ECLI:NL:TGZCTG:2025:138 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2563

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:138
Datum uitspraak: 04-08-2025
Datum publicatie: 04-08-2025
Zaaknummer(s): C2024/2563
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verweerster (is zowel gz-psycholoog als gz-psycholoog) wordt verweten dat zij klaagster onder druk heeft gezet bij de keuze tussen twee therapieën. Klaagster heeft deze druk als dreigend ervaren. Verweerster is voorafgaand aan het opvoeren van deze druk niet eerst nagegaan wat de oorzaak van de ontregeling van klaagster was en heeft deze druk volgens klaagster inadequaat genoteerd in het medisch dossier. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2563 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., gz-psycholoog, destijds werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. S.F. Tiems, advocaat te Leiden. 
1.      Kern van de zaak
1.1    Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij klaagster onder druk heeft gezet bij de keuze tussen twee therapieën. Zij heeft die druk als dreigend ervaren. De gz-psycholoog zou de druk hebben opgevoerd door op te merken dat klaagster zou worden terugverwezen naar de huisarts, wanneer klaagster geen keuze zou maken terwijl de gz-psycholoog niet heeft onderzocht wat de oorzaak was dat klaagster ontregeld was. Daarbij heeft de gz-psycholoog klaagster niet uitgelegd waarom zij onder druk werd gezet om een keuze te maken en heeft zij de besluitvorming rondom het opvoeren van deze druk inadequaat genoteerd in het medisch dossier. De gz-psycholoog heeft volgens klaagster een gebrek aan zelfreflectie. 
1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hier mee eens. 
2.      Verloop van de procedure
2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te 
‘s-Hertogenbosch van 24 juli 2024 met nummer H2024/7198 (ECLI:NL:TGZRSHE:2024:99). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 
2.3    Klaagster en de gz-psycholoog waren op de zitting aanwezig, de gz-psycholoog bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klaagster en mr. Tiems hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zij aan de wederpartij en aan het Centraal Tuchtcollege hebben overhandigd.
3.      De feiten
3.1    Klaagster heeft in beroep een aantal opmerkingen gemaakt over de wijze waarop het Regionaal Tuchtcollege de feiten in de beslissing heeft weergegeven. De feiten zoals die in de beslissing worden vermeld, vormen een verkorte weergave op hoofdlijnen van relevante punten uit het dossier. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding om de door het Regionaal Tuchtcollege opgenomen feiten ingrijpend aan te passen en gaat uit van de volgende feiten. 
3.2         Voordat klaagster zich in februari 2020 aanmeldde bij de instelling waar de gz-psycholoog werkzaam is, was zij in behandeling bij een andere instelling waar zij een deeltijdbehandeling Schema Focused Therapy (hierna: SFT) van tien maanden heeft doorlopen. Omdat een passende vervolgtherapie op dat moment bij die instelling niet voorhanden was, is zij verwezen naar de instelling waar de gz-psycholoog werkzaam is om te onderzoeken of zij in aanmerking kwam voor Transference Focus Psychotherapy (hierna: TFP). Voor de TPF bestond een wachtlijst van zes tot twaalf maanden en in de zomer van 2020 heeft klaagster ervoor gekozen om verder te gaan met een vervolg van de SFT binnen de eerste instelling. Een collega van de gz-psycholoog sprak toen met klaagster af dat zij na deze vervolg SFT opnieuw een indicatiegesprek kon hebben om te bezien of TFP nog nodig en passend was. 
3.3    De gz-psycholoog is in 2020 betrokken geweest bij de intake van klaagster. Daarbij heeft de gz-psycholoog een coördinerende rol gehad en volgde zij de uitkomsten van besprekingen over passende behandelmogelijkheden en bracht zij in het multidisciplinair overleg (hierna: MDO) de hulpvraag van klaagster in. 
3.4    Eind 2020 heeft klaagster zich opnieuw gewend tot de instelling waar de gz-psycholoog werkzaam is omdat de SFT-behandeling was vastgelopen. 
