ECLI:NL:TGZCTG:2025:143 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2813

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:143
Datum uitspraak: 13-08-2025
Datum publicatie: 13-08-2025
Zaaknummer(s): C2025/2813
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klager is in 2012 in behandeling geweest bij de oogarts voor problemen met zijn ogen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege  heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht vanwege overschrijding van de tienjaarstermijn. Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing omdat hij meent dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit door het schriftelijk en aangetekend versturen van een stuitingsverklaring. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege.

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2813 van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager, 
tegen
C., oogarts, destijds werkzaam in D., verweerder in beide instanties, hierna: de oogarts.

1.    Waar gaat de zaak over?
1.1    Klager is in 2012 in behandeling geweest bij de oogarts voor problemen met zijn ogen. Hij is hiervoor op 13 juli, 15 augustus en 14 september 2012 bij de oogarts geweest. Volgens klager zijn de problemen met zijn ogen na de behandeling toegenomen. 
1.2    De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht vanwege overschrijding van de tienjaarstermijn. Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing omdat hij meent dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit door het schriftelijk en aangetekend versturen van een stuitingsverklaring op 30 juni 2022. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.

2.    Verloop van de procedure in beroep 
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 2 mei 2025 met nummer A2025/8076. Deze beslissing is als bijlage aan deze beslissing gehecht. 
2.2    De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg en het beroepschrift met bijlagen.
3.     De feiten
3.1    Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende feiten.
3.2     Klager is in 2012 in behandeling geweest bij de oogarts voor problemen met zijn ogen. Volgens klager heeft hij op 13 juli, 15 augustus en 14 september 2012 contact gehad met de oogarts waarbij hem injecties met Sandostatine LAR (30mg per injectie) zijn voorgeschreven. Volgens klager zijn de problemen met zijn ogen na deze behandeling toegenomen. Klager ging steeds slechter zien en kreeg wisselende gezichtsvelden. 
3.3    Op 30 juni 2022 heeft klager een (aangetekende) brief verzonden naar het ziekenhuis waar de oogarts toen werkzaam was, ter attentie van de oogarts. In die brief heeft klager geschreven: “gezien de corruptie van u betreffende mijn ogen stuit ik de zaak tegen u”. 

De beoordeling
4.1    Klager is het niet eens met het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht is verjaard. Klager stelt dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit door op 30 juni 2022 een schriftelijke en aangetekende stuitingsverklaring te sturen aan het ziekenhuis waar de oogarts toen werkte ten aanzien van de oogarts. Klager stelt dat zijn klacht door deze stuiting niet is verjaard en zodoende ontvankelijk is.
4.2     De voorzitter begrijpt uit de klacht en de toelichting dat de oogproblemen van klager hem ernstig belemmeren in zijn dagelijks functioneren en dat hij de oogarts hiervoor verantwoordelijk houdt. De voorzitter kan echter niet inhoudelijk op de klachtonderdelen ingaan omdat zij net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van oordeel is dat de klacht is verjaard. In artikel 65 lid 5 van de Wet BIG is een verjaringstermijn opgenomen. De bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift vervalt na tien jaar na de dag van het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd. De tekst van dit artikellid is slechts voor één uitleg vatbaar; de wetgever heeft hier een fatale termijn in het leven geroepen. Dit betekent dat deze termijn niet kan worden gestuit. De reden daarvoor is vermeld in de memorie van toelichting onder artikel 67 van de Wet BIG: “Het lijkt niet redelijk dat ook na verloop van die termijn – daargelaten de vraag of terzake nog voldoende bewijs kan worden geleverd – beweerde tekortkomingen van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen nog tuchtrechtelijk kunnen worden berecht.” Anders dan klager aanneemt is artikel 3:317 BW niet van toepassing. Een tuchtklacht is namelijk geen rechtsvordering.
4.3    Nu het klaagschrift op 23 januari 2025 is ingediend, kan uitsluitend het handelen van de oogarts vanaf 23 januari 2015 worden beoordeeld. Aangezien klager klaagt over handelen van de oogarts dat ruimschoots hiervoor heeft plaatsgevonden, is de klacht verjaard. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege de klacht niet inhoudelijk kan beoordelen.
4.4    Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen. 
    
5.    Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

                wijst het beroep af.
Aldus genomen op 23 juli 2025 en ondertekend door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door 
mr. K.M. ten Pas, secretaris. 
            
Voorzitter w.g.                Secretaris  w.g.


Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.


A2025/8076
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG 
AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 2 mei 2025 naar aanleiding van de klacht van:
A., wonende te B., klager, tegen C., oogarts, destijds werkzaam te D., verweerder.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 23 januari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 1 april 2025.
1.    De overwegingen
    2.1    De voorzitter heeft beoordeeld of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De 
voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. 'Kennelijk' betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende van belang.
    2.2    Klager is in behandeling geweest bij verweerder voor problemen met zijn ogen.
Klager stelt dat deze behandeling bestond uit drie injecties in drie maanden. Volgens klager zijn de problemen met zijn ogen na deze behandeling toegenomen. Klager ging steeds slechter zien en kreeg wisselende gezichtsvelden. Klager maakt verweerder meerdere verwijten.
    2.3    In de aanvulling op zijn klacht heeft klager verklaard dat het handelen van verweerder heeft plaatsgevonden op 13 juli, 15 augustus en 14 september 2012.
Dit betekent dat er een periode van meer dan tien jaren verstreken is sinds het gestelde handelen of nalaten heeft plaatsgevonden. In het tuchtrecht voor de gezondheidszorg geldt een termijn van tien jaar om te klagen over het handelen of nalaten van een zorgverlener. Deze termijn begint te lopen op de dag nadat dit handelen heeft plaatsgevonden of - als sprake is van nalaten - had moeten plaatsvinden. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer inhoudelijk worden beoordeeld. Dit is een harde regel, waarvan ook niet kan worden afgeweken als de klager goede redenen had om de klacht zo laat in te dienen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.
Daarom is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
3. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 2 mei 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door
R. van der Vaart, secretaris.