ECLI:NL:TGZCTG:2025:148 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2654

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:148
Datum uitspraak: 25-08-2025
Datum publicatie: 27-08-2025
Zaaknummer(s): C2024/2654
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen orthopedisch chirurg. Klager heeft na een ongeval in 2002 klachten aan zijn linkerbeen waarvan hij veel beperkingen ondervindt. Klager werd door de huisarts in 2018 verwezen naar de arts orthopedisch chirurg. De arts heeft een poliklinisch consult gehad met klager en de conclusie was dat hij orthopedisch gezien niet zoveel voor klager kon doen. Daarom verwees hij klager terug naar het spreekuur van de huisarts, om te bespreken of verwijzing naar de vaatchirurg nog zinvol was. Klager verwijt de arts kort gezegd dat hij a) onvoldoende heeft gecommuniceerd en onjuiste informatie heeft verstrekt, b) een onterechte diagnose heeft gesteld, c) tijdens de klachtafhandeling niet met klager zelf heeft willen spreken en d) niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard en daarvoor de maatregel van een waarschuwing aan de arts opgelegd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de klachtonderdelen a, c en d. Het beroep heeft tot doel dat die klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt overeenkomstig het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2654 van:

C., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager, gemachtigde: mr. E.M. Diesfeldt, werkzaam te Heiloo,

tegen

A., orthopedisch chirurg, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, hierna: de arts, gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.

1. Kern van de zaak

1.1       Klager heeft na een ongeval in 2002 klachten aan zijn linkerbeen waarvan hij veel beperkingen ondervindt. Klager werd door de huisarts in 2018 verwezen naar de arts, orthopedisch chirurg. De arts heeft op 25 juli 2018 een poliklinisch consult gehad met klager. De klacht gaat over het handelen van de arts tijdens en na dat consult. De conclusie van de arts was dat hij orthopedisch gezien niet zoveel voor klager kon doen. Daarom verwees hij klager terug naar het spreekuur van de huisarts, om te bespreken of verwijzing naar de vaatchirurg zinvol was.

1.2       Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard en daarvoor de maatregel van een waarschuwing opgelegd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen en zal dat hieronder toelichten.

2. Verloop van de procedure

2.1      Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle met nummer Z2023/6683 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:116). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2      Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift van klager en het verweerschrift in beroep van de arts.

2.3      De zaak is op de zitting van 7 juli 2025 behandeld. Daar waren aanwezig klager, bijgestaan door mr. Diesfeldt, en de arts, bijgestaan door mr. Hielkema.Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van de gemachtigden zijn aan het dossier toegevoegd.

3. Feiten

3.1       Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2       Klager werd bij brief van 13 juli 2018 door de huisarts verwezen naar de arts, orthopedisch chirurg. In deze brief stond (alle citaten opgenomen inclusief eventuele taal- en spellingsfouten):

“Graag uw hulp bij al lang bestaande maar toenemende klachten van het linker onderbeen, post-traumatisch. Dhr zou graag willen weten welk probleem in dit been nou de veroorzaker is (hoofdzakelijk) van de pijn? Doet al met steunkous zijn best oedeem te bestrijden. Einde van de dga de meeste klachten, slaapt er nog wel goed bij. Wellicht tot fascie defect met stuwing klachten gevende? Of toch vooral stand en dysbalans in belasting? Heeft u adviezen om hier optimaal mee om te gaan. Reeds een opiaat probleem, dus liever geen extra pijnstillers.”

3.3       (Uitsluitend) op 25 juli 2018 heeft de arts een poliklinisch consult gehad met klager. De conclusie van de arts was toestand na open crurisfractuur links waarbij het bot genezen was maar nog veel weke delen problemen waren. De arts noteerde bij ‘beleid’ dat hij orthopedisch gezien helaas niet zoveel voor klager kon doen. Daarom verwees hij klager terug naar het spreekuur van de huisarts, om te bespreken of verwijzing naar de vaatchirurg nog zinvol was. Uit lichamelijk onderzoek kwam naar voren dat sprake was van lichte bowing in het onderbeen en veneuze insufficiëntie. Bij ‘röntgenonderzoek’ noteerde de arts dat sprake was van lichte bowing maar genezen fractuur. Er was geen aanwijzing voor osteomyelitis of andere zaken. Onder ‘gekoppelde DBC-zorgtrajecten’ stond: “posttrombotisch syndroom li na open crurisfactuur”. In de bezoeksamenvatting van dit consult stond onder behandelde problemen: ‘posttrombotisch syndroom’.

3.4       In het verslag van de radioloog van 24 juli 2018 stond:

“X-onderbeen links.
Status na doorgemaakte crurisfactuur in het verleden. Geconsolideerd. Lichte angulatiestand. Verder ossaal geen bijzonderheden.”

3.5       Klager zag vervolgens meerdere keren een vaatchirurg. Op 21 juli 2022 liet het D. te E. weten klager te adviseren conservatief te behandelen. Op 2 mei 2023 berichtte het F. dat klager werd gecontroleerd voor een veneuze stent links iliacaal geplaatst op 23 februari 2023. Op 22 mei 2023 ontving de vaatchirurg een brief van het F.. In deze brief stond bij algemene voorgeschiedenis onder meer vermeld: “maart 2011 posttrombotisch syndroom van het obstructieve en reflux type”.

