ECLI:NL:TGZCTG:2025:16 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2364
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:16 |
---|---|
Datum uitspraak: | 13-01-2025 |
Datum publicatie: | 27-01-2025 |
Zaaknummer(s): | C2024/2364 |
Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
Inhoudsindicatie: | In 2014 was klager betrokken bij een ongeval, waarna hij lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn linker onderbeen. In verband met een letselschadezaak van klager werd een expertise-onderzoek uitgevoerd door een orthopedisch chirurg, met als doel het vaststellen van de blijvende gevolgen op orthopedisch gebied. De arts heeft een medisch advies geschreven naar aanleiding van dit onderzoek. Klager verwijt de arts onder andere dat zij ten onrechte uit het rapport van de orthopedisch chirurg heeft overgenomen dat er geen sprake was van botontkalking. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep tegen die beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2364 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., arts, destijds werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.
1. Procesverloop, leeswijzer en oordeel
Klager heeft op 15 september 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
in Zwolle een klacht ingediend tegen de arts. Dat college heeft in zijn beslissing
in raadkamer van 14 februari 2024 met nummer Z2023/6101, de klacht in al haar onderdelen
kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft tegen die beslissing op tijd beroep ingesteld.
De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 januari 2025
tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met zaak C2024/2365. De arts was met haar
gemachtigde aanwezig. Klager was zonder bericht van verhindering niet aanwezig. Het
Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling op 13 januari
2025 de zaak in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan.
Wat hierna volgt, is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep omdat het college het eens is met
de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. De inhoud van deze beslissing herhaalt
het Centraal Tuchtcollege hierna in paragraaf 2. In paragraaf 3 legt het Centraal
Tuchtcollege uit waarom het tot het oordeel komt dat het beroep ongegrond is.
Omdat het Centraal Tuchtcollege zich vrijwel geheel kan vinden in de overwegingen
van het Regionaal Tuchtcollege is deze uitleg beknopt.
2. Het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd:
“2. De zaak in het kort
Op 2 december 2014 was klager betrokken bij een ongeval, waarna hij lichamelijk
letsel heeft opgelopen aan zijn linker onderbeen. In verband met een letselschadezaak
van klager werd een expertise-onderzoek uitgevoerd door een orthopedisch chirurg,
met als doel het vaststellen van de blijvende gevolgen op orthopedisch gebied. Verweerster
heeft, op verzoek van medisch adviesbureau E., op 7 december 2021 een medisch advies
geschreven naar aanleiding van dit onderzoek.
3. De klacht en de reactie van de arts
3.1 Klager verwijt de arts dat zij:
a. ten onrechte uit het deskundigenrapport van de orthopedisch chirurg heeft
overgenomen dat er geen sprake was van botontkalking;
b. opzettelijk verkeerd advies heeft gegeven en klager opzettelijk medisch misleid
heeft;
c. zich opzettelijk grievend heeft uitgelaten tegenover klager;
d. twee jaar niet gereageerd heeft op de medisch adviseur van klager en op de
nieuwe bewijsstukken;
e. feitelijk onmogelijke uitspraken over CRPS heeft gedaan;
f. zich beestachtig heeft gedragen door het telefoongesprek te beëindigen toen
klager om haar BIG-registratienummer vroeg;
g. rapportages opzettelijk produceert onder haar meisjesnaam, om het indienen
van een tuchtklacht moeilijk te maken;
h. medische/financiële oplichting, in samenzwering met de orthopedisch chirurg,
jegens klager heeft gepleegd.
3.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 Ter beoordeling van de vraag of de rapportage van de arts voldoet aan de
daaraan te stellen eisen gelden volgens vaste tuchtrechtspraak de volgende criteria:
a. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het
berust;
b. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de
voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
c. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op
welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
d. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de
gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
e. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid
en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie
van de rapportage wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft
kunnen komen.
Klachtonderdeel a
4.2 Klager verwijt de arts dat zij ten onrechte uit het deskundigenrapport
van de
orthopedisch chirurg heeft overgenomen dat er geen sprake is van botontkalking.
Dit verwijt is niet terecht. De arts heeft uit het rapport overgenomen dat er op
de röntgenfoto geen aanwijzingen zichtbaar waren voor botontkalking. Dit is niet hetzelfde
als het vaststellen dat er geen botontkalking aanwezig is.
