ECLI:NL:TGZCTG:2025:139 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2562
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:139 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2025 |
| Datum publicatie: | 04-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2562 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Verweerster (is zowel gz-psycholoog als gz-psycholoog) wordt verweten dat zij klaagster onder druk heeft gezet bij de keuze tussen twee therapieën. Klaagster heeft deze druk als dreigend ervaren. Verweerster is voorafgaand aan het opvoeren van deze druk niet eerst nagegaan wat de oorzaak van de ontregeling van klaagster was en heeft deze druk volgens klaagster inadequaat genoteerd in het medisch dossier. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2562 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
E., gz-psycholoog,destijds werkzaam te D., verweerster in beide
instanties, gemachtigde: mr. S.F. Tiems, advocaat te Leiden.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij klaagster onder druk heeft gezet
bij de keuze tussen twee therapieën. De gz-psycholoog zou de druk hebben opgevoerd
door op te merken dat klaagster zou worden terugverwezen naar de huisarts, wanneer
klaagster geen keuze zou maken. Klaagster heeft deze druk als dreigend ervaren. De
gz-psycholoog is voorafgaand aan het opvoeren van deze druk niet eerst nagegaan wat
de oorzaak van de ontregeling van klaagster was. Zij heeft volgens klaagster de besluitvorming
voor het opvoeren van deze druk inadequaat genoteerd in het medisch dossier. Ook heeft
de gz-psycholoog geen onderbouwing gegeven voor het onder druk zetten van klaagster.
De gz-psycholoog heeft volgens klaagster een gebrek aan zelfreflectie.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht kennelijk
ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te
‘s-Hertogenbosch van 24 juli 2024 met nummer H2023/5932 (ECLI:NL:TGZRSHE:2024:96).
De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het dossier bij het Regionaal
Tuchtcollege, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 Klaagster en de gz-psycholoog waren op de zitting aanwezig, de gz-psycholoog
bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
Klaagster en mr. Tiems hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die
zij aan de wederpartij en aan het Centraal Tuchtcollege hebben overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster heeft in beroep een aantal opmerkingen gemaakt over de wijze waarop
het Regionaal Tuchtcollege de feiten in de beslissing heeft weergegeven. De feiten
zoals die in de beslissing worden vermeld, vormen een verkorte weergave op hoofdlijnen
van relevante punten uit het dossier. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding
om de door het Regionaal Tuchtcollege opgenomen feiten ingrijpend aan te passen en
gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Voordat klaagster zich in februari 2020 aanmeldde bij de instelling waar
de gz-psycholoog werkzaam is, was zij in behandeling bij een andere instelling waar
zij een deeltijdbehandeling Schema Focused Therapy (hierna: SFT) van ruim tien maanden
heeft doorlopen. Omdat een passende vervolgbehandeling bij die instelling op dat moment
niet mogelijk was, is klaagster verwezen naar de instelling waar de gz-psycholoog
werkzaam is om te onderzoeken of zij in aanmerking kwam voor Transference Focus Psychotherapy
(hierna: TFP). Voor de TPF bestond een wachtlijst van zes tot twaalf maanden en in
de zomer van 2020 heeft klaagster ervoor gekozen om verder te gaan met een vervolg
van de SFT binnen de eerste instelling. Een collega van de gz-psycholoog sprak toen
met klaagster af dat zij na deze vervolg SFT opnieuw een indicatiegesprek kon hebben
om te bezien of TFP nog nodig en passend was.
3.3 Een collega van de gz-psycholoog is vanaf 2020 gedurende verschillende periodes
betrokken geweest bij de zorg van klaagster. Deze collega heeft in die periodes een
coördinerende rol vervuld en heeft de hulpvraag van klaagster ingebracht in het multidisciplinair
overleg (hierna: MDO).
3.4 Vanaf 23 juni 2022 is de gz-psycholoog bij de behandeling van klaagster betrokken.
De
gz-psycholoog heeft bij klaagster in het kader van de indicatie voor de TFP de ernst
van de persoonlijkheidsproblematiek nader onderzocht.
3.5 Op 24 augustus 2022 hebben de gz-psycholoog en klaagster de TFP-indicatie
besproken. Klaagster heeft daarbij haar wensen aangegeven over het geslacht en de
leeftijd van de therapeut en een plan voor het geval de TFP niet zou slagen. Ook heeft
klaagster de wens geuit om buiten de sessies om contact te hebben met de therapeut
van de TFP. De gz-psycholoog heeft klaagster laten weten dat niet aan al deze voorwaarden
kon worden voldaan. Klaagster heeft daarop besloten af te zien van TFP en SFP voorgesteld.