3.5     Begin 2021 heeft klaagster een indicatiegesprek over TFP gevoerd met dezelfde collega van de gz-psycholoog die ook het eerdere TFP intake gesprek voerde. Vanaf februari 2021 is de gz-psycholoog opnieuw het aanspreekpunt van klaagster geworden en zijn meerdere mogelijke therapievormen met klaagster besproken. Naast haar coördinerende rol, heeft de gz-psycholoog ook steunende gesprekken met klaagster gevoerd ter overbrugging van de periode tot klaagster haar keuze zou hebben gemaakt voor een bepaalde therapie en ook daarmee kon starten. De 
gz-psycholoog heeft klaagster in zomer 2021 aangemeld voor een indicatiegesprek voor de meer steunende Mentalization Based Treatment (hierna: MBT). 
3.6    Klaagster is in oktober 2021 gestart met de eerste fase van de MBT die uit drie fases bestaat. De ondersteunende begeleiding die werd gegeven door de gz-psycholoog is op 11 oktober 2021 beëindigd. De gz-psycholoog is niet betrokken geweest bij de MBT. Op 21 maart 2022 heeft klaagster aangegeven niet verder te willen met de MBT. Deze behandeling is daarom gestopt. 
3.7    Nadat de MBT-behandeling was gestopt, is de gz-psycholoog weer betrokken bij de zorg voor klaagster. Op 10 mei 2022 heeft zij klaagster fysiek gesproken. De gz-psycholoog heeft met klaagster de ondergane therapieën geëvalueerd en mogelijke vervolgbehandelingen besproken. Klaagster heeft vervolgens haar voorkeur geuit voor TFP. Op 18 mei 2022 heeft de gz-psycholoog klaagster aangemeld voor een TFP-indicatiegesprek. De gz-psycholoog is daarbij het aanspreekpunt voor klaagster gebleven. 
3.8     Vanaf 23 juni 2022 is een collega van de gz-psycholoog betrokken bij de zorg voor klaagster. Op dat moment had de gz-psycholoog geen rol meer tot september 2022.
3.9    In de zomer van 2022 heeft klaagster gesprekken gevoerd met een collega van de 
gz-psycholoog waarin onder meer de voor- en nadelen van TFP (opnieuw) werden besproken. Vanwege de angsten bij klaagster werd als alternatief voor de meer confronterende TFP-methode, wederom de meer steunende MBT besproken. Bij het keuzeproces is ook een psychiater betrokken geweest. Daarnaast zijn op verzoek van klaagster IMRS, EMDR en andere traumatherapie mogelijkheden besproken. 
3.10    Op 25 oktober 2022 heeft er een MDO plaatsgevonden. Daarover is het volgende genoteerd in het medisch dossier (alle citaten voor zover van belang letterlijk weergegeven en met overname van eventuele stijl - en schrijffouten):
“(…) MDO met (…) [de gz-psycholoog, de collega en de manager gz-psycholoog], (hierna: manager) we blijven vasthouden aan voorstellen die gedaan zijn (…). Cle wil een back up plan en dat is dan woe-do bij (…) [collega van de gz-psycholoog]. We kunnen haar geen garanties bieden dat behandeling succes vol zou zijn. (…)”
3.11     De uitkomst van het MDO is door de gz-psycholoog met klaagster besproken. Klaagster heeft vervolgens een aantal (ook boze) e-mailberichten gestuurd naar de collega van de 
gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft daarop op 31 oktober 2022 telefonisch contact gezocht met klaagster. Klaagster wenste herstel van het contact met de collega van de gz-psycholoog en hield vast aan therapie door die collega.
3.12    Op 2 november 2022 is de behandeling van de therapie van klaagster opnieuw in een MDO besproken. In het medisch dossier is hierover genoteerd: 
“(…) We bespreken dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt over hoe verder, daarin is het nodig om een grens te stellen. We proberen (…) mee te denken in wat de beste opties zijn, juist omdat ze al zo lang wacht. Tegelijkertijd kunnen we het niet perfect maken, er zijn geen garanties in de behandeling en de wensen die cliënte heeft kunnen niet op alle fronten waargemaakt worden, mede omdat ze haar ook niet zullen helpen. 
