ECLI:NL:TGZCTG:2025:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2561
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2025 |
| Datum publicatie: | 04-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2561 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verweerster (is zowel psychotherapeut als gz-psycholoog) wordt verweten dat zij klaagster onder druk heeft gezet bij de keuze tussen twee therapieën. Klaagster heeft deze druk als dreigend ervaren. Verweerster is voorafgaand aan het opvoeren van deze druk niet eerst nagegaan wat de oorzaak van de ontregeling van klaagster was en heeft deze druk volgens klaagster inadequaat genoteerd in het medisch dossier. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2561 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., psychotherapeut,destijds werkzaam te D., verweerster in beide
instanties, gemachtigde: mr. S.F. Tiems, advocaat te Leiden.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster verwijt de psychotherapeut dat zij klaagster onder druk heeft gezet
bij de keuze tussen twee therapieën. Zij heeft die druk als dreigend ervaren. De psychotherapeut
zou de druk hebben opgevoerd door op te merken dat klaagster zou worden terugverwezen
naar de huisarts, wanneer klaagster geen keuze zou maken terwijl de psychotherapeut
niet heeft onderzocht wat de oorzaak was dat klaagster ontregeld was. Daarbij heeft
de psychotherapeut klaagster niet uitgelegd waarom zij onder druk werd gezet om een
keuze te maken en heeft zij de besluitvorming rondom het opvoeren van deze druk inadequaat
genoteerd in het medisch dossier. De psychotherapeut heeft volgens klaagster een gebrek
aan zelfreflectie.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht kennelijk
ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hier mee eens.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te
‘s-Hertogenbosch van 24 juli 2024 met nummer H2023/5931 (ECLI:NL:TGZRSHE:2024:97).
De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het dossier bij het Regionaal
Tuchtcollege, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 Klaagster en de psychotherapeut waren op de zitting aanwezig, de psychotherapeut
bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
Klaagster en mr. Tiems hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die
zij aan de wederpartij en aan het Centraal Tuchtcollege hebben overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster heeft in beroep een aantal opmerkingen gemaakt over de wijze waarop
het Regionaal Tuchtcollege de feiten in de beslissing heeft weergegeven. De feiten
zoals die in de beslissing worden vermeld, vormen een verkorte weergave op hoofdlijnen
van relevante punten uit het dossier. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding
om de door het Regionaal Tuchtcollege opgenomen feiten ingrijpend aan te passen en
gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Voordat klaagster zich in februari 2020 aanmeldde bij de instelling
waar de psychotherapeut werkzaam is, was zij in behandeling bij een andere instelling
waar zij een deeltijdbehandeling Schema Focused Therapy (hierna: SFT) van tien maanden
heeft doorlopen. Omdat een passende vervolgtherapie op dat moment bij die instelling
niet voorhanden was, is zij verwezen naar de instelling waar de psychotherapeut werkzaam
is om te onderzoeken of zij in aanmerking kwam voor Transference Focus Psychotherapy
(hierna: TFP). Voor de TPF bestond een wachtlijst van zes tot twaalf maanden en in
de zomer van 2020 heeft klaagster ervoor gekozen om verder te gaan met een vervolg
van de SFT binnen de eerste instelling. Een collega van de psychotherapeut sprak toen
met klaagster af dat zij na deze vervolg SFT opnieuw een indicatiegesprek kon hebben
om te bezien of TFP nog nodig en passend was.
3.3 De psychotherapeut is in 2020 betrokken geweest bij de intake van klaagster.
Daarbij heeft de psychotherapeut een coördinerende rol gehad en volgde zij de uitkomsten
van besprekingen over passende behandelmogelijkheden en bracht zij in het multidisciplinair
overleg (hierna: MDO) de hulpvraag van klaagster in.
3.4 Eind 2020 heeft klaagster zich opnieuw gewend tot de instelling waar de psychotherapeut
werkzaam is omdat de SFT-behandeling was vastgelopen.