De gz-psycholoog heeft daarop toegezegd te onderzoeken of en wanneer de SFT mogelijk
zou zijn.
3.6 Op 31 augustus 2022 hebben de gz-psycholoog en klaagster besproken dat de
SFT met twee sessies per week mogelijk zou zijn bij de instelling waar de gz-psycholoog
werkzaam is als een van de twee sessies online zou zijn. De andere sessie zou op locatie
plaatsvinden. Klaagster heeft haar bezwaren geuit over de wekelijkse online sessie.
Ook is gekeken naar andere mogelijkheden van SFT.
3.7 In de periode september 2022 en oktober 2022 zijn meerdere alternatieve behandelingen
met klaagster besproken. Klaagster is bijvoorbeeld voorgesteld om zich door twee therapeuten
te laten behandelen. Klaagster heeft deze voorstellen niet geaccepteerd.
3.8 In oktober 2022 stelde klaagster voor om wekelijks op woensdag en donderdag
therapie te volgen. Ook stelde zij als voorwaarde dat zij niet met een slecht gevoel
uit een sessie zou komen. Beide voorstellen waren niet haalbaar en zijn afgewezen.
Klaagster heeft meermalen herhaald welke wensen zij had omtrent de therapie en onder
welke voorwaarden zij de therapie wilde volgen. Meerdere keren is klaagster uitgelegd
dat de therapie onder de door haar gestelde voorwaarden niet mogelijk en/of wenselijk
was. Klaagster heeft haar boosheid hierover herhaaldelijk geuit. Daarna is nogmaals
twee keer per week SFT (wekelijks één keer online en één keer op locatie) voorgesteld.
De toestand van klaagster is in deze periode verslechterd. Klaagster heeft in verband
hiermee enkele keren contact opgenomen met de voorwacht, de afdeling die inschat of
een patiënt in crisis is en of er acute hulp nodig is.
3.9 Op 25 oktober 2022 heeft er een MDO plaatsgevonden. Daarover is het volgende
genoteerd in het medisch dossier (alle citaten voor zover van belang letterlijk weergegeven
en met overname van eventuele stijl - en schrijffouten):
“(…) MDO met (…) [de gz-psycholoog, de collega en de manager van de gz-psycholoog
(hierna: manager)] we blijven vasthouden aan voorstellen die gedaan zijn (…). Cle
wil (…) een back up plan en dat is dan woe-do bij (…) [de gz-psycholoog]. We kunnen
haar geen garanties bieden dat behandeling succes vol zou zijn. (…)”
3.10 De uitkomst van het MDO is door de collega van de gz-psycholoog met klaagster
besproken. Klaagster heeft vervolgens een aantal (ook boze) e-mailberichten gestuurd.
De collega van de gz-psycholoog heeft daarop op 31 oktober 2022 telefonisch contact
gezocht met klaagster. Klaagster wenste herstel van het contact met de gz-psycholoog
en hield vast aan therapie door de gz-psycholoog.
3.11 Op 2 november 2022 is de behandeling van de therapie van klaagster opnieuw
in een MDO besproken. In het medisch dossier is hierover genoteerd:
“(…) We bespreken dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt over hoe verder,
daarin is het nodig om een grens te stellen. We proberen (…) mee te denken in wat
de beste opties zijn, juist omdat ze al zo lang wacht. Tegelijkertijd kunnen we het
niet perfect maken, er zijn geen garanties in de behandeling en de wensen die cliënte
heeft kunnen niet op alle fronten waargemaakt worden, mede omdat ze haar ook niet
zullen helpen.
Belangrijkste punten:
- (…) [manager] ziet vanuit klinische evidentie + idee dat je spreiding over
de week wil om object constantie vast te houden, 2 dagen achter elkaar niet optie.
