ECLI:NL:TGZCTG:2025:170 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2541

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:170
Datum uitspraak: 22-10-2025
Datum publicatie: 23-10-2025
Zaaknummer(s): C2024/2541
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen internist die woont en werkt op Curaçao. Het handelen waar de klacht op ziet heeft ook daar plaatsgevonden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft zich daarom onbevoegd verklaard om de klacht in behandeling te nemen. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het Regionaal Tuchtcollege zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om de klacht in behandeling te nemen. De tekst van de Wet BIG noch de toelichting op die wet of de wetgeschiedenis rechtvaardigen namelijk de conclusie dat de werking van de wet is beperkt tot handelingen of een hulpvraag binnen Nederland. Het Centraal Tuchtcollege doet vervolgens de klacht zelf af (ongegrond).

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2541 van:

A., wonende te B.,

appellante, klaagster in eerste aanleg,

hierna: klaagster,

tegen

C., werkzaam te D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de internist,

gemachtigde: mr. S. Pendjol.

1. Kern van de zaak

1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de internist. De internist woont en werkt op D. De internist heeft in de periode van 29 maart 2021 tot en met 14 mei 2021 de moeder van klaagster (patiënte) behandeld in het E. vanwege de diagnose kanker. Medio mei 2021 is patiënte met klaagster naar Nederland vertrokken. Vanaf dat moment is de internist niet meer betrokken geweest bij de behandeling van patiënte.

1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft geoordeeld dat het Regionaal Tuchtcollege kennelijk onbevoegd is om van de klacht kennis te nemen, omdat D. niet valt onder het rechtsgebied van de regionale tuchtcolleges.

2. Verloop van de procedure

2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7020 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:188). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het verweerschrift, het mailbericht van klaagster over de bevoegdheid van het Regionaal Tuchtcollege en de aanvullende stukken zoals ingediend door klaagster op 13 december 2024 en door de internist op 24 februari 2025.

2.3 De zaak is op de zitting van 25 augustus 2025 behandeld. Klaagster was aanwezig via beeldverbinding. De internist en zijn gemachtigde waren ook aanwezig.Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. Klaagster heeft op voorhand spreekaantekeningen ter beschikking gesteld. De spreekaantekeningen van de internist zijn na afloop van de zitting aan klaagster toegestuurd en aan het dossier toegevoegd.

3. Feiten

3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

3.2 De internist is internist-hematoloog/medisch oncoloog en woont en werkt op D.

3.3 De internist heeft in de periode van 29 maart 2021 tot en met 14 mei 2021 de moeder van klaagster (patiënte) behandeld in het E. vanwege de diagnose kanker. Bij patiënte was sprake van een stadium IV-carcinoom, wat betekent dat genezing niet meer mogelijk was.

3.4 Patiënte is van 19 tot en met 26 maart 2021 opgenomen geweest op de afdeling Interne Geneeskunde in verband met ascites (vocht in de buikholte). Op 20 maart 2021 vindt de eerste ascitesdrainage plaats via interne geneeskunde voordat oncologie in consult wordt gevraagd. Aansluitend werd patiënte enige tijd opgenomen op de afdeling oncologie.

3.5 Op 29/30 maart 2021 vindt het eerste contact tussen patiënte en de internist plaats.

Tijdens dit gesprek vertelt patiënte dat zij door een familielid ‘opgehaald’ zal worden om naar Nederland te gaan voor behandeling.

3.6 Op 30 maart 2021 wordt in het verpleegverslag het volgende genoteerd:
Dokter C. en dokter F. langs bij patiënt, hebben met patiënt gesproken en lichamelijke onderzoeken gedaan. Mevrouw is niet fit genoeg om een chemo kuur te kunnen opvolgen. Daardoor werd er beslist om een blijvende ascitis drain te geven zodat mevrouw niet telkens opgenomen moet worden voor eenmalig aftappen van ascitis drainage.”

3.7 De behandelaars plannen een controleafspraak om patiënte een week later terug te zien voor herbeoordeling. Bij ontslag op 31 maart 2021 noteert de internist: “wordt maandag opgehaald door dochter”.

3.8 Patiënte wordt op 31 maart 2021 besproken op het wekelijks palliatief MDO en wordt aangemeld voor thuiszorg via het palliatief team. Kort daarna wordt patiënte ontslagen uit het E. met een blijvende ascites drain. Ook hier is genoteerd: “gaat maandag met dochter naar Nederland.”

