ECLI:NL:TGDKG:2025:81 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/743295 DW RK 23/448 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:81
Datum uitspraak: 27-08-2025
Datum publicatie: 28-08-2025
Zaaknummer(s): C/13/743295 DW RK 23/448 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. De situatie als omschreven in het door de gerechtsdeurwaarder betekende exploot is geen juiste weergave geweest van de feitelijke situatie ter plaatse. De gerechtsdeurwaarder heeft in het betreffende exploot melding gemaakt van handelingen tijdens de beslaglegging alsof deze aan het kantooradres hebben plaatsgevonden, terwijl de betekening heeft plaatsgevonden aan het adres van de bestuurder. Het argument van de gerechtsdeurwaarder dat zij zich met deze vergissing niet schuldig heeft gemaakt aan een handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk laakbaar is wordt niet gevolgd door de kamer. De kamer overweegt daartoe dat de gestelde vergissing een ambtshandeling betreft en dat de door de gerechtsdeurwaarder aangehaalde criterium past bij een bagatelfout. Niet bij fouten of vergissingen die zien op de kerntaken van de gerechtsdeurwaarder. De omstandigheden dat de gerechtsdeurwaarder direct heeft toegegeven dat het relaas in het beslagexploot onjuist is, getracht heeft een oplossing te bieden en de fout niet materieel is geweest voor het met het exploot beoogde rechtsgevolg, maakt dat in dit geval kan worden volstaan met een waarschuwing.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 27 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/743295 DW RK 23/448 MK/SM ingesteld door:

[   ],

gevestigd te Amsterdam,

klaagster,

gemachtigden: [   ] (bestuurder) en [   ],

tegen:

mr. [   ],

kandidaat gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 7 december 2023, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 21 januari 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 juli 2025 alwaar de gemachtigden van klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2025.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Op 1 december 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder conservatoir aandelenbeslag gelegd ten laste van klaagster.
  • Het proces-verbaal van het aandelenbeslag heeft de gerechtsdeurwaarder bij exploot van 1 december 2023 aan [   ] (hierna: [   ]), huisgenote van de bestuurder van klaagster, afgegeven.
  • Op 4 en 5 december 2023 hebben klaagster en de gerechtsdeurwaarder met elkaar gecorrespondeerd over het betekende proces-verbaal.

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder onjuiste verklaringen aflegt in het uitgebrachte exploot en in de e-mailwisselingen daarna.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Klaagster beklaagt zich er in het bijzonder over dat de gerechtsdeurwaarder in het betekende proces-verbaal vermeld heeft dat het aandeelhoudersregister niet op kantoor van de vennootschap aanwezig was, terwijl de gerechtsdeurwaarder niet op het kantooradres is geweest maar ervoor gekozen heeft naar het privéadres van de bestuurder te gaan. Daarover heeft de gerechtsdeurwaarder het volgende opgenomen in het exploot:

Melding van handelingen tijdens de beslaglegging

Ondanks de verplichting van de Vennootschap om op haar kantoor het aandeelhoudersregister te

bewaren en terstond bij de beslaglegging een aantekening te plaatsen van het beslag en die

aantekening door mij te laten mede ondertekenen, verklaarde de Vennootschap dat zij niet aan

deze verplichting kon voldoen.

4.3 Voorts beklaagt klaagster zich erover dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte (in haar e-mail van 5 december 2023) heeft aangegeven dat [   ] heeft verklaard dat zij niet weet waar het aandeelhoudersregister is. Ook zou de gerechtsdeurwaarder ten onrechte het gesprek met [   ] hebben gelijkgesteld aan een verklaring die de vennootschap heeft afgelegd.

4.4 Niet in geschil is dat de gerechtsdeurwaarder de betekening van het betreffende exploot aan het privéadres van de bestuurder had mogen doen. Dit volgt genoegzaam uit artikel 50 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5 De kamer overweegt dat vast is komen te staan dat de situatie als omschreven in het door de gerechtsdeurwaarder betekende exploot geen juiste weergave is geweest van de feitelijke situatie ter plaatse. Hoewel de gerechtsdeurwaarder opteerde voor betekening aan de voor deze situatie atypische locatie van het privéadres van de bestuurder, heeft zij de aanmerkelijke kans genomen om in deze situatie te belanden door het gebruikte (model)exploot niet voor haar vertrek naar het privéadres van de bestuurder aan te passen. De verklaring van de gerechtsdeurwaarder dat het gesprek met [   ] de nodige aandacht van de gerechtsdeurwaarder vergde waardoor het maken van een aanpassing in het exploot aan haar aandacht is ontsnapt, neemt niet weg dat er een fout in het exploot is geslopen. Dit erkent de gerechtsdeurwaarder, zij het dat zij dit aanvoert als een vergissing. Verder stelt de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt dat zij zich, ondanks het maken van de vergissing, niet schuldig heeft gemaakt aan een handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk laakbaar is. De vergissing is volgens haar namelijk niet van structurele aard en er is geen sprake van zodanige onzorgvuldigheden (of handelen tegen beter weten in). De kamer overweegt dat de gestelde vergissing een ambtshandeling betreft. Het door de gerechtsdeurwaarder aangehaalde criterium past bij een bagatelfout en niet bij fouten of vergissingen die zien op de kerntaken van de gerechtsdeurwaarder, die ook nog eens bij uitsluiting aan de gerechtsdeurwaarder zijn toevertrouwd. Dit klachtonderdeel is op grond van het voorgaande dan ook terecht voorgesteld.

4.6 Met betrekking tot hetgeen mondeling is uitgewisseld tussen de gerechtsdeurwaarder en Hoek ten tijde van de betekening, overweegt de kamer dat zij niet kan vaststellen wie op dat punt het gelijk aan zijn zijde heeft.

4.7 De stelling van klaagster dat de gerechtsdeurwaarder [   ] vereenzelvigt met de vennootschap wordt niet gevolgd door de kamer. De gemaakte fout, zoals hiervoor toegelicht, betreft het opnemen en laten staan van een relaas dat geen juiste weergave was van de situatie ter plaatse. Dat omvat het deel ‘verklaarde de Vennootschap dat zij niet aan deze verplichting kon voldoen’.

4.8 De kamer hecht er waarde aan op te merken dat ter zitting gebleken is dat partijen elkaar niet hebben gevonden in de (schriftelijke) communicatie, die overigens van korte duur was nu klaagster twee dagen na een reactie van de gerechtsdeurwaarder een klacht bij deze kamer heeft ingediend. Het is duidelijk geworden dat partijen over en weer anders tegen een oplossing aankeken zonder dit direct met elkaar te hebben besproken. Daar waar klaagster dacht – maar zich niet heeft uitgesproken – aan een herstelexploot, heeft de gerechtsdeurwaarder gemeend met een oplossing te komen die zag op het alsnog plaatsen van de voorgeschreven aantekening in het aandeelhoudersregister en dat logistiek makkelijker te maken voor klaagster.

4.9 De kamer verklaart de klacht, gelet op het voorgaande, gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. Aanleiding hiervoor is dat de gerechtsdeurwaarder direct heeft toegegeven dat het relaas in het beslagexploot onjuist is, getracht heeft een oplossing te bieden en de fout niet materieel is voor het met het exploot beoogde rechtsgevolg. Gelet hierop ziet de kamer ook geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder, naast de opgelegde maatregel, te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht gegrond is, dienen de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagster het betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte kosten, bestaande uit een forfaitair bedrag van € 50.

4.10 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van een waarschuwing op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de proceskosten van klaagster, begroot op € 50 te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad € 50 zal vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en

M.F.J. Pijnenburg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.