3.5 Begin 2021 heeft klaagster een indicatiegesprek over TFP gevoerd met dezelfde
collega van de psychotherapeut die ook het eerdere TFP intake gesprek voerde. Vanaf
februari 2021 is de psychotherapeut opnieuw het aanspreekpunt van klaagster geworden
en zijn meerdere mogelijke therapievormen met klaagster besproken. Naast haar coördinerende
rol, heeft de psychotherapeut ook steunende gesprekken met klaagster gevoerd ter overbrugging
van de periode tot klaagster haar keuze zou hebben gemaakt voor een bepaalde therapie
en ook daarmee kon starten. De psychotherapeut heeft klaagster in zomer 2021 aangemeld
voor een indicatiegesprek voor de meer steunende Mentalization Based Treatment (hierna:
MBT).
3.6 Klaagster is in oktober 2021 gestart met de eerste fase van de MBT die uit
drie fases bestaat. De ondersteunende begeleiding die werd gegeven door de psychotherapeut
is op
11 oktober 2021 beëindigd. De psychotherapeut is niet betrokken geweest bij de MBT.
Op
21 maart 2022 heeft klaagster aangegeven niet verder te willen met de MBT. Deze
behandeling is daarom gestopt.
3.7 Nadat de MBT-behandeling was gestopt, is de psychotherapeut weer betrokken
bij de zorg voor klaagster. Op 10 mei 2022 heeft zij klaagster fysiek gesproken. De
psychotherapeut heeft met klaagster de ondergane therapieën geëvalueerd en mogelijke
vervolgbehandelingen besproken. Klaagster heeft vervolgens haar voorkeur geuit voor
TFP. Op 18 mei 2022 heeft de psychotherapeut klaagster aangemeld voor een TFP-indicatiegesprek.
De psychotherapeut is daarbij het aanspreekpunt voor klaagster gebleven.
3.8 Vanaf 23 juni 2022 is een collega van de psychotherapeut betrokken bij de
zorg voor klaagster. Op dat moment had de psychotherapeut geen rol meer tot september
2022.
3.9 In de zomer van 2022 heeft klaagster gesprekken gevoerd met een collega van
de psychotherapeut waarin onder meer de voor- en nadelen van TFP (opnieuw) werden
besproken. Vanwege de angsten bij klaagster werd als alternatief voor de meer confronterende
TFP-methode, wederom de meer steunende MBT besproken. Bij het keuzeproces is ook een
psychiater betrokken geweest. Daarnaast zijn op verzoek van klaagster IMRS, EMDR en
andere traumatherapie mogelijkheden besproken.
3.10 Op 25 oktober 2022 heeft er een MDO plaatsgevonden. Daarover is het volgende
genoteerd in het medisch dossier (alle citaten voor zover van belang letterlijk weergegeven
en met overname van eventuele stijl - en schrijffouten):
“(…) MDO met (…) [de psychotherapeut, de collega en de manager psychotherapeut],
(hierna: manager) we blijven vasthouden aan voorstellen die gedaan zijn (…). Cle wil
een back up plan en dat is dan woe-do bij (…) [collega van de psychotherapeut]. We
kunnen haar geen garanties bieden dat behandeling succes vol zou zijn. (…)”
3.11 De uitkomst van het MDO is door de psychotherapeut met klaagster besproken.
Klaagster heeft vervolgens een aantal (ook boze) e-mailberichten gestuurd naar de
collega van de psychotherapeut. De psychotherapeut heeft daarop op 31 oktober 2022
telefonisch contact gezocht met klaagster. Klaagster wenste herstel van het contact
met de collega van de psychotherapeut en hield vast aan therapie door die collega.
3.12 Op 2 november 2022 is de behandeling van de therapie van klaagster opnieuw
in een MDO besproken. In het medisch dossier is hierover genoteerd:
“(…) We bespreken dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt over hoe verder,
daarin is het nodig om een grens te stellen. We proberen (…) mee te denken in wat
de beste opties zijn, juist omdat ze al zo lang wacht. Tegelijkertijd kunnen we het
niet perfect maken, er zijn geen garanties in de behandeling en de wensen die cliënte
heeft kunnen niet op alle fronten waargemaakt worden, mede omdat ze haar ook niet
zullen helpen.