Belangrijkste punten:
-    (…) [manager] ziet vanuit klinische evidentie + idee dat je spreiding over de week wil om object constantie vast te houden, 2 dagen achter elkaar niet optie. De woensdag en donderdag zijn dus niet mogelijk. (…) 
-    Opties zijn dan: 
dinsdag online en donderdag op locatie bij (…) [collega van de gz-psycholoog], waarbij duidelijk moet zijn dat (…) [collega van de gz-psycholoog] niet aan de voorwaarden van cle kan voldoen dat ze niet ontregeld weg mag gaan uit de sessie 
OF 
donderdag op locatie bij (…) [collega van de gz-psycholoog] en op di een mail co/kort tc gericht op steun 
-    Optie (…) [therapeut geen de gz-psycholoog] gaat niet lukken, (…) geeft te veel onzkerheid en zal opnieuw tot discussie leiden
-    (…) [de gz-psycholoog] stelt aan cle voor om a.s. dinsdag in gesprek (…) de opties en grenzen te bespreken. 
-    voor komende dagen: cle kan contact zoeken met voorwacht, er is een crisis plan, dit gebruiken richten op stabilisatie (…).”
3.13    Op 7 november 2022 heeft de gz-psycholoog een terugkoppeling gegeven aan klaagster. Klaagster heeft in dit gesprek een aantal voorwaarden benoemd die de gz-psycholoog heeft besproken met haar collega en de manager. In het medisch dossier heeft de gz-psycholoog bij deze datum het volgende genoteerd:
“(…) Terugkoppeling gegeven van MDO. Heeft forse last gehad van onzekerheid over terugkoppeling die pas vandaag kon plaatsvinden. Het had gescheeld als ik in mijn mail iets had uitgesproken over dat (…) [collega van de gz-psycholoog] het contact met haar wil herstellen. Ze noemt dat ze dan als het contact met (…) [collega van de gz-psycholoog] hersteld kan worden wil starten met dinsdag online en donderdag op locatie, maar dat ze heel angstig wordt van de gedachte dat als de therapie toch niet goed werkt bij haar ze dan haar wachttijd kwijt is (…) en mocht ze daarna bijvoorbeeld alsnog worden aangemeld bij intensieve schematherapie (…) ze weer met een hele lange wachttijd te maken heeft. Ik noem dat ik opnieuw wil overleggen met (…) [collega van de gz-psycholoog] en (…) [manager] (…). Ze wil graag dat ik eerst de punten mail aan haar om er zeker van te zijn dat ik het goed heb begrepen. (…)”
De e-mail aan klaagster luidt als volgt: 
“(…) hierbij de punten zoals ik ze vanochtend begrepen heb: 
Je grootste voorkeur ligt bij intensieve schematherapie (…) als daar twee keer in de week op locatie kan plaatsvinden. Nu is het onduidelijk (…) wanneer je dan zou kunnen starten. Groot nadeel is nu de onzekerheid en mogelijk nog lange wachttijd voor je daar daadwerkelijk kan starten. Je zou daarom wel willen starten bij (…) [collega van de gz-psycholoog] op dinsdag online en donderdag op locatie, maar dit voelt alleen veilig voor jou als we met je mee denken over een vervolg mocht dit toch niet blijken te werken. Anders ben je je wachttijd kwijt (…) en is je angst dat je weer heel lang moeten wachten (…). Een andere optie als vangnet zou voor jou zijn om het vooruitzicht te hebben dat je op den duur bij (…) [collega van de gz-psycholoog] in haar eigen praktijk terecht zou kunnen. (…) Heb ik het zo goed begrepen? (…)”
3.14    Klaagster heeft bij e-mail van 7 november 2022 onder meer het volgende laten weten: 
"(…) Het is wel belangrijk dat we de knoop deze week doorhakken, want mijn sollicitaties lopen al, waarvan 1 bij een werkplek waar ik anders graag in de toekomst alsnog ga solliciteren. (…)”
In een e-mail van 14 november 2022 heeft klaagster benadrukt dat zij niet zou gaan solliciteren als zij op korte termijn met de therapie zou beginnen. 