Klachtonderdeel a is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen b, c, e en f
4.3 Klager verwijt de arts dat zij opzettelijk verkeerd advies heeft gegeven
en klager daarmee opzettelijk medisch misleid heeft. Daarnaast verwijt hij de arts
dat zij zich opzettelijk grievend heeft uitgelaten tegenover hem, dat zij onmogelijke
uitspraken over CRPS heeft gedaan en dat zij zich beestachtig heeft gedragen over
de telefoon. Omdat deze klachtonderdelen samenhangen, zullen deze gezamenlijk worden
besproken.
De arts ontkent de aan haar gemaakte verwijten en herkent zichzelf hier niet in.
Omdat klager deze verwijten ook niet feitelijk heeft onderbouwd, kan het college niet
vaststellen dat de arts op deze punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdelen b, c, e en f zijn daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d
4.4 Klager verwijt de arts dat zij niet meer gereageerd heeft op zijn medisch
adviseur en de nieuwe bewijsstukken.
De arts heeft in haar verweerschrift toegelicht dat zij sinds twee jaar niet meer
werkzaam is voor de verzekeraar. Als er nog nieuwe stukken zijn aangeleverd dan is
dat dus niet bij haar terechtgekomen. Het college is daarom van oordeel dat het haar
tuchtrechtelijk niet verweten kan worden dat zij hierop niet gereageerd heeft.
Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g
4.5 Klager verwijt de arts dat zij opzettelijk rapportages onder haar meisjesnaam
produceert, terwijl zij met haar getrouwde naam in het BIG-register vermeld staat,
om het indienen van een klacht moeilijk te maken.
De arts geeft aan dat op het rapport alleen haar getrouwde naam vermeld staat
en niet haar meisjesnaam. Zij merkt op dat haar meisjesnaam ontbreekt, maar dat
dit zonder bijbedoeling is geweest.
Het college ziet in de beschikbare stukken geen aanknopingspunten om aan te nemen
dat er hier sprake is van meer dan een onachtzaamheid, die van ondergeschikt belang
is.
Hiermee is ook klachtonderdeel g kennelijk ongegrond.
Slotsom
Het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen.”
3. Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van
de feiten die zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege, met uitzondering van
de vaststelling dat verweerster haar medisch advies heeft geschreven op
7 december 2021. Dit moet 7 september 2021 zijn.
Standpunten partijen
3.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
en wil met zijn beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht in volle
omvang (her)beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart.
3.3 De arts kan zich vinden in het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en
verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
Inhoudelijk oordeel
Klachtonderdeel a
3.4 Klager verwijt de arts dat zij ten onrechte uit het deskundigenrapport van
de
orthopedisch chirurg heeft overgenomen dat er geen sprake is van botontkalking.
3.5 Het Centraal Tuchtcollege deelt het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
dat dit verwijt niet terecht is. De orthopedisch chirurg heeft in zijn rapport niet
gesteld dat er geen sprake is van botontkalking, maar alleen dat de röntgenfoto’s
van onder meer 26 januari 2021 van beide voeten een symmetrisch aspect tonen, geen
ossale afwijkingen en met name geen kenmerken van dystrofie of anderszins ontkalking.
De arts heeft op haar beurt niet in haar advies genoteerd dat er volgens de orthopedisch
chirurg geen sprake is van botontkalking, maar dat de orthopedisch chirurg hier geen
aanwijzingen voor zag. Gelet op de voornoemde bevindingen van de orthopedisch chirurg
heeft de arts dit terecht geconcludeerd.
Klachtonderdelen b t/m h
3.6 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal
Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege ook de klachtonderdelen
b t/m h terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat
de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen
en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege, en neemt datgene wat het Regionaal
Tuchtcollege in overweging 4.3 t/m 4.5 heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het
Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat
het medisch advies van de arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen en de arts
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft
niet expliciet overwogen op basis waarvan het klachtonderdeel h ongegrond acht. Het
Centraal Tuchtcollege overweegt over dit klachtonderdeel dat het medisch dossier en
de overige stukken geen enkel aanknopingspunt bieden voor de stelling van klager dat
er sprake was van medische/financiële oplichting en/of van een samenzwering tussen
de arts en de orthopedisch chirurg. Dit klachtonderdeel is dan ook terecht ongegrond
verklaard.
Conclusie
3.7 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege
de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klager
wordt verworpen.
4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door Z.J. Oosting, voorzitter; Y. Buruma en H.M. Wattendorff,
leden-juristen en J.H.M. de Brouwer en W.J. Rijnberg, leden-beroepsgenoten en bijgestaan
door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.