ECLI:NL:TGZCTG:2025:135 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2623

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:135
Datum uitspraak: 04-08-2025
Datum publicatie: 04-08-2025
Zaaknummer(s): C2024/2623
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk niet ontvankelijke en voor het overige ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster verwijt de psychotherapeut een onzorgvuldige diagnosevorming en dossiervoering. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk voor zover de klacht ziet op aspecten die zien op een eerder ingediende klacht, omdat hier al op is beslist (ne bis in idem). Voor het overige wordt de klacht kennelijk ongegrond verklaard, omdat er geen sprake van een wisseling in de diagnose gedurende de behandeling. Dat de psychotherapeut getwijfeld heeft en meerdere diagnoses heeft gesteld is niet ongebruikelijk en niet onzorgvuldig. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2623 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., Psychotherapeut,werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum.     
1.      Kern van de zaak
1.1    Klaagster is van 15 februari 2019 (intake) tot en met 26 maart 2021 in behandeling geweest bij de psychotherapeut. De psychotherapeut heeft klaagster onder meer gediagnosticeerd met trekken van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis en een gegeneraliseerde angststoornis (GAS). Klaagster heeft eerder een tuchtklacht tegen de psychotherapeut ingediend. Haar verwijten betroffen toen het bespreken van de diagnose, de wijze van bejegening en het niet beëindigen van de therapie. Hierop heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam op 22 december 2023 beslist (kenmerk: A2023/5741). Tegen deze beslissing is geen beroep ingesteld. In de huidige klacht verwijt klaagster de psychotherapeut een onzorgvuldige diagnosevorming en een onzorgvuldige dossiervoering. 
1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klaagster voor een gedeelte kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht verklaard omdat daarover al eerder een beslissing is genomen en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het met dit oordeel eens en zal het beroep verwerpen. 
2.      Verloop van de procedure
2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7214 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:201). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 
2.3    Klaagster en de psychotherapeut waren beiden op de zitting aanwezig, de psychotherapeut bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klaagster heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zij aan de wederpartij en aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd.
3.      De feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. 
3.2    Klaagster heeft op 15 februari 2019 een intake gehad bij de psychotherapeut nadat zij door haar huisarts was verwezen. Haar hulpvraag was om te leren omgaan met het aanstaande verlies van haar moeder die terminaal ziek was. Uit het intakegesprek kwam verder naar voren dat klaagster grip wilde krijgen op haar piekergedachten, aan haar zelfvertrouwen wilde werken en dat ze al jaren het gevoel had overspannen te zijn.
3.3    Op basis van de intake achtte de psychotherapeut persoonlijkheidsproblematiek waarschijnlijk, vooralsnog cluster C (dwangmatig). Als behandeldoel is op 1 maart 2019 in het medisch dossier het volgende opgenomen:
“primaire focus op onderliggende persoonlijkheidsproblematiek die haar rouwproces lijkt te versturen en/of te verergeren. Secundair ook aandacht voor ondersteuning bij rouwproces.” De psychotherapeut stelde steunende psychodynamische psychotherapie voor met elementen uit MTB (mentaliseren bevorderen). Hiermee heeft klaagster ingestemd.  
3.4        Op 15 maart 20219 startte de therapie. Aanvankelijk vond de therapie wekelijks plaats, later werd dit tweewekelijks. Een deel van de gesprekken heeft telefonisch plaatsgevonden, in eerste instantie vanwege de coronapandemie, later omdat klaagster niet openstond voor beeldbellen en het haar niet lukte om naar de praktijk te komen.
3.5        Op 10 mei 2019 heeft de psychotherapeut zijn eerste vermoedens met betrekking tot diagnostiek met klaagster besproken en hij heeft dit herhaald op 7 juni 2019.
Bij de overgang naar het tweede behandeljaar, is klaagster akkoord gegaan met de gestelde diagnose.