3.6       In januari 2023 nam klager telefonisch contact op met de polikliniek met vragen over de diagnose posttrombotisch syndroom. In het dossier staat:

Overleg gehad met dr [RTG: naam verweerder]. Meneer wil namelijk graag weten wie het volgende probleem in zijn probleemlijst heeft gezet: Posttrombotisch syndroom Li na open crurisfractuur. Uitgelegd dat dr [RTG: naam verweerder] dit niet heeft gediagnosticeerd. Meneer geeft wel aan trombose gehad te hebben na zijn fractuur. Meneer blijft erbij dat dr [RTG: naam verweerder] dit in zijn dossier heeft gezet. Want dit geeft ook dr [RTG: naam andere arts] aan. Ik heb meneer geadviseerd een klacht in te dienen om de onderste steen boven te krijgen.”

3.7       Op 5 maart 2023 stuurde klager per e-mail een klacht aan de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Deze stelde op 24 april 2023 de betrokken specialisten op de hoogte. Tussen klager, de klachtenfunctionaris en de arts was contact vanwege de registratie van PTS in het dossier van klager. Tussen 15 juni 2023 en 6 november 2023 nam klager geen contact meer op. Op 6 november 2023 nam klager per e-mail contact op met de raad van bestuur. Klager had in december een gesprek met de klachtenfunctionaris. Deze functionaris benaderde de arts met de vraag of hij in gesprek zou willen gaan met klager. Daarop antwoordde hij bevestigend. De klachtenfunctionaris legde een aantal data aan klager voor met een uitnodiging, waarop hij niet reageerde. Klager diende vervolgens onderhavige klacht in.

4. Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over?

4.1      Klager verwijt de arts dat hij:

a) onvoldoende heeft gecommuniceerd en onjuiste informatie heeft verstrekt. De orthopedisch chirurg heeft dejuiste diagnose (PTS) vastgelegd in het dossier maar nagelaten dit met klager te bespreken,

b) een onterechte diagnose met betrekking tot het breukherstel van zijn linker onderbeen heeft gesteld,

c) in de klachtafhandeling niet met klager zelf heeft willen spreken en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor de notitie van PTS in de bezoeksamenvatting, en

d) niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht.

4.2      Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de klachtonderdelen a, c en d. Het beroep heeft tot doel dat die klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard. Klachtonderdeel b is in deze zaak in beroep daarom niet meer aan de orde.

4.3      De artsheeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep van klager te verwerpen.

Ontvankelijkheid van het beroep

4.4       Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

Klachtonderdeel a

4.5       In de verwijsbrief van de huisarts van 13 juli 2018 wordt benoemd dat klager al lang bestaande maar toenemende klachten heeft van zijn linker onderbeen, post-traumatisch. De huisarts vroeg aan de arts welk probleem in dit been de veroorzaker (hoofdzakelijk) is van de pijn. De verwijzing van de huisarts naar de arts was er dus op gericht om de klachten die samenhingen met dit been nader te onderzoeken. Op 25 juli 2018 heeft de arts een poliklinisch consult gehad met klager en diezelfde dag heeft hij naar aanleiding van dat consult een brief aan de huisarts gestuurd. In de bijlage van die brief staat vermeld: “Lichamelijk onderzoek: Lichte bowing in onderbeen. Veneuze insufficientie” en “Röntgenonderzoek: Lichte bowing maar genezen fractuur. Geen aanwijzingen osteomyelitis of andere zaken”. Als conclusie schrijft de arts: “tst na Open crurisfractuur links waarbij bot genezen is maar heeft nog veel weke delenproblemen”. Verder gaf de arts aan dat hij orthopedisch gezien niet zoveel voor klager kon doen en hij verwees klager naar het spreekuur van de huisarts om te bespreken of verwijzing naar de vaatchirurg zinvol was. Het is aannemelijk – en dat wordt ook niet door klager weersproken – dat de arts een en ander op begrijpelijke wijze met klager heeft besproken en dat hij tegen klager heeft gezegd waar volgens hem de hoofdoorzaak van de beenklachten van klager was gelegen. Dat de arts in die communicatie tekort is geschoten is niet gebleken. De term ‘posttrombotisch syndroom’ hoefde hij in die communicatie niet letterlijk te benoemen. Dat was namelijk niet een door de arts gestelde diagnose. Het Centraal Tuchtcollege gaat ervan uit dat de term ‘posttrombotisch syndroom’ in het medisch dossier van klager terecht is gekomen doordat de arts een registratiecode heeft moeten invullen. Gelet op zijn bevindingen kan het Centraal Tuchtcollege zich voorstellen dat de arts heeft gekozen voor de code ‘posttrombotisch syndroom’. Het invoeren van zo’n code heeft evenwel louter administratieve doeleinden en hoefde daarom niet met klager te worden gedeeld. Met het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dus dat klachtonderdeel a ongegrond is. 

4.6       Voor zover klachtonderdeel a ook inhoudt dat de arts klager ten onrechte niet heeft doorverwezen oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de arts, door klager te verwijzen naar het spreekuur van de huisarts om te bespreken of verwijzing naar de vaatchirurg zinvol was, op een juiste en zorgvuldige manier heeft gehandeld. Ook in zoverre is de klacht ongegrond.  

Klachtonderdelen c en d

4.7       Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de beschouwingen en beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de klachtonderdelen c en d, zoals weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.5 en 5.6. Het Centraal Tuchtcollege neemt die overwegingen over. Dat wat klager in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat ook de klachtonderdelen c en d ongegrond zijn.

Conclusie

4.8       De conclusie is dat het beroep van klager wordt verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter,

M.W. Zandbergen en R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen, en N.R.A. Baas en W.J. Rijnberg,

leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2025.

                        Voorzitter   w.g.                                              Secretaris  w.g.