Belangrijkste punten:
- (…) [manager] ziet vanuit klinische evidentie + idee dat je spreiding over
de week wil om object constantie vast te houden, 2 dagen achter elkaar niet optie.
De woensdag en donderdag zijn dus niet mogelijk. (…)
- Opties zijn dan:
dinsdag online en donderdag op locatie bij (…) [collega van de psychotherapeut],
waarbij duidelijk moet zijn dat (…) [collega van de psychotherapeut] niet aan de voorwaarden
van cle kan voldoen dat ze niet ontregeld weg mag gaan uit de sessie
OF
donderdag op locatie bij (…) [collega van de psychotherapeut] en op di een mail
co/kort tc gericht op steun
- Optie (…) [therapeut geen de psychotherapeut] gaat niet lukken, (…) geeft te
veel onzkerheid en zal opnieuw tot discussie leiden
- (…) [de psychotherapeut] stelt aan cle voor om a.s. dinsdag in gesprek (…)
de opties en grenzen te bespreken.
- voor komende dagen: cle kan contact zoeken met voorwacht, er is een crisis
plan, dit gebruiken richten op stabilisatie (…).”
3.13 Op 7 november 2022 heeft de psychotherapeut een terugkoppeling gegeven aan
klaagster. Klaagster heeft in dit gesprek een aantal voorwaarden benoemd die de psychotherapeut
heeft besproken met haar collega en de manager. In het medisch dossier heeft de psychotherapeut
bij deze datum het volgende genoteerd:
“(…) Terugkoppeling gegeven van MDO. Heeft forse last gehad van onzekerheid over
terugkoppeling die pas vandaag kon plaatsvinden. Het had gescheeld als ik in mijn
mail iets had uitgesproken over dat (…) [collega van de psychotherapeut] het contact
met haar wil herstellen. Ze noemt dat ze dan als het contact met (…) [collega van
de psychotherapeut] hersteld kan worden wil starten met dinsdag online en donderdag
op locatie, maar dat ze heel angstig wordt van de gedachte dat als de therapie toch
niet goed werkt bij haar ze dan haar wachttijd kwijt is (…) en mocht ze daarna bijvoorbeeld
alsnog worden aangemeld bij intensieve schematherapie (…) ze weer met een hele lange
wachttijd te maken heeft. Ik noem dat ik opnieuw wil overleggen met (…) [collega van
de psychotherapeut] en (…) [manager] (…). Ze wil graag dat ik eerst de punten mail
aan haar om er zeker van te zijn dat ik het goed heb begrepen. (…)”
De e-mail aan klaagster luidt als volgt:
“(…) hierbij de punten zoals ik ze vanochtend begrepen heb:
Je grootste voorkeur ligt bij intensieve schematherapie (…) als daar twee keer in
de week op locatie kan plaatsvinden. Nu is het onduidelijk (…) wanneer je dan zou
kunnen starten. Groot nadeel is nu de onzekerheid en mogelijk nog lange wachttijd
voor je daar daadwerkelijk kan starten. Je zou daarom wel willen starten bij (…) [collega
van de psychotherapeut] op dinsdag online en donderdag op locatie, maar dit voelt
alleen veilig voor jou als we met je mee denken over een vervolg mocht dit toch niet
blijken te werken. Anders ben je je wachttijd kwijt (…) en is je angst dat je weer
heel lang moeten wachten (…). Een andere optie als vangnet zou voor jou zijn om het
vooruitzicht te hebben dat je op den duur bij (…) [collega van de psychotherapeut]
in haar eigen praktijk terecht zou kunnen. (…) Heb ik het zo goed begrepen? (…)”
3.14 Klaagster heeft bij e-mail van 7 november 2022 onder meer het volgende laten
weten:
"(…) Het is wel belangrijk dat we de knoop deze week doorhakken, want mijn sollicitaties
lopen al, waarvan 1 bij een werkplek waar ik anders graag in de toekomst alsnog ga
solliciteren. (…)”
In een e-mail van 14 november 2022 heeft klaagster benadrukt dat zij niet zou gaan
solliciteren als zij op korte termijn met de therapie zou beginnen.