3.15    Op 14 november 2022 heeft de gz-psycholoog klaagster geïnformeerd dat de eerder genoemde voorwaarden van klaagster zijn afgewezen. De gz-psycholoog gaf daarbij ook uitleg over de reden van de afwijzing. Klaagster heeft vervolgens meerdere vragen gesteld over de SFT (wekelijks één keer online en één keer op locatie). In het medisch dossier heeft de gz-psycholoog bij 14 november 2022 genoteerd:
“(…) Aan cliënte opties voorgelegd: bij (…) [collega van de gz-psycholoog] in therapie, maar dan kan ze niet op wachtlijst blijven staan voor intensieve schematherapie (…) en als therapie bij (…) [collega van de gz-psycholoog] ivm deel online niet goed werkt is het geen optie om over te gaan naar praktijk (…) [collega van de gz-psycholoog] ivm de complexiteit van problematiek. De 
3 maanden extra die wil voor frequentie 2 x in de week kan in de loop van de therapie besproken worden en niet van te voren worden vastgelegd. Cliënte is boos. We bewegen niet genoeg mee terwijl zij wel mee moet bewegen. Zij noemt dat om haar keuze te kunnen maken (…) ze graag onderzoek wil lezen waarin is gekeken naar effectiviteit van therapie als dit deels online plaatsvindt in vergelijking met therapie volledig op locatie. Als het geen verschil is, wil ze het aangaan met (…) [collega van de gz-psycholoog]. Deze vraag is (…) [manager] en (…) [collega van de gz-psycholoog] voorgelegd. (…)”
Klaagster en de gz-psycholoog hebben hierna meermaals en uitgebreid contact met elkaar gehad. 
3.16    Op 16 november 2022 heeft de gz-psycholoog het volgende aan klaagster gemaild: 
“(…) ik heb helaas vandaag geen tijd om je te bellen. Het mailen en bellen met je kost me veel tijd en het lukt me niet daar steeds op in te gaan. Ik kan je vragen die je in de mail stuurt helaas niet beantwoorden en ik kan het niet concreter maken dan ik je maandag heb verteld en nog op de mail heb gezet. We kunnen het er dinsdag verder over hebben in onze afspraak. Dan heb ik de tijd voor je. (…)”
3.17    Daarna heeft op dezelfde dag – 16 november 2022 – een collega van de gz-psycholoog die werkzaam was bij de voorwacht het volgende genoteerd: 
“(…) mw belt, (…) wil (…) [therapie instelling waar de gz-psycholoog werkt] ‘komen kapot maken’. Ze voelt zich destructief. Ivm de situatie besloten mw uit te nodigen voor gesprek op locatie. op de vraag wat ik voor haar kan doen, vertelt cliente uitgebreid haar hulpverleningstraject (…). Ze voelt zich niet geholpen door (…) [de gz-psycholoog en de collega van de gz-psycholoog]. Eerstgenoemde heeft haar vandaag slechts kort gemaild (…) dat ze vandaag geen tijd heeft en dat mw de crisisdienst of voorwacht kan bellen. Daarmee voelt clnte zo begrijp ik vooral niet gehoord in (…) hoe (…) destructief ze zich voelt. Ervaart het als een keuze van behandelaar (om niet op haar te reageren), kan dat moeilijk vanuit andere perspectief zien. (…) [collega van de 
gz-psycholoog] zou gisteren onvoldoende op haar vragen in zijn gegaan. (…)”
Daarna is er die dag nog een aantal keer contact geweest tussen de gz-psycholoog en klaagster. 
