ECLI:NL:TGDKG:2025:96 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/753120 / DW RK 24/241 MK/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:96
Datum uitspraak: 29-09-2025
Datum publicatie: 01-10-2025
Zaaknummer(s): C/13/753120 / DW RK 24/241 MK/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte de netto bijtelling van de leaseauto van klager in de berekening van de beslagvrije voet betrokken. Verder is niet (tijdig) op e-mailberichten van klager gereageerd. Klacht gegrond, maatregel van berisping opgelegd en veroordeling in proceskosten.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 september 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/753120 / DW RK 24/241 MK/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 29 juni 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 augustus 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2025 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 september 2025.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Op 3 mei 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder [  ] ten laste van klager.

-           Op 21 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaak van klager.

-           Bij e-mail van 22 mei 2024 heeft klager zijn financiële situatie uitgelegd en een betalingsvoorstel van € 400 per maand gedaan.

-           Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om een verklaring derdenbeslag vanuit de B.V. en is de berekening van de beslagvrije voet verstrekt.

-           Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat de beslagvrije voet volgens hem niet correct was berekend.

-           Bij e-mail van 29 mei 2024 heeft klager verzocht om een reactie op zijn

e-mail van 27 mei 2024.

-           Bij e-mail van 1 juni 2024 heeft klager zijn e-mails van 27 mei 2024 en

29 mei 2024 bij de gerechtsdeurwaarder in herinnering gebracht.

-           Bij e-mail van 5 juni 2024 heeft klager een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend.

-           Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder op de e-mails van klager van 27 en 29 mei 2024 en 1 juni 2024 gereageerd.

-           Bij e-mails van 14, 22 en 25 juni 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht wanneer hij een reactie op zijn klacht kan verwachten.

-           Bij brief van 6 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder inhoudelijk op de klacht van klager gereageerd.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet heeft gehanteerd met als gevolg dat klager niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien;

b: de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op de bezwaren van klager tegen de hoogte van de beslagvrije voet;

c: de gerechtsdeurwaarder na de e-mail van klager van 27 mei 2024 niet meer met klager heeft gecommuniceerd, ondanks meerdere verzoeken daartoe.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer voorop dat de hoogte van de beslagvrije voet geen kwestie is die ter beoordeling van de kamer staat. Dit is slechts anders als sprake is van evidente fouten of handelen tegen beter weten in. In dit geval is sprake van een evident gemaakte fout. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn e-mail van 6 juli 2024 en ter zitting erkend dat abusievelijk te snel de netto bijtelling van de leaseauto van klager in de berekening van de beslagvrije voet is betrokken. Dit is pas toegestaan per 1 januari 2025. De gerechtsdeurwaarder heeft de fout inmiddels weliswaar hersteld, maar de fout is van zodanig gewicht dat de gerechtsdeurwaarder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdelen b en c stelt de kamer voorop dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven en e-mailberichten met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn, in beginsel twee weken, beantwoordt. Als het, zoals in dit geval, gaat om een herberekening van de beslagvrije voet – waarover door klager bovendien meermaals een herinnering is verstuurd – mag van een gerechtsdeurwaarder echter worden verwacht dat hij daarop onverwijld reageert. De gerechtsdeurwaarder heeft pas op

12 juni 2024 op de e-mails van klager (van 27 mei 2024, 29 mei 2024 en 1 juni 2024) gereageerd. Dat is te laat. De door de gerechtsdeurwaarder ter zitting gegeven toelichting dat hij een week met vakantie was, is geen valide reden voor deze te late reactie.

5.4 In zijn e-mail van 12 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder verzocht om nadere bewijsstukken en is de beslagvrije voet in het voordeel van klager herberekend. De stelling van klager dat de gerechtsdeurwaarder in het geheel niet heeft gereageerd op zijn bezwaren over de hoogte van de beslagvrije voet en na 27 mei 2024 niet meer met klager heeft gecommuniceerd, is dus niet juist. De reactie was er wel, maar te laat.  

5.5 De kamer zal de klacht gelet op voorgaande deels gegrond verklaren. De kamer acht de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Daarbij betrekt de kamer, zoals hiervoor is toegelicht, dat de beslagvrije voet aantoonbaar onjuist is toegepast (onderdeel a) en dat te laat is gereageerd op de bezwaren van klager tegen de hoogte van de beslagvrije voet (onderdeel b).

5.6 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet in combinatie met de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Deze bestaan uit de kosten van de klager en de kosten van behandeling van de klacht door de kamer. Voor klager worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500.

5.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

5.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdelen a en b gegrond zoals onder 5.2 en 5.3 toegelicht;
  • verklaart de klachtonderdelen voor het overige ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, begroot op
    € 50;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, begroot op € 1.500, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad

€ 50 vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. B. Brokkaar en

M.F.J. Pijnenburg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

29 september 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.