3.15 Op 14 november 2022 heeft de psychotherapeut klaagster geïnformeerd dat
de eerder genoemde voorwaarden van klaagster zijn afgewezen. De psychotherapeut gaf
daarbij ook uitleg over de reden van de afwijzing. Klaagster heeft vervolgens meerdere
vragen gesteld over de SFT (wekelijks één keer online en één keer op locatie). In
het medisch dossier heeft de psychotherapeut bij 14 november 2022 genoteerd:
“(…) Aan cliënte opties voorgelegd: bij (…) [collega van de psychotherapeut] in
therapie, maar dan kan ze niet op wachtlijst blijven staan voor intensieve schematherapie
(…) en als therapie bij (…) [collega van de psychotherapeut] ivm deel online niet
goed werkt is het geen optie om over te gaan naar praktijk (…) [collega van de psychotherapeut]
ivm de complexiteit van problematiek. De 3 maanden extra die wil voor frequentie 2
x in de week kan in de loop van de therapie besproken worden en niet van te voren
worden vastgelegd. Cliënte is boos. We bewegen niet genoeg mee terwijl zij wel mee
moet bewegen. Zij noemt dat om haar keuze te kunnen maken (…) ze graag onderzoek wil
lezen waarin is gekeken naar effectiviteit van therapie als dit deels online plaatsvindt
in vergelijking met therapie volledig op locatie. Als het geen verschil is, wil ze
het aangaan met (…) [collega van de psychotherapeut]. Deze vraag is (…) [manager]
en (…) [collega van de psychotherapeut] voorgelegd. (…)”
Klaagster en de psychotherapeut hebben hierna meermaals en uitgebreid contact met
elkaar gehad.
3.16 Op 16 november 2022 heeft de psychotherapeut het volgende aan klaagster
gemaild:
“(…) ik heb helaas vandaag geen tijd om je te bellen. Het mailen en bellen met je
kost me veel tijd en het lukt me niet daar steeds op in te gaan. Ik kan je vragen
die je in de mail stuurt helaas niet beantwoorden en ik kan het niet concreter maken
dan ik je maandag heb verteld en nog op de mail heb gezet. We kunnen het er dinsdag
verder over hebben in onze afspraak. Dan heb ik de tijd voor je. (…)”
3.17 Daarna heeft op dezelfde dag – 16 november 2022 – een collega van de psychotherapeut
die werkzaam was bij de voorwacht het volgende genoteerd:
“(…) mw belt, (…) wil (…) [therapie instelling waar de psychotherapeut werkt] ‘komen
kapot maken’. Ze voelt zich destructief. Ivm de situatie besloten mw uit te nodigen
voor gesprek op locatie. op de vraag wat ik voor haar kan doen, vertelt cliente uitgebreid
haar hulpverleningstraject (…). Ze voelt zich niet geholpen door (…) [de psychotherapeut
en de collega van de psychotherapeut]. Eerstgenoemde heeft haar vandaag slechts kort
gemaild (…) dat ze vandaag geen tijd heeft en dat mw de crisisdienst of voorwacht
kan bellen. Daarmee voelt clnte zo begrijp ik vooral niet gehoord in (…) hoe (…) destructief
ze zich voelt. Ervaart het als een keuze van behandelaar (om niet op haar te reageren),
kan dat moeilijk vanuit andere perspectief zien. (…) [collega van de psychotherapeut]
zou gisteren onvoldoende op haar vragen in zijn gegaan. (…)”
Daarna is er die dag nog een aantal keer contact geweest tussen de psychotherapeut
en klaagster.
3.18 Op 21 november 2022 heeft een collega van de psychotherapeut klaagster gesproken.
In het medisch dossier is het volgende genoteerd:
“(…) Cliënt gesproken via de voorwacht telefoon. Benoemde dat het niet goed gaat,
in crisis. Boos te blijven nadenken, slecht te slapen en boze mails te sturen. Benoemde
al drieënhalf jaar zonder therapie te zitten, kan nergens terecht. Steeds wordt ze
ergens afgewezen of heeft ze pech (…). Genoemd dat ik zie in haar dossier dat haar
morgen een gesprek met (…) [de psychotherapeut] is aangeboden. Spanning liep direct
op. Gaf aan geen contact met haar te willen en daar een mail over te hebben gestuurd.
