ECLI:NL:TGDKG:2025:94 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/768475 / DW RK 25/142 EdV/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:94 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-09-2025 |
| Datum publicatie: | 24-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/768475 / DW RK 25/142 EdV/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet ongegrond. De klachten van klager zien op een periode van langer dan drie jaar geleden, dan wel zijn in een eerdere klachtprocedure behandeld. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 24 september 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 31 maart 2025 met zaaknummer C/13/761612 / DW RK 24/439 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/768475 / DW RK 25/142 EdV/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
gemachtigde: [ ],
tegen:
1. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ],
2. [ ], toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
3. [ ], voormalig gerechtsdeurwaarder,
4. [ ], toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
5. [ ], toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
6. [ ], toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
7. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ],
8. [ ], voormalig toegevoegd gerechtsdeurwaarder,
allen (voorheen) verbonden aan [ ],
beklaagden,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 20 december 2024, aangevuld bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 januari 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2025, heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders gereageerd. Bij beslissing van 31 maart 2024 heeft de voorzitter klager in klachtonderdelen b en c kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 2 april 2025 aan klager toegezonden. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 16 april 2024, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 september 2025 alwaar klager met zijn gemachtigde en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 24 september 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- [ ] heeft twee dossiers van klager in behandeling gehad: een vordering van
[ ] (hierna [a]) en een vordering van de [ ] ([b]).
- Bij beslissing van 28 november 2022 heeft de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders een beslissing genomen op een op 18 juli 2021 door klager ingediende klacht.
- Op 24 april 2024 heeft de advocaat van klager een sommatie aan [ ] verzonden.
- Op 25 april 2024 heeft [ ] de proceskostenveroordeling en het te veel ontvangen bedrag voldaan.
- Klager heeft [ ], [ ] en gerechtsdeurwaarders sub 1, 2 en 3 gedagvaard in een procedure bij de rechtbank Noord-Nederland.
- Bij e-mail van 31 januari 2025 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders klager onder meer geïnformeerd dat het verschuldigde bedrag ad € 709,50 nog niet aan klager is betaald, omdat de gerechtsdeurwaarders niet over het rekeningnummer van klager beschikken.
- Bij e-mail van 31 maart 2025 is aan klager medegedeeld dat nog een bedrag van € 22,14 teveel aan verdeelkosten is ingehouden.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich samengevat over het volgende;
a. Het uitbrengen van exploten in eigen beheer, zonder expliciete opdracht of communicatie met de opdrachtgever. Uit de beslissing van de kamer van
28 november 2022 blijkt dat een onjuist vonnis is opgenomen in het exploot. De gerechtsdeurwaarders hebben in de conclusie van antwoord in de procedure die klager is gestart, gesteld dat er geen fouten zijn gemaakt.
b. Het invorderen van (onjuiste) bedragen. [a] en de [b] hebben de gerechtsdeurwaarders geen opdracht gegeven tot het invorderen van bepaalde bedragen. De gerechtsdeurwaarders handelen zelfstandig op grond van werkafspraken met de opdrachtgevers.
c. Het niet toepassen van de zorgplicht voor schuldenaren. Ondanks verzoeken om een bericht over sluiting van een dossier weigeren de gerechtsdeurwaarders om aan de schuldenaar verantwoording af te leggen.
d. Het niet (meer) reageren op brieven/e-mails van klager.
Klager heeft een klachtenalfabet geformuleerd. Voor zover daar concrete klachten in zijn geformuleerd, zijn deze verwerkt in bovenstaande klachten.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Klager heeft zijn klacht dat een onjuist vonnis is gevoegd bij de betekening aan klager, al eerder ingediend en hieraan is in de beslissing van 28 november 2022 een overweging gewijd. Dat de gerechtsdeurwaarders vervolgens in een andere procedure bij de rechtbank Noord-Nederland in een conclusie van antwoord hebben gesteld dat zij geen fouten hebben gemaakt, komt voor rekening van de gerechtsdeurwaarders in die procedure. Klager kan vervolgens in die procedure daarop reageren. Het is niet aan de tuchtrechter om zich hierin te mengen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdelen b en c wordt het volgende overwogen. Ingevolge het bepaalde in artikel 37 lid 2 Gdw dienen klachten binnen drie jaren te worden ingediend, tenzij de gevolgen van dat handelen pas nadien bekend zijn geworden, waardoor de termijn voor het indienen van de klacht later kan verlopen.
De klacht over het ten onrechte betekenen van een dwangbevel op 16 november 2021 is na drie jaar ingediend zodat klager niet ontvankelijk is in deze klacht.
Gebleken is dat het dossier van [b] niet is gesloten en dat klager ten onrechte op
24 december 2021 is aangeschreven de vordering (weer) te voldoen. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders heeft in de brief van 31 januari 2025 ook erkend dat de brief van
24 december 2021 niet verzonden had moeten worden en hierover aan klager zijn verontschuldigingen aangeboden. De klacht over die brief van 24 december 2021 is echter niet tijdig ingediend bij de kamer. Weliswaar is deze klacht gedateerd op 18 december 2024, maar deze is pas op 24 januari 2025 bij de kamer binnengekomen. Voor dit deel van de klacht is klager dan ook eveneens niet-ontvankelijk.
Hetzelfde geldt voor het klachtonderdeel dat ziet op het invorderen van onjuiste bedragen in het dossier van [a]. Dit is namelijk meer dan drie jaar geleden gebeurd en daarover is al een oordeel gegeven in de beslissing van de kamer van 28 november 2022. Klager is daarover een procedure bij de civiele rechter gestart.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt overwogen dat de kamer al heeft geoordeeld over het niet reageren op een brief in het dossier [a]. Klager heeft nu niet aangegeven op welke brief van zijn zijde in het dossier van [b] of op andere correspondentie niet zou zijn gereageerd, zodat om die reden deze klacht niet slaagt.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager met name aangevoerd dat vorderingen en klachten niet kunnen verjaren zolang er nog betalingen in een dossier worden verricht en het onduidelijk is en blijft hoe de juiste berekening op basis van het vonnis van 9 maart 2016 dan wel zal moeten zijn.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld.
7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.3 De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders heeft verklaard dat het dossier inzake [a] in 2019 is gesloten en dat er nadien geen betalingen meer zijn ontvangen. Er loopt enkel nog een civiele procedure waar de nabetaling op 31 maart 2025
ad € 22,14 op ziet. Klager heeft niet aangetoond dat [ ] na 2019 nog betalingen heeft ontvangen. Dat er kennelijk nog gelden van zijn inkomen worden ingehouden kan niet aan deze gerechtsdeurwaarders worden verweten. Klager zal zich hiertoe tot de coördinerend gerechtsdeurwaarder moeten wenden.
7.4 De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders heeft verder verklaard dat in het dossier van [b] nooit beslag ten laste van klager is gelegd. Nadat gebleken was dat klager de vordering reeds aan [b] had betaald is het dossier gesloten. De gerechtsdeurwaarders hebben hun excuses aangeboden voor de brief die nadien nog aan klager is verzonden. De klachten van klager ten aanzien van het dossier van [b] zien op een periode van langer dan drie jaar geleden.
7.5 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.6 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 september 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.