3.9 Op 7 april 2021 verschijnt patiënte op de geplande controleafspraak en wordt palliatieve hormoontherapie gestart.

3.10 Bij beoordeling een maand later blijkt sprake te zijn van een klinisch stabiele situatie, maar de conditie van patiënte is nog altijd zwak. De ascitesdrain (die verstopt zat vanwege zeer weinig ascites) wordt verwijderd.

3.11 Tijdens een belafspraak enkele dagen later is patiënte, in tegenstelling tot de dagen ervoor, hoorbaar kortademig. Patiënte vertelt dat zij die zondag naar Nederland zal reizen. De internist uit zijn zorgen met het oog op de reis, omdat hij patiënte benauwd vindt klinken. Hij vraagt haar met spoed te komen. De internist heeft de longarts stand by om pleuravocht te draineren. Een spoed CT-angiografie sluit longembolieën uit. Tijdens een daarop volgend gesprek met patiënte, haar partner en haar twee dochters wordt de achteruitgang van patiënte en de mogelijke complicaties van reizen in haar conditie besproken.

3.12 Op 19 mei 2021 reist patiënte naar Nederland. Vanaf dat moment is de internist niet meer betrokken bij de behandeling van patiënte.

3.13 Patiënte is in mei 2023 in Nederland overleden.

4. Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over

4.1 Klaagster verwijt de internist, naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt, dat hij:

  1. niet bevoegd was voor de behandeling van patiënte;
  2. een onjuiste diagnose heeft gesteld en de verkeerde behandeling heeft gestart;
  3. patiënte niet heeft verwezen voor behandeling in Nederland.

4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en aan de internist een maatregel wordt opgelegd.

4.3 De internist heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. De internist verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te bekrachtigen of terug te verwijzen naar het Regionaal Tuchtcollege.

4.4 Het Centraal Tuchtcollege dient eerst te beoordelen of het bevoegd is om de door klaagster ingediende klacht te beoordelen. Uitsluitend voor zover het Centraal Tuchtcollege bevoegd is om van de klacht kennis te nemen, dient het Centraal Tuchtcollege te beoordelen of de behandeling van de klacht moet worden terugverwezen naar het Regionaal Tuchtcollege of dat het Centraal Tuchtcollege de klacht zelf kan beoordelen.

Bevoegdheid van de Nederlandse Tuchtrechter

4.5 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de tekst van de Wet BIG noch de toelichting op die wet of de wetgeschiedenis dwingt tot de conclusie dat de werking van de wet is beperkt tot handelingen of een hulpvraag binnen Nederland. Voorts wordt overwogen dat de doelstelling van de Wet BIG is het beschermen van het belang van de Nederlandse gezondheidszorg. De tuchtrechtsspraak heeft tot doel het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de bescherming van de patiënt. Ook ten aanzien van de toetsing van door een BIG-geregistreerde arts buiten Nederland verrichtte handelingen (waaronder dus mede begrepen: nalaten) moet het oordeel zijn dat de Nederlandse gezondheidszorg daarbij belang heeft. Dat belang bestaat niet alleen in de bescherming van patiënten tegen onkundige/onzorgvuldige artsen die in Nederland werkzaam zijn of (op grond van hun BIG-registratie) kunnen zijn, maar ook in het kwaliteitsbelang van een BIG registratie, waarop derden mogen vertrouwen. De conclusie moet dus zijn dat de Wet BIG in beginsel ook van toepassing is “als de hulpvraag niet in Nederland maar in het buitenland” wordt gedaan.[1]

4.6 Gelet op het vorenstaande is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om kennis te nemen van de door klaagster ingediende klacht. Voor de toepasselijkheid van de Wet BIG is namelijk niet van belang waar de werkzaamheden zijn verricht. Dat betekent dat ook werkzaamheden van een BIG-geregistreerd arts in het buitenland vallen onder de reikwijdte van het Nederlandse tuchtrecht. Dat D. een eigen tuchtrechtelijke beoordeling kent, doet aan het voorgaande niet af, omdat de wetgever heeft beoogd dat zowel bij de Nederlandse als bij de buitenlandse tuchtrechter kan worden geklaagd.

4.7 Gelet op voorgaande heeft het Regionaal Tuchtcollege zich ten onrechte onbevoegd verklaard om de door klaagster ingediende klacht te beoordelen.

Terugverwijzen naar Regionaal Tuchtcollege?

4.8 De internist verzoekt het Centraal Tuchtcollege, in de situatie dat de Nederlandse tuchtrechter bevoegd is om de klacht te beoordelen, de behandeling van de klacht terug te verwijzen naar het Regionaal Tuchtcollege, omdat de internist recht heeft op de beoordeling van de klacht in twee instanties.