Voelt zich door (…) [de psychotherapeut] afgewezen. Heeft haar hoop gericht op (…)
[collega van de psychotherapeut], maar gaf aan de overtuiging te hebben dat zij vast
slecht nieuws zal brengen. Heeft haar een mail gestuurd (…) Bleef mij overtuigen dat
dat niet gaat lukken. (…)”
3.19 Klaagster is op de op 22 november 2022 gemaakte afspraak met de psychotherapeut
niet verschenen. In het medisch dossier is genoteerd:
“(…) cliënte gebeld (…). Gevraagd naar haar keuze legt ze uit dat ze onder de hoge
druk van deadline om keuze te maken heel angstig voelt. Ze wil graag nog 1 gesprek
met (…) [collega van de psychotherapeut] om nog verdere geruststelling te zoeken om
het met haar aan te durven gaan. Genoemd dat we niet nog een gesprek in gaan plannen,
omdat we denken dat het haar niet verder zal geruststellen. Dat het niet goed voor
haar is dat deze keuze zo voortsleept en haar emoties steeds hoger oplopen (…).
Als ik nogmaals zeg dat het geen optie meer is een gesprek daarover aan te gaan
en noem dat als ze geen keuze maakt dit betekent dat we haar zullen terug verwijzen
naar de huisarts omdat ze dan geen gebruik maakt van het behandelaanbod (…) wordt
ze razend en slaat om zich heen. Later blijkt dat ze hierbij haar hand heeft bezeerd
en ze denkt dat deze misschien gebroken is. (…) maar dan noemt ze dat ze kiest voor
therapie bij (…) [collega van de psychotherapeut]. Ze zegt dat wij haar dwingen tot
een keuze (…). Ze wil dat ik dat in decursus schrijf en dat ik decursus aan haar mail
zodat ze haar versie er aan kan toevoegen. Verder noemt ze dat ze gesprek wil met
(…) [manager] om te hebben over gang van zaken van afgelopen periode. (…) Ze verbreekt
de verbinding voordat we het gesprek hebben afgesloten. (…)”
3.20 Na 22 november 2022 is er nog een aantal keer contact geweest tussen klaagster
en de psychotherapeut en haar collega.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang
opnieuw beoordeelt en gegrond verklaart.
4.2 De psychotherapeut heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt
het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.3 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
dat de klacht van klaagster ongegrond is. Hieronder wordt uitgelegd hoe het Centraal
Tuchtcollege tot zijn oordeel is gekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
4.4 De vraag die beantwoord moet worden is of de psychotherapeut bij haar professionele
handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen waarover
wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep de norm of standaard was.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege ziet net als het Regionaal Tuchtcollege aanleiding
om de klachtonderdelen a, b, c en e gezamenlijk te behandelen. In deze klachtonderdelen
verwijt klaagster de psychotherapeut het volgende:
a. De psychotherapeut heeft klaagster onnodig onder druk gezet door haar op
22 november 2022 te laten beslissen over de keuze tussen een behandelplek voor de
SFT met een onbepaalde wachttijd of twee maal per week de SFT (wekelijk een keer online
en een keer op locatie);
b. De psychotherapeut heeft niet gecheckt wat de ontregeling van klaagster op
16 november 2022 veroorzaakte. De ontregeling kwam niet door besluiteloosheid van
klaagster maar door een opeenstapeling van ongunstige omstandigheden, het wachten
op een passende behandeling en een conflict met een college van de psychotherapeut
aan wie klaagster zich had gehecht;
c. De psychotherapeut heeft ten onrechte gedreigd met het opzeggen van de behandelovereenkomst
zonder eerst alternatieven te onderzoeken;
e. De psychotherapeut bleef de behandeloptie om structureel de SFT in de vorm
van een sessie live en een sessie online voorstellen als een goede, realistische therapie
ondanks de geuite bezwaren van klaagster.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat er sprake is geweest van
een intensief en belastend traject voor zowel klaagster als de psychotherapeut en
dat uit het dossier blijkt dat zij beiden hebben geprobeerd om elkaar te begrijpen
en een goede verstandhouding te krijgen en te behouden. Uit het dossier komt verder
naar voren dat klaagster te kampen had met ernstige klachten en spanningen en dat
wachtlijstproblematiek hier een rol in heeft gespeeld.
