ECLI:NL:TGZCTG:2025:164 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2584
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:164 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2025 |
| Datum publicatie: | 23-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2584 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige die al een aantal jaar werkzaam is als juridisch medewerker Bezwaar en Beroep. Hij heeft een bezwaarschrift van klager tegen een indicatiebesluit behandeld. Klager klaagt er onder meer over dat de verpleegkundige zonder toestemming van klager inzage heeft gehad in diens medische dossier en dat hij in het kader van de bezwaarprocedure heeft geweigerd een deskundig medisch advies op te vragen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat het handelen van de verpleegkundige niet valt onder de eerste of tweede tuchtnorm en verklaart klager daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2584 van:
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de verpleegkundige.
1. Kern van de zaak
1.1 De verpleegkundige is werkzaam als juridisch medewerker bij het E. (E.) en heeft een bezwaarschrift van klager tegen een indicatiebesluit van het E. behandeld. Klager klaagt erover dat de verpleegkundige zich ten onrechte heeft uitgegeven als BIG-geregistreerde arts en dat hij zonder toestemming van klager inzage heeft gehad in diens medische dossier. Ook stelt klager dat de verpleegkundige in het kader van de bezwaarprocedure heeft geweigerd een deskundig medisch advies op te vragen.
1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch heeft klager in zijn klacht kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en zal het beroep van klager verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van Regionaal Tuchtcollege te ‘s Hertogenbosch van 14 augustus 2024 met nummer H2024/7170. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 10 september 2025 behandeld. Klager en de verpleegkundige waren beiden aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn echtgenote F. en de verpleegkundige werd bijgestaan door mr. L.R.M. Kater. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van de verpleegkundige zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 De verpleegkundige is al een aantal jaar uitsluitend werkzaam als juridisch medewerker Bezwaar en Beroep bij het E. Zijn werkzaamheden bestaan uit het behandelen van bezwaarschiften op grond van de Wet langdurige Zorg. Hij staat als verpleegkundige geregistreerd in het BIG register.
3.3 Klager is sinds 2015 geïndiceerd voor een zorgprofiel op grond van de Wet langdurige Zorg (WLZ). In oktober 2023 heeft hij bij het E. een aanvraag ingediend voor een hoger zorgprofiel. Het E. besloot dat hij hier niet voor in aanmerking kwam. Klager heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. De verpleegkundige heeft dit bezwaar behandeld.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De verpleegkundige heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen.
Beoordeling
4.3 Voordat het Centraal Tuchtcollege inhoudelijk op de klachten kan ingaan, moet
het college de vraag beantwoorden of de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege
terecht heeft geoordeeld dat het handelen van de verpleegkundige niet valt onder de
eerste of de tweede tuchtnorm. Klager heeft in dit verband naar voren gebracht dat
het feit dat de verpleegkundige in het BIG register staat ingeschreven terwijl hij
uitsluitend werkzaam is bij het E. betekent dat het niet anders kan dan dat hij deze
werkzaamheden in zijn rol als verpleegkundige verricht en als zodanig tuchtrechtelijk
aangesproken kan worden.
De verpleegkundige heeft daar tegenin gebracht dat hij als juridisch medewerker
geen werkzaamheden verricht die passen bij de rol van verpleegkundige en dat zijn
hoedanigheid van verpleegkundige geen vereiste is voor de functie die hij heeft. Zijn
directe collega’s die hetzelfde werk doen, hebben een heel verschillende achtergrond.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de eerste tuchtnorm niet van toepassing is. Het Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en de onderbouwing daarvan over. Het staat ook niet ter discussie dat er tussen klager en de verpleegkundige geen behandelrelatie heeft bestaan.
4.5 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft naar het oordeel van het
Centraal Tuchtcollege ook terecht geoordeeld dat de tweede tuchtnorm niet van toepassing
is.
De tweede tuchtnorm omvat “enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen
een behoorlijke beroepsbeoefenaar betaamt” (artikel 47 lid1 onder b Wet BIG). Gedragingen
die niet zijn begaan in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde kunnen tuchtrechtelijk
worden getoetst wanneer sprake is van gedragingen die een gevaar voor patiënten kunnen
opleveren of die het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig kunnen schaden. Het
Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit hier niet aan de orde is. De verpleegkundige
was werkzaam als juridisch medewerker Bezwaar en Beroep bij het E. en heeft in die
rol het bezwaarschrift van klager op de bij het E. gebruikelijke wijze behandeld.
Zijn achtergrond als verpleegkundige speelde hierin geen rol. Het Centraal Tuchtcollege
merkt hierbij op dat voor het college vaststaat dat de verpleegkundige niet in die
hoedanigheid werkzaam was en dat het in deze procedure onduidelijk is gebleven op
basis waarvan de herregistraties in het BIG-register periodiek plaatsvonden. Het Centraal
Tuchtcollege kan zich daarom goed voorstellen dat dit tot verwarring bij klager heeft
kunnen leiden en dat klager aannam dat het handelen van de verpleegkundige tuchtrechtelijk
getoetst kon worden.