4.9 In artikel 73 lid 9 Wet BIG is te lezen dat, indien het Centraal Tuchtcollege het beroep gegrond verklaart dan wel bij de behandeling van het beroep op andere dan de in het beroepschrift aangevoerde gronden tot het oordeel komt dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan worden gehandhaafd, het Centraal Tuchtcollege deze beslissing vernietigt en de klacht zelf af doet.

4.10 Het Centraal Tuchtcollege zal op grond hiervan de klacht zelf beoordelen en hierop beslissen.

Toetsingskader

4.11 De vraag die het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen is of de internist de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ arts. Het gaat er niet om of de internist, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of hij bij de destijds bekende stand van zaken heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelend arts.

Klachtonderdeel 1. - niet bevoegd voor behandeling patiënte

4.12 Klaagster heeft in beroep aangevoerd dat zij ernstige twijfels heeft over de bevoegdheid van de internist voor de behandeling van patiënte. Ter onderbouwing heeft klaagster de authenticiteit van de registratie van de internist, gebaseerd op de certificaten die de internist heeft overgelegd, in twijfel getrokken. Klaagster wijst in dit kader op afwijkende geboortedata en voorletters op de verschillende certificaten, de chronologie van het behalen van de registratie in het Specialistenregister en de vestiging van de internist met zijn gezin op D. en de geldigheidsduur van de registratie als internist in het BIG-register.

4.13 De internist heeft de stellingen van klaagster gemotiveerd weersproken. De internist is sinds 20 oktober 1999 ingeschreven als ‘arts’ in het BIG-register. Sinds 2006 is de internist door de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten ingeschreven in het Specialistenregister met als specialisme interne geneeskunde. Dit is een apart register. De specialisatie interne geneeskunde betreft ook een wettelijk specialisme. De internist heeft zich binnen het specialisme interne geneeskunde vervolgens verdiept in twee aandachtsgebieden, namelijk hematologie en oncologie. Ook deze aandachtsgebieden zijn in een apart register opgenomen, namelijk in dat van de Nederlandse Internisten Vereniging. De internist is op grond van het voorgaande bevoegd om de specialisatietitel internist-medisch oncoloog te voeren en deze specialisatie in volle omvang uit te oefenen.

4.14 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat wat klaagster heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de internist niet bevoegd was voor de behandeling van patiënte. Integendeel: uit de door de internist overgelegde stukken blijkt dat de internist daarvoor wél bevoegd was. Dat niet op alle certificaten de juiste geboortedatum of juiste voorletters staan vermeld, is wellicht onzorgvuldig (van de uitgevende instantie), maar hieruit volgt niet dat de internist onbevoegd was om patiënte te behandelen.

4.15 Klachtonderdeel 1. is dus ongegrond.

Klachtonderdeel 2. - onjuiste diagnose en verkeerde behandeling gestart

4.16 Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aan dat op D. de diagnose endometriumcarcinoom (baarmoederkanker) is gesteld, terwijl in Nederland is gebleken dat patiënte een ovariumcarcinoom (eierstokkanker) had. De internist heeft vervolgens Megestrolacetaat Teva 160 mg tabletten aan patiënte voorgeschreven. Dit medicijn betreft, zo voert klaagster aan, een progestageen dat normaal wordt gebruikt bij hormoongevoelige tumoren, zoals borstkanker en baarmoederkanker, terwijl bij patiënte dus sprake was van een eierstokkanker. Er had volgens klaagster daarom moeten worden gestart met chemotherapie en niet met hormonale therapie. Dat dit een onjuiste behandeling was, blijkt volgens klaagster ook uit de omstandigheid dat patiënte in Nederland met diverse chemotherapieën nog twee jaar heeft geleefd.

4.17 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat klaagster (als direct familielid) veel kennis had van de achtergrond en ziektegeschiedenis van patiënte. Het is verdrietig dat klaagster haar moeder heeft verloren.

4.18 Uit de stukken blijkt echter ook dat patiënte een ernstige zieke vrouw van 74 jaar was, in een slechte conditie. Door meerdere andere medische problemen had patiënte een duidelijk hogere biologische leeftijd en was daarmee een kwetsbare oudere patiënte. Het Centraal Tuchtcollege wijst erop dat sprake was van een stadium IV-carcinoom, waarbij het ten tijde van de behandeling door de internist niet zeker was of de primaire tumor een endometrium of een ovariumcarcinoom betrof, en dat genezing niet meer mogelijk was. In samenspraak met het oncologisch team heeft de internist op verschillende momenten moeten vaststellen dat patiënte niet fit genoeg was om een intensief behandeltraject met chemotherapie te ondergaan. De beslissing om een hormonale behandeling (Megestrolacetaat tabletten) te starten oordeelt het Centraal Tuchtcollege in die omstandigheden een te verdedigen behandeling. Deze medicatie geeft, voor het geval er sprake was van het endometriumcarcinoom, kans op tijdelijke ziektecontrole zonder noemenswaardig risico op toxiciteit. Uit de stukken blijkt dat de internist deze beslissing ook uitvoerig met patiënte en haar familie heeft besproken. Tijdens de zitting heeft de internist bovendien verklaard dat hij in vloeiend Papiaments met patiënte heeft gesproken. Patiënte stond volgens de internist ook achter de door de internist voorgestelde behandeling.