4.7 Het Regionaal Tuchtcollege heeft uitgebreid overwogen op basis waarvan het
tot het oordeel komt dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege
is het hiermee eens en
neemt deze overwegingen en dit oordeel over. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling
in
beroep overweegt het Centraal Tuchtcollege verder nog het volgende. Tijdens de langdurige
zoektocht naar de juiste therapie, heeft de psychotherapeut veelvuldig de mogelijkheden
en onmogelijkheden
van de diverse alternatieven met klaagster besproken. Hierbij had zij ook voldoende
aandacht voor
alle wensen, voorwaarden en bedenkingen van klaagster.
Het Centraal Tuchtcollege heeft er begrip voor dat klaagster zich in november 2022
onder druk gezet voelde, maar voor het college staat vast dat de toestand van klaagster
in die periode verslechterde en dat de psychotherapeut in samenspraak met collega’s
en op basis van de uitkomsten van een MDO terecht heeft ingeschat dat het noodzakelijk
was dat er een knoop werd doorgehakt over de therapie(vorm). Zij heeft dan ook in
november 2022 terecht grenzen gesteld en een uiterste datum gesteld om een keuze te
maken. Dat klaagster, zoals zij zelf stelt, voor zichzelf een deadline voor het nemen
van de beslissing had gesteld van 1 december 2022, is niet komen vast te staan, zodat
alleen al hierom het verwijt dat de psychotherapeut tot 1 december 2022 geduld had
moeten hebben niet kan slagen. Dat er wellicht ook andere oorzaken waren voor de verslechtering
van de toestand van klaagster kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het staat
vast dat het keuze traject langdurig en zorgvuldig is geweest en voor het Centraal
Tuchtcollege staat eveneens vast dat het feit dat de beslissing over de keuze voor
een therapie uitbleef (fors) heeft bijgedragen aan de ontregeling van klaagster in
die periode. Het Centraal Tuchtcollege ziet het benoemen van de consequenties van
het niet nemen van een beslissing over de therapie niet als ongeoorloofde druk. De
psychotherapeut en haar collega’s zagen op goede gronden geen mogelijkheden meer om
klaagster te begeleiden als de keuze uitbleef. In een dergelijke situatie is een terug
verwijzing naar de huisarts een reële optie.
4.8 Klachtonderdeel d betreft het verwijt dat de besluitvorming over de interventie
onvoldoende in het medisch dossier staat genoteerd. Ook wat betreft dit klachtonderdeel
volgt het Centraal Tuchtcollege de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
en neemt het deze over.
Aanvullend merkt het Centraal Tuchtcollege op dat er na het MDO waarin de interventie
werd afgesproken meermalen contact is geweest met klaagster en dat klaagster naar
aanleiding van de terugkoppeling van de MDO’s ook opnieuw met de psychotherapeut heeft
gesproken over (onder meer) wensen en voorwaarden. Ook dit staat in het medisch dossier
genoteerd.
4.9 Het laatste klachtonderdeel (f) gaat over het gebrek aan zelfreflectie bij
de psychotherapeut. Nu klaagster deze klacht niet met feiten en omstandigheden heeft
toegelicht en het dossier geen aanknopingspunten biedt om deze klacht nader te onderzoeken,
zal het Centraal Tuchtcollege niet inhoudelijk op deze klacht reageren.
Conclusie
4.10 Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het
Regionaal Tuchtcollege de klachten op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Dit
betekent dat het Centraal Tuchtcollege het beroep zal verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, T. Dompeling en J. Legemaate,
leden-juristen, en A. de Keijser en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
E. van der Linde, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.