Voor het Centraal Tuchtcollege zijn bij de beoordeling van de ontvankelijkheid echter
de feitelijke werkzaamheden leidend en niet de registratie zodat het handelen van
de verpleegkundige niet kan worden getoetst aan de tweede tuchtnorm.
4.6 Het bovenstaande betekent dat het Centraal Tuchtcollege niet inhoudelijk kan ingaan op de klachten.
Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
E.F. Lagerwerf-Vergunst en R.H. Zuijderhoudt, leden juristen, D.A. Polhuis en L.
Maasdam,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing over de op 1 mei 2024 ontvangen klacht van:
A.,
wonende in B.,
klager,
tegen:
C.,
verpleegkundige,
werkzaam in D.,
verweerder.
1. De klacht en het verweer
1.1 Klager is sinds 2015 geïndiceerd voor een zorgprofiel op grond van de Wet
Langdurige Zorg (WlZ). In oktober 2023 heeft hij bij het E. (E.) een aanvraag ingediend
voor een hoger zorgprofiel. Het E. besloot dat klager niet voor het gewenste zorgprofiel
in aanmerking kwam. Tegen dit besluit heeft klager bezwaar aangetekend. Verweerder,
die binnen het E. werkzaam is als juridisch medewerker Bezwaar en Beroep, heeft het
bezwaar van klager in behandeling genomen en een voor klager negatieve beslissing
genomen. Klager klaagt erover dat verweerder zich heeft uitgegeven als BIG-geregistreerd
arts, terwijl hij alleen verpleegkundige is, en dat hij zonder toestemming van klager
inzage in het medisch dossier van klager heeft gehad. Ook stelt klager dat verweerder
in het kader van de bezwaarprocedure heeft geweigerd een deskundig medisch advies
op te vragen.
1.2 Verweerder stelt dat hij geen werkzaamheden heeft verricht in de hoedanigheid van verpleegkundige. In deze kwestie is hij werkzaam geweest als juridisch medewerker van het Team Bezwaar en Beroep van het E.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift, ontvangen op 1 mei 2024;
- de brief van 31 mei 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift;
- het verweerschrift.
3. De overwegingen
3.1 In artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) zijn twee normen geformuleerd waaraan het handelen of nalaten van een zorgverlener
kan worden getoetst. De eerste tuchtnorm heeft betrekking op tekortschieten ten opzichte
van een patiënt of de naaste betrekking van een patiënt. De tweede tuchtnorm betreft
gedragingen die niet onder de eerste norm vallen, maar in strijd zijn met hetgeen
een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Als algemene voorwaarde van het toepassen
van de tweede tuchtnorm geldt het al langer door het Centraal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg (CTG) gehanteerde weerslagcriterium. Dit houdt in dat het handelen
voldoende weerslag moet hebben op de individuele gezondheidszorg.
3.2 Vast staat dat tussen klager en verweerder geen behandelrelatie heeft bestaan. Verweerder heeft ook anderszins geen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verricht. Evenmin heeft hij de gezondheidstoestand van klager beoordeeld, wat op grond van artikel 7:446 lid 2 BW onder geneeskundig handelen valt en daarmee onder de eerste tuchtnorm zou kunnen worden geschaard. Dit betekent dat het handelen van verweerder niet kan worden getoetst aan de eerste tuchtnorm.
3.3 De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of het handelen van verweerder valt onder de tweede tuchtnorm.
3.4 Vast staat dat de onderhavige klacht zich richt tegen het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van juridisch medewerker Bezwaar & Beroep en niet in de hoedanigheid van verpleegkundige. Er is dan ook geen sprake van voldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat het handelen van verweerder ook niet kan worden getoetst aan de tweede tuchtnorm.
3.5 Aangezien het handelen niet kan worden getoetst aan artikel 47 van de Wet BIG, is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn klacht.
4. De beslissing
De voorzitter verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus gedaan op 14 augustus 2024 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, in tegenwoordigheid van M. van der Hart, secretaris.
secretaris voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG):
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring
kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het CTG, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te ‘s-Hertogenbosch. Het beroepschrift moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat het RTG de beslissing aan u heeft verstuurd.
Vanwege mogelijke vertraging bij de bezorging van post, kunt u uw beroep ook per e-mail indienen. Dan weet u zeker dat het RTG uw beroep op tijd ontvangt. U stuurt dan binnen die zes weken uw e-mail naar TG-DenBosch@minvws.nl. U moet het originele beroepschrift nog wel per post nasturen.
U hoeft bij uw brief of e-mail niet meteen de reden(en) van uw beroep op te geven. U ontvangt van het CTG bericht over de extra tijd die u krijgt om die redenen later toe te sturen.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het CTG. U ontvangt hierover bericht. Als u helemaal of voor een deel gelijk krijgt, ontvangt u het griffierecht terug.