4.19 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat uit de stukken blijkt dat de internist zorgvuldig te werk is gegaan. Op geen enkele wijze is gebleken dat de internist een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat achteraf is gebleken dat patiënte in Nederland chemotherapie heeft ondergaan en nog twee jaar heeft geleefd, maakt het voorgaande niet anders. De toetsing van het handelen van de internist vindt namelijk plaats op grond van wat hem op het moment van zijn handelen bekend was en bekend kon zijn.

4.20 Klachtonderdeel 2. is dus ongegrond.

Klachtonderdeel 3. - patiënte ten onrechte niet verwezen voor behandeling in Nederland

4.21 Klaagster voert tot slot aan dat de internist zijn zorgplicht heeft geschonden door patiënte niet te verwijzen dan wel uit te zenden voor behandeling in Nederland. Daardoor moest de noodzakelijke zorg buiten D. door de familie zelf worden geregeld en gefinancierd. De familie ziet zich hierdoor geconfronteerd met ziektekosten van patiënte van € 79.016,04.

4.22 De internist heeft aangevoerd dat de procedure tot medische uitzendingen die op D. wordt gehanteerd in spoedsituaties kan worden ingezet indien uitzending door twee artsen is beoordeeld en noodzakelijk wordt bevonden. In alle andere gevallen moet een uitzending worden geaccordeerd door de oncologiecommissie. Een verzoek tot uitzending wordt tijdens een van de wekelijkse MDO’s besproken en na akkoord kan deze worden aangevraagd, waarna het verzoek wordt beoordeeld door het medisch team van de ziektekostenverzekeraar. Zorg in het buitenland wordt echter alleen vergoed als de betreffende behandeling niet op D. beschikbaar is.

4.23 De casus van patiënte is op 11 juni 2021 besproken in het MDO, toen patiënte inmiddels al op eigen initiatief met klaagster naar Nederland gegaan was. Tijdens dit MDO waren elf stafleden aanwezig, onder wie vier oncologen, een AIOS oncologie uit het G. en een gynaecoloog-oncoloog. De internist (en zijn collega’s in het E.) hebben geconcludeerd dat zij voor patiënte geen medische uitzending konden aanvragen aangezien sprake was van een behandeling die ook op D. protocollair plaatsvindt.

4.24 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit het voorgaande niet volgt dat de internist op enig moment tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zoals al eerder is overwogen beoordeelde de internist de gezondheidstoestand van patiënte te zwak om een zwaar behandeltraject met chemobehandelingen aan te gaan. De internist kon voor patiënte bovendien geen verzoek indienen om patiënte naar Nederland uit te zenden nu dezelfde behandeling als in Nederland ook op D. beschikbaar was. De internist kan er tot slot niet persoonlijk tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor worden gehouden dat klaagster (en haar familie) desondanks hebben besloten om patiënte toch naar Nederland te verplaatsen en hier zijn geconfronteerd met hoge kosten.

4.25 Ook klachtonderdeel 3. is ongegrond.

Conclusie

4.26 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege vernietigen, verstaan dat het Regionaal Tuchtcollege zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard en de klacht ongegrond verklaren.

Proceskosten en schadevergoeding

4.27 Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding om de internist te veroordelen in de proceskosten, zoals door klaagster is verzocht. Voor zover klaagster heeft verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de Wet BIG geen mogelijkheid biedt tot het toekennen van een schadevergoeding.

Publicatie

4.28 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing en zal bepalen dat deze beslissing wordt bekend gemaakt zoals in het dictum staat vermeld.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

en doet opnieuw recht:

verstaat dat het Regionaal Tuchtcollege bevoegd was om kennis te nemen van de door klaagster ingediende klacht;

verklaart deze klacht in al haar onderdelen ongegrond;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is genomen door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter,

A.S. Gratama en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen, en R.H.H. Bemelmans en

I.K. van Groeningen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2025.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.

ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0528