De woensdag en donderdag zijn dus niet mogelijk. (…)
- Opties zijn dan:
dinsdag online en donderdag op locatie bij (…) [de gz-psycholoog], waarbij duidelijk
moet zijn dat (…) [de gz-psycholoog] niet aan de voorwaarden van cle kan voldoen dat
ze niet ontregeld weg mag gaan uit de sessie
OF
donderdag op locatie bij (…) [de gz-psycholoog] en op di een mail co/kort tc gericht
op steun
- Optie (…) [therapeut geen de gz-psycholoog] gaat niet lukken, (…) geeft te
veel onzkerheid en zal opnieuw tot discussie leiden
- (…) [de gz-psycholoog] wil uiteraard contact met haar herstellen.
- (…) [collega van de gz-psycholoog] stelt aan cle voor om a.s. dinsdag in gesprek
(…) de opties en grenzen te bespreken.
- voor komende dagen: cle kan contact zoeken met voorwacht, er is een crisis
plan, dit gebruiken richten op stabilisatie (…)”
3.12 Op 7 november 2022 heeft de collega van de gz-psycholoog een terugkoppeling
gegeven aan klaagster. Klaagster heeft toen een aantal voorwaarden gesteld die zijn
besproken met de
gz-psycholoog en de manager van de gz-psycholoog. In het medisch dossier heeft de
collega van de gz-psycholoog daarover het volgende genoteerd:
“(…) Terugkoppeling gegeven van MDO. Heeft forse last gehad van onzekerheid over
terugkoppeling die pas vandaag kon plaatsvinden. Het had gescheeld als ik in mijn
mail iets had uitgesproken over dat (…) [de gz-psycholoog] het contact met haar wil
herstellen. Ze noemt dat ze dan als het contact met (…) [de gz-psycholoog] hersteld
kan worden wil starten met dinsdag online en donderdag op locatie, maar dat ze heel
angstig wordt van de gedachte dat als de therapie toch niet goed werkt bij haar ze
dan haar wachttijd kwijt is (…) en mocht ze daarna bijvoorbeeld alsnog worden aangemeld
bij intensieve schematherapie (…) ze weer met een hele lange wachttijd te maken heeft.
Ik noem dat ik opnieuw wil overleggen met (…) [de gz-psycholoog] en (…) [manager]
(…). Ze wil graag dat ik eerst de punten mail aan haar om er zeker van te zijn dat
ik het goed heb begrepen. (…)”
De e-mail aan klaagster van de collega van de gz-psycholoog luidt als volgt:
“(…) hierbij de punten zoals ik ze vanochtend begrepen heb:
Je grootste voorkeur ligt bij intensieve schematherapie (…) als daar twee keer in
de week op locatie kan plaatsvinden. Nu is het onduidelijk (…) wanneer je dan zou
kunnen starten. Groot nadeel is nu de onzekerheid en mogelijk nog lange wachttijd
voor je daar daadwerkelijk kan starten. Je zou daarom wel willen starten bij (…) [de
gz-psycholoog] op dinsdag online en donderdag op locatie, maar dit voelt alleen veilig
voor jou als we met je mee denken over een vervolg mocht dit toch niet blijken te
werken. Anders ben je je wachttijd kwijt (…) en is je angst dat je weer heel lang
moeten wachten (…). Een andere optie als vangnet zou voor jou zijn om het vooruitzicht
te hebben dat je op den duur bij (…) [de gz-psycholoog] in haar eigen praktijk terecht
zou kunnen. (…) Heb ik het zo goed begrepen? (…)”
3.13 Klaagster heeft bij e-mail van 7 november 2022 onder meer het volgende laten
weten:
"(…) Het is wel belangrijk dat we de knoop deze week doorhakken, want mijn sollicitaties
lopen al, waarvan 1 bij een werkplek waar ik anders graag in de toekomst alsnog ga
solliciteren. (…)”
In een e-mail van 14 november 2022 heeft klaagster benadrukt dat zij niet zou gaan
solliciteren als zij op korte termijn met de therapie zou beginnen.
3.14 Op 14 november 2022 heeft de collega van de gz-psycholoog klaagster geïnformeerd
dat de bij randnummer 3.12 genoemde voorwaarden van klaagster waren afgewezen. De
collega van de gz-psycholoog gaf daarbij ook uitleg over de reden van de afwijzing.
