ECLI:NL:TGZCTG:2025:142 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2732
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:142 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2732 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts op de huisartsenpost. De broer van klager (patiënt) is ‘s nachts met pijnklachten naar de huisartsenpost gegaan. Na onderzoek door de huisarts kreeg hij pijnmedicatie en medicatie tegen misselijkheid en braken toegediend en mocht hij naar huis. In de loop van de ochtend verslechterde de situatie van patiënt en is hij overleden. Klager verwijt de huisarts nalatigheid en stelt dat hij patiënt naar het ziekenhuis had moeten verwijzen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Hert Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2732 van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., huisarts, destijds werkzaam in B., verweerder in beide instanties, hierna: de
huisarts, gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam in Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 De broer van klager (hierna: patiënt) is op 23 april 2019 ’s nachts met pijnklachten
naar de huisartsenpost gegaan. Na onderzoek door de huisarts kreeg hij medicatie toegediend
en mocht hij naar huis. In de loop van de ochtend verslechterde de situatie van patiënt
en is hij overleden. Klager verwijt de huisarts nalatigheid en stelt dat hij patiënt
naar het ziekenhuis had moeten verwijzen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht kennelijk
ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en zal
het beroep van klager verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te ’s Hertogenbosch met nummer H2024/6868 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:9). De beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal
Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden
en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 16 juli 2025 behandeld. Klager en de huisarts
waren beiden aanwezig. De huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.H.N.
Keuning-Taapken. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het
college beantwoord. De spreekaantekeningen van klager en van de gemachtigde van de
huisarts zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
3.2 In de nacht van 23 april 2019 kwam patiënt (geboren in 1959) om 04:39 uur
naar de
huisartsenpost met krampende pijnen op de borst, in de maagstreek en braakklachten.
De huisarts, die op dat moment als consultarts dienst had, nam de anamnese af en onderzocht
patiënt. Hij stelde de werkdiagnose gastritis, diende patiënt medicatie toe en liet
hem vervolgens ter observatie gedurende 45 minuten in de wachtkamer wachten. Na 45
minuten deed de huisarts een herbeoordeling en liet hij patiënt met een recept en
een vangnetadvies naar huis gaan. Hij noteerde in het dossier (alle citaten voor zover
van belang en letterlijk weergegeven):
“Subjectief HA Sinds vanavond krampen in de maagstreek, begon opeens. Ook misselijk
met overgeven daarbij. Nooit eerder gehad. Verder overdag niet ziek, geen koorts.
Verder gezond. Blanco VG. Geen PODB.
Objectief Pijnlijke man, evidente bewegingsdrang. Brakend in wacht en spreekkamer
T:36.3 Abd:np,wt, sb met drukpijn epigastrio, geen loslaatpijn. Komt binnen met rolstoel,
kan 5min later toch zelf naar de wc lopen.
Evaluatie Buikpijn
ICPC (E-regel) D06 – Andere gelokaliseerde buikpijn
Plan Metoclopramide zetpil 10mg en diclofenac 75mg IM. Na 45min in wachtkamer
zijn klachten wel al een heel stuk gezakt. Advies PCM 500mg 4dd2 en metoclopramide
zetpil 3dd1 zn. Voldoende drinken, liever frequent kleine beetjes. Bij toename pijn
of zieker worden contact opnemen eigen huisarts.”
3.3 Enkele uren na zijn thuiskomst, kreeg patiënt een hartstilstand. Een ambulance
bracht patiënt, die gereanimeerd werd, naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis.
In het ziekenhuis is patiënt overleden.
3.4 Er is onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak. Gebleken is dat bij patiënt
doorbloedings-problemen in het maag-darmkanaal waren ontstaan (een acute dunne darmischemie)
met een grote abdominale bloeding tot gevolg.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij bij de behandeling van patiënt nalatig
is geweest en dat hij patiënt ten onrechte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om beroep van klager te verwerpen.