3.18    Op 21 november 2022 heeft een collega van de gz-psycholoog klaagster gesproken. In het medisch dossier is het volgende genoteerd: 
“(…) Cliënt gesproken via de voorwacht telefoon. Benoemde dat het niet goed gaat, in crisis. Boos te blijven nadenken, slecht te slapen en boze mails te sturen. Benoemde al drieënhalf jaar zonder therapie te zitten, kan nergens terecht. Steeds wordt ze ergens afgewezen of heeft ze pech (…). Genoemd dat ik zie in haar dossier dat haar morgen een gesprek met (…) [de gz-psycholoog] is aangeboden. Spanning liep direct op. Gaf aan geen contact met haar te willen en daar een mail over te hebben gestuurd. Voelt zich door (…) [de gz-psycholoog] afgewezen. Heeft haar hoop gericht op (…) [collega van de gz-psycholoog], maar gaf aan de overtuiging te hebben dat zij vast slecht nieuws zal brengen. Heeft haar een mail gestuurd (…) Bleef mij overtuigen dat dat niet gaat lukken. (…)”
3.19    Klaagster is op de op 22 november 2022 gemaakte afspraak met de gz-psycholoog
niet verschenen. In het medisch dossier is genoteerd:
“(…) cliënte gebeld (…). Gevraagd naar haar keuze legt ze uit dat ze onder de hoge druk van deadline om keuze te maken heel angstig voelt. Ze wil graag nog 1 gesprek met (…) [collega van de gz-psycholoog] om nog verdere geruststelling te zoeken om het met haar aan te durven gaan. Genoemd dat we niet nog een gesprek in gaan plannen, omdat we denken dat het haar niet verder zal geruststellen. Dat het niet goed voor haar is dat deze keuze zo voortsleept en haar emoties steeds hoger oplopen (…). 
Als ik nogmaals zeg dat het geen optie meer is een gesprek daarover aan te gaan en noem dat als ze geen keuze maakt dit betekent dat we haar zullen terug verwijzen naar de huisarts omdat ze dan geen gebruik maakt van het behandelaanbod (…) wordt ze razend en slaat om zich heen. Later blijkt dat ze hierbij haar hand heeft bezeerd en ze denkt dat deze misschien gebroken is. (…) maar dan noemt ze dat ze kiest voor therapie bij (…) [collega van de gz-psycholoog]. Ze zegt dat wij haar dwingen tot een keuze (…). Ze wil dat ik dat in decursus schrijf en dat ik decursus aan haar mail zodat ze haar versie er aan kan toevoegen. Verder noemt ze dat ze gesprek wil met (…) [manager] om te hebben over gang van zaken van afgelopen periode. (…) Ze verbreekt de verbinding voordat we het gesprek hebben afgesloten. (…)”
3.20    Na 22 november 2022 is er nog een aantal keer contact geweest tussen klaagster en de 
gz-psycholoog en haar collega.
4.     Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang opnieuw beoordeelt en gegrond verklaart. 
4.2    De gz-psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen. 
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.3    Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht van klaagster ongegrond is. Hieronder wordt uitgelegd hoe het Centraal Tuchtcollege tot zijn oordeel is gekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
4.4     De vraag die beantwoord moet worden is of de gz-psycholoog bij haar professionele handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep de norm of standaard was.
4.5    Het Centraal Tuchtcollege ziet net als het Regionaal Tuchtcollege aanleiding om de klachtonderdelen a, b, c en e gezamenlijk te behandelen. In deze klachtonderdelen verwijt klaagster de gz-psycholoog het volgende:
a.     De gz-psycholoog heeft klaagster onnodig onder druk gezet door haar op 22 november 2022 te laten beslissen over de keuze tussen een behandelplek voor de SFT met een onbepaalde wachttijd of twee maal per week de SFT (wekelijk een keer online en een keer op locatie);
b.     De gz-psycholoog heeft niet gecheckt wat de ontregeling van klaagster op 16 november 2022 veroorzaakte. De ontregeling kwam niet door besluiteloosheid van klaagster maar door een opeenstapeling van ongunstige omstandigheden, het wachten op een passende behandeling en een conflict met een college van de gz-psycholoog aan wie klaagster zich had gehecht;
c.    De gz-psycholoog heeft ten onrechte gedreigd met het opzeggen van de behandelovereenkomst zonder eerst alternatieven te onderzoeken;
e.    De gz-psycholoog bleef de behandeloptie om structureel de SFT in de vorm van een sessie live en een sessie online voorstellen als een goede, realistische therapie ondanks de geuite bezwaren van klaagster.
