtonderdeel f) is gegrond.
Klachtonderdeel d): vooringenomenheid en suggestieve bewoordingen
4.20 Klager verwijt de gz-psycholoog dat hij bevooroordeeld was, bij voorbaat de weergave van klager ongeloofwaardig vond en één en ander niet neutraal maar suggestief heeft verwoord. De gz-psycholoog betwist vooringenomen te zijn geweest. Hij kende klager voorafgaand aan het onderzoek niet en heeft ook geen enkel belang bij een bepaalde uitkomst van zijn onderzoek. Hij heeft klager behandeld op eenzelfde manier als alle andere justitiabelen die hij heeft onderzocht, aldus de gz-psycholoog.
4.21 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de gz-psycholoog over de verklaring van de ex-echtgenote onder differentiaal diagnostische overwegingen schrijft: ‘Ook zou betrokkene zich op onverholen wijze hebben beziggehouden met kinder-pornografisch materiaal en met langdurig en herhaald ‘spelen onder de douche’ met zijn oudste dochter.’ Uit de samenvatting van de verklaring van de ex- echtgenote bij de politie blijkt echter alleen dat zij heeft verklaard: ‘hij zat altijd tot 03:00 uur ’s nachts achter de computer’ en dat zij een keer is thuisgekomen van het werk en toen hoorde dat hij met zijn dochter aan het douchen was, en dat klager toen zei ‘dat hij het leuk vond om de haren van [zijn dochter] te kammen en met haar te spelen onder de douche.’ De
gz-psycholoog heeft met zijn weergave een andere samenvatting gegeven dan wat in de verklaring in het politiedossier staat. Door de zinsnede ‘spelen onder de douche’ tussen aanhalingstekens te plaatsen kan de gz-psycholoog bovendien de suggestie wekken dat sprake was van seksuele handelingen met de oudste dochter. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat deze bewoordingen niet neutraal zijn. Vooringenomenheid van de gz-psycholoog heeft het Centraal Tuchtcollege op basis van de rapportage of de overige stukken in het dossier en de behandeling op zitting niet kunnen vaststellen. Klachtonderdeel d) is dan ook gedeeltelijk gegrond.
Klachtonderdeel g): het behandeladvies
4.22 Klager verwijt de gz-psycholoog tot slot dat hij ten onrechte heeft geadviseerd om aan klager een intensieve en langdurige behandeling op te leggen.
4.23 Het behandeladvies vloeit voort uit de conclusies van het onderzoek en de gestelde diagnoses. Het Centraal Tuchtcollege heeft hiervoor onder 4.17 geoordeeld dat de gz-psycholoog in redelijkheid tot de diagnose pedofiele stoornis kon komen, maar dat de onderbouwing daarvan tekort schiet. De diagnose pedofiele stoornis vormt voldoende rechtvaardiging voor de geadviseerde behandeling. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
Conclusie en maatregel
4.24 Het voorgaande betekent dat het beroep van de gz-psycholoog slaagt, namelijk ten aanzien van klachtonderdelen a), b), e) en g) en deels wat betreft klachtonderdelen c) en d) zoals hiervoor onder 4.14 en 4.21 is vermeld.
Over de op te leggen maatregel overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft gelet op het grote aantal tekortkomingen, de zeer beperkte reflectie en de eerdere berisping een gedeeltelijke ontzegging opgelegd.
De klacht is in beroep nu op maar één onderdeel gegrond en op twee onderdelen gedeeltelijk gegrond bevonden. Verder is er sprake van enig tijdsverloop sinds de eerdere berisping. Gelet op de geconstateerde tekortkomingen in de rapportage is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval een berisping op zijn plaats is.
Publicatie
4.25 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere gz-psychologen die dergelijke onderzoeksrapportages opstellen hier mogelijk iets van kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover klachtonderdelen a) tot en met e) en g) in het geheel gegrond zijn verklaard, en voor zover de gz-psycholoog de bevoegdheid is ontzegd om deskundigenrapportages op te stellen; en doet voor dat deel opnieuw recht;
- verklaart klachtonderdelen a), b), e) en g) alsnog ongegrond; verklaart klachtonderdelen c) en d) gedeeltelijk gegrond zoals onder 4.14 en 4.21 is vermeld; legt daarvoor aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping op; verwerpt het beroep voor het overige;
- bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en de Psycholoog met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is genomen door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud en R.A. van der Pol, leden-juristen, en G.T.M. Mooren en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.