Klaagster heeft vervolgens meerdere vragen gesteld over de SFT (wekelijks één keer
online en één keer op locatie). In het medisch dossier heeft collega van de gz-psycholoog
bij 14 november 2022 genoteerd:
“(…) Aan cliënte opties voorgelegd: bij (…) [de gz-psycholoog] in therapie, maar
dan kan ze niet op wachtlijst blijven staan voor intensieve schematherapie (…) en
als therapie bij (…) [de
gz-psycholoog] ivm deel online niet goed werkt is het geen optie om over te gaan
naar praktijk (…) [de gz-psycholoog] ivm de complexiteit van problematiek. De 3 maanden
extra die wil voor frequentie 2 x in de week kan in de loop van de therapie besproken
worden en niet van te voren worden vastgelegd. Cliënte is boos. We bewegen niet genoeg
mee terwijl zij wel mee moet bewegen. Zij noemt dat om haar keuze te kunnen maken
(…) ze graag onderzoek wil lezen waarin is gekeken naar effectiviteit van therapie
als dit deels online plaatsvindt in vergelijking met therapie volledig op locatie.
Als het geen verschil is, wil ze het aangaan met (…) [de gz-psycholoog]. Deze vraag
is (…) [manager] en (…) [de gz-psycholoog] voorgelegd. (…)”
Daarna hebben klaagster en de gz-psycholoog meermaals en uitgebreid contact met
elkaar gehad.
3.15 Op 16 november 2022 heeft de collega van de gz-psycholoog het volgende aan
klaagster gemaild:
“(…) ik heb helaas vandaag geen tijd om je te bellen. Het mailen en bellen met je
kost me veel tijd en het lukt me niet daar steeds op in te gaan. Ik kan je vragen
die je in de mail stuurt helaas niet beantwoorden en ik kan het niet concreter maken
dan ik je maandag heb verteld en nog op de mail heb gezet. We kunnen het er dinsdag
verder over hebben in onze afspraak. Dan heb ik de tijd voor je. (…)”
3.16 Daarna heeft op dezelfde dag – 16 november 2022 – een collega van de gz-psycholoog
die werkzaam was bij de voorwacht het volgende genoteerd:
“(…) mw belt, (…) wil (…) [therapie instelling waar de gz-psycholoog werkt] ‘komen
kapot maken’. Ze voelt zich destructief. Ivm de situatie besloten mw uit te nodigen
voor gesprek op locatie. op de vraag wat ik voor haar kan doen, vertelt cliente uitgebreid
haar hulpverleningstraject (…). Ze voelt zich niet geholpen door (…) [de collega van
de gz-psycholoog en de gz-psycholoog].
Eerstgenoemde heeft haar vandaag slechts kort gemaild (…) dat ze vandaag geen tijd
heeft en dat mw de crisisdienst of voorwacht kan bellen. Daarmee voelt clnte zo begrijp
ik vooral niet gehoord in (…) hoe (…) destructief ze zich voelt. Ervaart het als een
keuze van behandelaar (om niet op haar te reageren), kan dat moeilijk vanuit andere
perspectief zien. (…) [de gz-psycholoog] zou gisteren onvoldoende op haar vragen in
zijn gegaan. (…)”
Daarna is er die dag nog een aantal keer contact geweest tussen de gz-psycholoog
en klaagster.
3.17 Dezelfde dag heeft de gz-psycholoog onder andere het volgende aan klaagster
gemaild:
“(…) Ik begreep (…) dat je hier geweest bent. Ik vind het ontzettend rot dat je
zo overstuur bent, mijn intentie is nog steeds om er samen uit te komen. Dat mijn
reactie niet steunend was, klopt. (…) Ik hoop dat we morgen het redden om al je vragen
goed door te spreken zodat je genoeg informatie hebt om een weloverwogen keuze te
maken. Ik bel je in ieder geval. (…)”
3.18 Op 17 november 2022 heeft de gz-psycholoog het volgende geschreven:
“(…) Aangegeven dat ik graag contact wil herstellen en dat ik denk dat ze echt een
keuze moet maken, omdat de onzekerheid haar ontregeld. Ze wil zelf ook een keuze maken
(…)”
Daarna is er op die dag en de dagen er na tot 21 november 2022 nog een aantal keer
contact geweest tussen de gz-psycholoog en klaagster.