4.6    Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat er sprake is geweest van een intensief en belastend traject voor zowel klaagster als de gz-psycholoog en dat uit het dossier blijkt dat zij beiden hebben geprobeerd om elkaar te begrijpen en een goede verstandhouding te krijgen en te behouden. Uit het dossier komt verder naar voren dat klaagster te kampen had met ernstige klachten en spanningen en dat wachtlijstproblematiek hier een rol in heeft gespeeld.
4.7    Het Regionaal Tuchtcollege heeft uitgebreid overwogen op basis waarvan het tot het oordeel komt dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en neemt deze overwegingen en dit oordeel over. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling in beroep overweegt het Centraal Tuchtcollege verder nog het volgende. Tijdens de langdurige zoektocht naar de juiste therapie, heeft de gz-psycholoog veelvuldig de mogelijkheden en onmogelijkheden van de diverse alternatieven met klaagster besproken. Hierbij had zij ook voldoende aandacht voor alle wensen, voorwaarden en bedenkingen van klaagster. 
Het Centraal Tuchtcollege heeft er begrip voor dat klaagster zich in november 2022 onder druk gezet voelde, maar voor het college staat vast dat de toestand van klaagster in die periode verslechterde en dat de gz-psycholoog in samenspraak met collega’s en op basis van de uitkomsten van een MDO terecht heeft ingeschat dat het noodzakelijk was dat er een knoop werd doorgehakt over de therapie(vorm). Zij heeft dan ook in november 2022 terecht grenzen gesteld en een uiterste datum gesteld om een keuze te maken. Dat klaagster, zoals zij zelf stelt, voor zichzelf een deadline voor het nemen van de beslissing had gesteld van 1 december 2022, is niet komen vast te staan, zodat alleen al hierom het verwijt dat de gz-psycholoog tot 1 december 2022 geduld had moeten hebben niet kan slagen. Dat er wellicht ook andere oorzaken waren voor de verslechtering van de toestand van klaagster kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het staat vast dat het keuze traject langdurig en zorgvuldig is geweest en voor het Centraal Tuchtcollege staat eveneens vast dat het feit dat de beslissing over de keuze voor een therapie uitbleef (fors) heeft bijgedragen aan de ontregeling van klaagster in die periode. Het Centraal Tuchtcollege ziet het benoemen van de consequenties van het niet nemen van een beslissing over de therapie niet als ongeoorloofde druk. De gz-psycholoog en haar collega’s zagen op goede gronden geen mogelijkheden meer om klaagster te begeleiden als de keuze uitbleef. In een dergelijke situatie is een terug verwijzing naar de huisarts een reële optie.
4.8    Klachtonderdeel d betreft het verwijt dat de besluitvorming over de interventie onvoldoende in het medisch dossier staat genoteerd. Ook wat betreft dit klachtonderdeel volgt het Centraal Tuchtcollege de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt het deze over. Aanvullend merkt het Centraal Tuchtcollege op dat er na het MDO waarin de interventie werd afgesproken meermalen contact is geweest met klaagster en dat klaagster naar aanleiding van de terugkoppeling van de MDO’s ook opnieuw met de gz-psycholoog heeft gesproken over (onder meer) wensen en voorwaarden. Ook dit staat in het medisch dossier genoteerd. 
4.9    Het laatste klachtonderdeel (f) gaat over het gebrek aan zelfreflectie bij de gz-psycholoog. Nu klaagster deze klacht niet met feiten en omstandigheden heeft toegelicht en het dossier geen aanknopingspunten biedt om deze klacht nader te onderzoeken, zal het Centraal Tuchtcollege niet inhoudelijk op deze klacht reageren.
Conclusie 
4.10     Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klachten op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege het beroep zal verwerpen. 
5.       Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.  
Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, T. Dompeling en J. Legemaate, leden-juristen, en A. de Keijser en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door 
E. van der Linde, secretaris.
        Voorzitter   w.g.        Secretaris  w.g.