ECLI:NL:TGZCTG:2025:145 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2867

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:145
Datum uitspraak: 25-08-2025
Datum publicatie: 27-08-2025
Zaaknummer(s): C2025/2867
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek gericht tegen twee leden-beroepsgenoten. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 63 Wet BIG, in de zaak onder nummer C2024/2656 ingediend door:

A., wonende te B., verzoeker.

1. Verloop van de procedure

1.1      A. - hierna verzoeker - heeft op 18 december 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam een orthopedisch chirurg - hierna de arts - een klacht ingediend. De klacht ziet op een door de arts opgemaakt deskundigenrapport in een letselschadezaak. Verzoeker heeft bezwaren tegen de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen. Bij beslissing van 22 november 2024, onder nummer A2023/6735, heeft het Regionaal Tuchtcollege beslist dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

1.2      Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. In beroep wordt deze zaak aangeduid met nummer C2024/2656. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Vervolgens is de behandeling van de zaak gepland op de zitting van 7 juli 2025. In de definitieve uitnodiging voor die zitting stond vermeld hoe het college op de zitting van 7 juli 2025 zou zijn samengesteld. In een e-mailbericht d.d. 16 juni 2025 liet de gemachtigde van de arts, mr. M.J. de Groot, weten dat de arts zakelijke verbanden heeft (gehad) met beide leden-beroepsgenoten, N.R.A. Baas en W.J. Rijnberg. Naar aanleiding van dit bericht heeft verzoeker in zijn e-mailbericht van 3 juli 2025 de wraking verzocht van die leden-beroepsgenoten. In zijn brief van 3 juli 2025, ontvangen op 7 juli 2025, en in zijn e-mailbericht van 4 augustus 2025 heeft verzoeker het verzoek tot wraking nader toegelicht. 

1.3      Hierop is een wrakingskamer samengesteld bestaande uit de leden Z.J. Oosting, voorzitter, en B.J.M. Frederiks en T.W.H.E. Schmitz, leden juristen, en de datum van de behandeling van het wrakingsverzoek is bepaald op 13 augustus 2025. De wrakingszaak wordt aangeduid met nummer C2025/2867. Op 13 augustus 2025 is het wrakingsverzoek op een openbare zitting behandeld. Verzoeker is op die zitting, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

1.4       De leden-beroepsgenoten Baas en Rijnberg hebben schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Zij hebben aangegeven niet in de wraking te berusten.

2.         Beoordeling van het verzoek tot wraking

2.1       De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek van 3 juli 2025 en de nadere toelichting daarop. Verzoeker voert aan dat de leden-beroepsgenoten Baas en Rijnberg over onvoldoende distantie tot de arts beschikken om haar professioneel handelen te kunnen beoordelen; Baas omdat hij de opleider is geweest van de arts en Rijnberg omdat hij net als de arts werkzaam is voor C..

2.2       Lid-beroepsgenoot Baas schrijft in zijn reactie dat de arts gedurende een jaar in de periode 2012-2013 in opleiding was in het D.-Ziekenhuis, waar hij – Baas – destijds als staflid werkzaam was. Baas was niet de opleider, maar wel onderdeel van de maatschap van elf orthopeden die de opleiding tot orthopedisch chirurg faciliteerde. Na het jaar van de arts in het D.-Ziekenhuis heeft Baas de afgelopen twaalf jaren geen contact gehad met de arts.

2.3       Lid-beroepsgenoot Rijnberg geeft aan dat hij inderdaad net als de arts is verbonden aan Expertisebureau C., in welke functie hij af en toe wordt gevraagd als onafhankelijk deskundige een expertise te schrijven. Er werken tientallen specialisten voor C. en zij hebben daarin nooit met elkaar te maken gehad. Verder geeft Rijnberg aan dat hij op 13 en 14 maart 2025 een voordracht heeft gehouden op een cursus, waar de arts als cursist aanwezig was. Rijnberg weet wie de arts is, maar zij hebben verder geen enkel contact. Alle orthopeden zijn lid van de Nederlandse Orthopedische Vereniging, waar zij elkaar eventueel ontmoeten.

2.4       Op grond van artikel 63 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een lid van een tuchtcollege worden gewraakt indien er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Aan de orde is de vraag of hiervan bij de behandeling van de klacht van verzoeker in beroep, in de zaak C2024/2656, sprake is. Uitgangspunt is dat een lid van het Centraal Tuchtcollege uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het lid jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken.

2.5       Ten aanzien van lid-beroepsgenoot Baas overweegt de wrakingskamer dat, gelet op de schriftelijke reactie van Baas, niet kan worden vastgesteld dat hij de opleider van de arts is geweest. Baas heeft wel contact gehad met de arts, maar de wrakingskamer ziet niet in waarom dat contact – dat overigens twaalf jaren geleden plaatsvond – de schijn zou kunnen wekken dat Baas de zaak C2024/2656 niet onpartijdig of met vooringenomenheid zal behandelen.

2.6       Ten aanzien van lid-beroepsgenoot Rijnberg overweegt de wrakingskamer het volgende. Het enkele feit dat Rijnberg net als de arts is verbonden aan C., zonder dat er daarbij tot op heden enige vorm van onderling contact of samenwerking bestaat, is onvoldoende voor het oordeel dat zich feiten en omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Datzelfde geldt voor de door Rijnberg genoemde omstandigheid dat hij een voordracht heeft gegeven waar de arts als cursist aanwezig was; dit komt regelmatig voor in de beroepsgroep en het betekent geenszins dat Rijnberg daardoor de zaak C2024/2656 niet onpartijdig of met vooringenomenheid zal behandelen.

2.7       Concluderend oordeelt de wrakingskamer dat het door verzoeker aangevoerde geen zwaarwegende redenen oplevert voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid van de gewraakte leden-beroepsgenoten. Dit betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

3.         Beslissing

De wrakingskamer van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: wijst af het verzoek tot wraking van N.R.A. Baas en W.J. Rijnberg, leden-beroepsgenoten; bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; beveelt dat de secretaris van de wrakingskamer onverwijlde mededeling doet aan verzoeker, de - vergeefs gewraakte – leden-beroepsgenoten van het college en de arts.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, B.J.M. Frederiks en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2025.

                        Voorzitter  w.g.                                               Secretaris  w.g.