3.19 Op 21 november 2022 heeft een collega van de gz-psycholoog klaagster gesproken.
In het medisch dossier is het volgende genoteerd:
“(…) Cliënt gesproken via de voorwacht telefoon. Benoemde dat het niet goed gaat,
in crisis. Boos te blijven nadenken, slecht te slapen en boze mails te sturen. Benoemde
al drieënhalf jaar zonder therapie te zitten, kan nergens terecht. Steeds wordt ze
ergens afgewezen of heeft ze pech (…). Genoemd dat ik zie in haar dossier dat haar
morgen een gesprek met (…) [collega van de
gz-psycholoog] is aangeboden. Spanning liep direct op. Gaf aan geen contact met
haar te willen en daar een mail over te hebben gestuurd. Voelt zich door (…) [collega
van de gz-psycholoog] afgewezen. Heeft haar hoop gericht op (…) [de gz-psycholoog],
maar gaf aan de overtuiging te hebben dat zij vast slecht nieuws zal brengen. Heeft
haar een mail gestuurd (…) Bleef mij overtuigen dat dat niet gaat lukken. (…)”
3.20 Op 22 november 2022 heeft de gz-psycholoog aan klaagster gemaild:
“(…) Ik heb je mailtjes gelezen. Ik sta er nog steeds open voor om de behandeling
met jou aan te gaan. Het lijkt mij niet passend en niet helpend om nu nog een gesprek
te plannen. Ik zie je angst en ik voel je behoefte aan geruststelling, dat zal onderdeel
zijn van onze behandeling (…) Ik hoop dat je vanmiddag met (…) [collega van de gz-psycholoog]
in gesprek kan gaan over je keuze! (…)”
3.21 Klaagster is op de op 22 november 2022 gemaakte afspraak met de collega
van de
gz-psycholoog niet verschenen. In het medisch dossier is genoteerd:
“(…) cliënte gebeld (…). Gevraagd naar haar keuze legt ze uit dat ze onder de hoge
druk van deadline om keuze te maken heel angstig voelt. Ze wil graag nog 1 gesprek
met (…) [de
gz-psycholoog] om nog verdere geruststelling te zoeken om het met haar aan te durven
gaan. Genoemd dat we niet nog een gesprek in gaan plannen, omdat we denken dat het
haar niet verder zal geruststellen. Dat het niet goed voor haar is dat deze keuze
zo voortsleept en haar emoties steeds hoger oplopen (…).
Als ik nogmaals zeg dat het geen optie meer is een gesprek daarover aan te gaan
en noem dat als ze geen keuze maakt dit betekent dat we haar zullen terug verwijzen
naar de huisarts omdat ze dan geen gebruik maakt van het behandelaanbod (…) wordt
ze razend en slaat om zich heen. Later blijkt dat ze hierbij haar hand heeft bezeerd
en ze denkt dat deze misschien gebroken is. (…) maar dan noemt ze dat ze kiest voor
therapie bij (…) [de gz-psycholoog]. Ze zegt dat wij haar dwingen tot een keuze (…).
Ze wil dat ik dat in decursus schrijf en dat ik decursus aan haar mail zodat ze haar
versie eraan kan toevoegen. Verder noemt ze dat ze gesprek wil met (…) [manager] om
te hebben over gang van zaken van de afgelopen periode. (…) Ze verbreekt de verbinding
voordat we het gesprek hebben afgesloten. (…)”
3.22 Op 17 januari 2023 heeft een overleg tussen de gz-psycholoog, een collega-therapeut,
de manager en klaagster plaatsgevonden om te evalueren.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang
opnieuw beoordeelt en gegrond verklaart.
4.2 De gz-psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt
het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.3 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
dat de klacht van klaagster ongegrond is. Hieronder wordt uitgelegd hoe het Centraal
Tuchtcollege tot zijn oordeel is gekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
4.4 De vraag die beantwoord moet worden is of de gz-psycholoog bij haar professionele
handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen waarover
wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep de norm of standaard was.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat er sprake is geweest van
een intensief en belastend traject voor zowel klaagster als de gz-psycholoog en dat
uit het dossier blijkt dat zij beiden hebben geprobeerd om elkaar te begrijpen en
een goede verstandhouding te krijgen en te behouden. Uit het dossier komt verder naar
voren dat klaagster te kampen had met ernstige klachten en spanningen en dat wachtlijstproblematiek
hier een rol in heeft gespeeld.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege ziet net als het Regionaal Tuchtcollege aanleiding
om de klachtonderdelen a, b, c en e gezamenlijk te behandelen. In deze klachtonderdelen
verwijt klaagster de gz-psycholoog het volgende:
a. De gz-psycholoog heeft klaagster onnodig onder druk gezet door haar op 22
november 2022 te laten beslissen over de keuze tussen een behandelplek voor de SFT
met een onbepaalde wachttijd of twee maal per week de SFT (wekelijk een keer online
en een keer op locatie);
b. De gz-psycholoog heeft niet gecheckt wat de ontregeling van klaagster op
16 november 2022 veroorzaakte. De ontregeling kwam niet door besluiteloosheid van
klaagster maar door een opeenstapeling van ongunstige omstandigheden, het wachten
op een passende behandeling en een conflict met een college van de gz-psycholoog aan
wie klaagster zich had gehecht;
c. De gz-psycholoog heeft ten onrechte gedreigd met het opzeggen van de behandelovereenkomst
zonder eerst alternatieven te onderzoeken;
e. De gz-psycholoog bleef de behandeloptie om structureel de SFT in de vorm
van een sessie live en een sessie online voorstellen als een goede, realistische therapie
ondanks de geuite bezwaren van klaagster.