3.6    De psychotherapeut heeft klaagster uiteindelijk onder meer gediagnosticeerd met trekken van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis en een gegeneraliseerde angststoornis (GAS). 
3.7    Op 26 februari 2021 heeft de psychotherapeut met klaagster besproken dat hij de therapie wilde afronden omdat klaagster alleen telefonische contacten wilde. In overleg is toen 9 april 2021 als laatste sessie gepland. Klaagster heeft vervolgens op 26 maart 2021 besloten de therapie te beëindigen.
3.8    Op 22 december 2023 heeft het Regionaal Tuchtcollege een eerdere klacht van klaagster kennelijk ongegrond verklaard. In deze klachtprocedure verweet klaagster de psychotherapeut dat hij ten onrechte op een formulier van de zorgverzekeraar had ingevuld dat klaagster (trekken van) een persoonlijkheidsstoornis heeft, dat hij zich onprofessioneel heeft gedragen, dat hij klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd door pas na een jaar de diagnose te bespreken, dat hij onvoldoende de leiding heeft genomen door niet eerder de behandeling te beëindigen en dat hij begriploos reageerde op onderwerpen die klaagster wilde bespreken.
4.      Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster verwijt de psychotherapeut een onzorgvuldige diagnosevorming en een onzorgvuldige dossiervoering. Zij is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang opnieuw beoordeelt en gegrond verklaart. 
4.2    De psychotherapeut heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen. 
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.3    Het Centraal Tuchtcollege is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat over een gedeelte van de klacht al eerder onherroepelijk is geoordeeld, en dat de klacht voor het overige ongegrond is. Hieronder wordt uitgelegd hoe het Centraal Tuchtcollege tot zijn oordeel is gekomen.
Ontvankelijkheid
4.4    Artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat niemand nogmaals berecht kan worden ter zake van enig handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Dit wordt het ne bis in idem-beginsel genoemd.
4.5    Met de klacht verwijt klaagster de psychotherapeut onder meer geen onderbouwing te hebben gegeven voor de gestelde diagnoses. Daarnaast vindt klaagster het dossier onvolledig en ongenuanceerd. Het Centraal Tuchtcollege is het met het Regionaal Tuchtcollege eens dat deze verwijten in de eerdere tuchtprocedure niet aan de orde zijn geweest en dat hierop niet is beslist. Klaagster is voor wat betreft deze klachtonderdelen ontvankelijk in haar klacht. 
4.6    Klaagster klaagt ook over het in haar ogen niet of te laat informeren door de psychotherapeut over de diagnose en de wijze waarop volgens haar een en ander is gegaan met betrekking tot de DBC-registratie. Het Centraal Tuchtcollege is het ook eens met het Regionaal Tuchtcollege dat voor zover klaagster met haar klacht over de diagnosevorming ook deze aspecten bedoelt, zij voor dat deel niet-ontvankelijk is in haar klacht. Daar is namelijk al wel op beslist in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 22 december 2023. 
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader

4.7     De vraag die beantwoord moet worden is of de psychotherapeut bij zijn professionele handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd en met wat toen in die beroepsgroep de norm of standaard was.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldige diagnosevorming
4.8    Klaagster verwijt de psychotherapeut met dit klachtonderdeel dat hij gedurende de behandeling nooit een onderbouwing heeft gegeven voor de door hem gestelde diagnoses, niet in het dossier en niet in de gesprekken met klaagster. Volgens klaagster had de totstandkoming van de diagnoses meer weg van een kwartetspel dan van een professionele diagnosevorming. Zij wijst er daarbij op dat de psychotherapeut de diagnose paranoïde persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld op 18 oktober 2019 en hij dit op 14 februari 2020 heeft veranderd in een gegeneraliseerde angststoornis zonder enige toelichting. Volgens klaagster staat er nergens in het dossier een onderbouwing van de diagnoses die voldoet aan de criteria zoals beschreven in de DSM. 