4.4 Dit betekent dat de klacht in beroep in volle omvang ter beoordeling voorligt.
Toetsingskader
4.5 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener eventueel beter of anders
had kunnen handelen, is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het gaat
erom wat de zorgverlener ten tijde van de behandeling bekend was en waarmee hij/zij
bekend kon (en moest) zijn. Achteraf verkregen kennis mag daarbij geen rol spelen,
omdat de zorgverlener die kennis op het moment van handelen ook niet had.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor het verdriet dat klager van het
overlijden van zijn jongere broer heeft. Dit college zal echter op een zakelijke manier
moeten beoordelen of de huisarts van zijn handelen een tuchtrechtelijk verwijt kan
worden gemaakt.
4.7 Klager voert in beroep aan dat hij kan zich voorstellen dat de huisarts aan
patiënt pijnstilling heeft gegeven, maar dat er meer onderzoek naar de oorzaak van
de pijn had moeten worden gedaan. Door patiënt niet voor nader onderzoek naar het
ziekenhuis te verwijzen heeft de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het
Regionaal Tuchtcollege is hier volgens klager ten onrechte aan voorbijgegaan.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege volgt klager niet in zijn betoog. Zoals het Regionaal
Tuchtcollege heeft overwogen, is patiënt bij binnenkomst op de huisartsenpost meteen
door de huisarts gezien. Uit de anamnese volgde dat hij de avond ervoor lasagne had
gegeten en daarna last kreeg van krampende pijnen in de maagstreek en van misselijkheid
met braken. De huisarts zag een duidelijke bewegingsdrang bij patiënt. Bij het lichamelijk
onderzoek constateerde de huisarts een soepele buik met normale peristaltiek en drukpijn
in het midden van de bovenbuik. Er was geen sprake van loslaatpijn of koorts en patiënt
had geen pijn op de borst. Er waren geen alarmsignalen voor ernstige problemen met
de buik of het hart. Ter zitting heeft de huisarts toegelicht dat hij toen de werkdiagnose
gastritis – dan wel galstenen – stelde. De huisarts diende patiënt pijnmedicatie en
medicatie tegen misselijkheid en braken toe en heeft hem vervolgens 45 minuten laten
plaatsnemen in de wachtkamer ter observatie. Patiënt, die in een rolstoel was binnengekomen,
is in die tijd enkele malen zelf naar het toilet gelopen. Na afloop van deze observatietijd
stelde de huisarts vast dat patiënt erg was opgeknapt. Zijn klachten waren een stuk
gezakt. De huisarts heeft patiënt een recept en een vangnetadvies gegeven en hem naar
huis laten gaan.
4.9 Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel
dat, gelet op de symptomen waarmee patiënt naar de huisartsenpost kwam, de huisarts
zorgvuldig heeft gehandeld. De huisarts heeft patiënt goed uitgevraagd en adequaat
lichamelijk onderzoek gedaan. De conclusies die de huisarts uit de anamnese en het
lichamelijk onderzoek heeft getrokken en de werkdiagnose die hij heeft gesteld, zijn
aannemelijk en navolgbaar. De huisarts heeft hierbij de NHG-richtlijn ‘Misselijkheid
en braken’ gevolgd. Onder deze omstandigheden is het beleid om patiënt medicatie toe
te dienen en na een observatieperiode en herbeoordeling naar huis te laten gaan, zoals
het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen, aanvaardbaar. Het Centraal Tuchtcollege
is het eens met de conclusie dat er geen alarmsignalen waren die wezen op ernstige
problemen met de buik of het hart. Dat de huisarts toen hij patiënt naar huis liet
gaan geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van een onderliggende ernstige
aandoening en hem daarom niet voor nader onderzoek naar het ziekenhuis heeft verwezen
acht het Centraal Tuchtcollege dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij neemt
dit college in aanmerking dat een acute dunne darmischemie een relatief zeldzame aandoening
is. De conclusie is dat de huisarts medisch niet onjuist heeft gehandeld.
Conclusie
Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.
Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klager daarom verwerpen.
3 Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, H. de Hek en A.R.O.
Mooy, leden
juristen, en C.A. Lindeboom en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 augustus 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.