4.7 Het Regionaal Tuchtcollege heeft uitgebreid overwogen op basis waarvan het
tot het oordeel komt dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege
is het hiermee eens en neemt deze overwegingen en dit oordeel over. Naar aanleiding
van de mondelinge behandeling in beroep overweegt het Centraal Tuchtcollege verder
nog het volgende. Tijdens de langdurige zoektocht naar de juiste therapie, heeft de
gz-psycholoog meermalen de mogelijkheden en onmogelijkheden van de diverse alternatieven
met klaagster besproken. Hierbij had zij ook voldoende aandacht voor alle wensen,
voorwaarden en bedenkingen van klaagster.
Het Centraal Tuchtcollege heeft er begrip voor dat klaagster zich in november 2022
onder druk gezet voelde, maar voor het college staat vast dat de toestand van klaagster
in die periode verslechterde en dat de gz-psycholoog in samenspraak met collega’s
en op basis van de uitkomsten van een MDO terecht heeft ingeschat dat het noodzakelijk
was dat er een knoop werd doorgehakt over de therapie(vorm). Er zijn dan ook in november
2022 terecht grenzen gesteld en een uiterste datum gesteld om een keuze te maken.
Dat klaagster, zoals zij zelf stelt, voor zichzelf een deadline voor het nemen van
de beslissing had gesteld van 1 december 2022, is niet komen vast te staan, zodat
alleen al hierom het verwijt dat de gz-psycholoog tot 1 december 2022 geduld had moeten
hebben niet kan slagen. Dat er wellicht ook andere oorzaken waren voor de verslechtering
van de toestand van klaagster kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het staat
vast dat het keuze traject langdurig en zorgvuldig is geweest en voor het Centraal
Tuchtcollege staat eveneens vast dat het feit dat de beslissing over de keuze voor
een therapie uitbleef (fors) heeft bijgedragen aan de ontregeling van klaagster in
die periode. Het Centraal Tuchtcollege ziet het benoemen van de consequenties van
het niet nemen van een beslissing over de therapie niet als ongeoorloofde druk. De
gz-psycholoog en haar collega’s zagen op goede gronden geen mogelijkheden meer om
klaagster te begeleiden als de keuze uitbleef. In een dergelijke situatie is een terug
verwijzing naar de huisarts een reële optie.
4.8 Klachtonderdeel d betreft het verwijt dat de besluitvorming over de interventie
onvoldoende in het medisch dossier staat genoteerd. Ook wat betreft dit klachtonderdeel
volgt het Centraal Tuchtcollege de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
en neemt het deze over.
Aanvullend merkt het Centraal Tuchtcollege op dat er na het MDO waarin de interventie
werd afgesproken meermalen contact is geweest met klaagster en dat klaagster naar
aanleiding van de terugkoppeling van de MDO’s ook opnieuw met de gz-psycholoog heeft
gesproken over (onder meer) wensen en voorwaarden. Ook dit staat in het medisch dossier
genoteerd.
4.9 Het laatste klachtonderdeel (f) gaat over het gebrek aan zelfreflectie bij
de gz-psycholoog. Nu klaagster deze klacht niet met feiten en omstandigheden heeft
toegelicht en het dossier geen aanknopingspunten biedt om deze klacht nader te onderzoeken,
zal het Centraal Tuchtcollege niet inhoudelijk op deze klacht reageren.
Conclusie
4.10 Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, T. Dompeling en J. Legemaate,
leden-juristen, en A. de Keijser en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
E. van der Linde, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.