4.9     Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt. Vaststaat dat de psychotherapeut aan het begin van de therapie heeft getwijfeld aan de te stellen diagnose(s). Hij heeft hierover op de zitting verklaard dat hij normaal gesproken tussen de één à drie gesprekken voert met een cliënt, waarna hij een voorlopige diagnose stelt en die met de cliënt bespreekt. In het behandeltraject van klaagster is het anders gegaan en heeft het proces van diagnosevorming veel langer geduurd dan normaal het geval is. Volgens de psychotherapeut had dit vooral te maken met de dynamiek binnen de interactie tussen klaagster en hem. De psychotherapeut vond de problematiek van klaagster complex en dit heeft het beloop van het traject beïnvloed.
Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de psychotherapeut op 10 mei 2019 voor het eerst zijn gedachten over de diagnostiek met klaagster heeft gedeeld en dat hij dit op 7 juni 2019 heeft herhaald. Uit het medisch dossier blijkt verder dat de diagnoses ook op 11 en 18 oktober 2019 aan de orde zijn geweest en dat de psychotherapeut op 25 oktober 2019 geprinte informatie over een gegeneraliseerde angststoornis en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis aan klaagster heeft meegegeven. Na een jaar behandeling en na twee jaar behandeling zijn dezelfde diagnoses in het dossier genoteerd. 
Het Centraal Tuchtcollege heeft er begrip voor dat klaagster het proces van diagnosevorming als onduidelijk heeft ervaren, ook omdat dit relatief lang heeft geduurd. Daar staat tegenover dat het Centraal Tuchtcollege ook goed kan begrijpen dat de psychotherapeut meer tijd dan gebruikelijk nodig had om tot een goede diagnosestelling te komen. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het niet ongebruikelijk is dat er meerdere diagnoses naast elkaar worden gesteld en dat deze gaandeweg bijgesteld en aangepast worden. Alles afwegende komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het proces van de diagnosevorming beter had gekund maar dat de psychotherapeut wel binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
Het zou beter geweest zijn als de psychotherapeut zijn diagnostische twijfels expliciet met klaagster besproken zou hebben, dit duidelijk vermeld zou hebben in het dossier en hij duidelijke afspraken gemaakt zou hebben over het traject en de daaraan gekoppelde verwachtingen. Gelet op de complexiteit van de casus was het ook aanbevelenswaardig om aanvullend diagnostische instrumenten, zoals psychologische tests, in te zetten. Uit alles wat naar voren is gebracht, blijkt echter dat de psychotherapeut bewust heeft afgezien van de inzet van diagnostische instrumenten en dat hij zijn gedachten en afwegingen tijdens intervisie bijeenkomsten heeft getoetst. Het Centraal Tuchtcollege is daarom net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de psychotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel b) onzorgvuldige dossiervoering
4.10    Net als het Regionaal Tuchtcollege kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen dat de psychotherapeut in zijn verslaglegging van de gesprekken met klaagster onvolledig of ongenuanceerd zou zijn. Ook in beroep wordt dit door de psychotherapeut betwist. Naast klaagster en de psychotherapeut was niemand anders bij de gesprekken aanwezig. In de stukken zijn geen aanwijzingen te vinden die dit verwijt van klaagster ondersteunen, anders dan enkel haar verklaring. Het is vaste rechtspraak dat een klacht niet gegrond verklaard kan worden als de feiten waarop de klacht gebaseerd is niet komen vast te staan. Dat de klacht niet gegrond verklaard wordt, betekent niet dat het Centraal Tuchtcollege meer waarde hecht aan de stellingen van de psychotherapeut dan aan die van klaagster. Het Centraal Tuchtcollege kan uitsluitend constateren dat het feitelijk gaat om het woord van de een tegen dat van de ander zodat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Conclusie 
4.11     Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster niet kan slagen.
5.       Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep. 
Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, T. Dompeling en J. Legemaate, leden-juristen, en A. de Keijser en F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door 
E. van der Linde, secretaris.

        Voorzitter   w.g.            Secretaris  w.g.