ECLI:NL:TGDKG:2025:79 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/757934 DW RK 24/361 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:79 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 28-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/757934 DW RK 24/361 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht ongegrond. Klaagster beklaagt zich er onder meer over dat de gerechtsdeurwaarder beslag heeft gelegd ondanks dat aan de betalingsregeling werd voldaan door klaagster. Klaagster heeft niet uiterlijk op de daarvoor afgesproken datum (van 1 oktober 2024) de betaling verricht. Klaagster heeft daartoe onvoldoende gesteld dat er een afspraak bestond om op een later moment de betaling te verrichten. De gerechtsdeurwaarder kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 27 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/757934 DW RK 24/361 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 10 oktober 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (een medewerker van) de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 10 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 juli 2025 alwaar klaagster, de gerechtsdeurwaarder en de heer [ ] zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- de echtgenoot van klaagster is op 16 februari en 6 juli 2022 bij verstek veroordeeld om een opslagruimte te ontruimen en de achterstallige huur en ontruimingskosten te voldoen. De vonnissen zijn op respectievelijk 11 april en 19 juli 2022 aan de echtgenoot van klaagster betekend en op respectievelijk 7 juni en 9 augustus 2022 ten uitvoer gelegd;
- bij exploot van 30 april 2024 is er loonbeslag gelegd op het inkomen van klaagster. Dit beslag is 7 mei 2024 aan haar betekend;
- op 7 mei 2024 is het beslag opgeschort omdat op dezelfde datum (schriftelijk) een betalingsregeling van € 675,85 per maand is overeengekomen, onder de voorwaarde dat betaling uiterlijk op de eerste van iedere (daaropvolgende) maand dient te worden voldaan;
- op 2 oktober 2024 is het beslag ge(her)activeerd;
- op 7 oktober 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij het gerechtsdeurwaarderskantoor;
- op 8 oktober 2024 is op de klacht gereageerd en het beslag opnieuw bevroren.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich samengevat over het volgende in het contact met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder:
- Gebrek aan empathie en begrip; de medewerker van de gerechtsdeurwaarder bleef kil en onbuigzaam.
- Ongepaste communicatie; tijdens gesprekken heeft klaagster meerdere malen opmerkingen ontvangen die klaagster als respectloos heeft ervaren, zoals ‘denkt u dat u mij kunt bedreigen met een klacht’ en ook is klaagsters echtgenoot bedreigd met sancties.
- Onterechte maatregelen; hoewel klaagster zich aan de betalingsafspraken heeft gehouden, is toch besloten loonbeslag te leggen. Dit was onnodig en heeft klaagsters vertrouwen in een eerlijke behandeling geschaad.
- Geen klachtenprocedure; klaagster is niet teruggebeld door een leidinggevende ondanks een toezegging daartoe.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Klaagster heeft de klacht gericht tegen de heer [ ], medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ]. Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ingevolge dit artikel kunnen klachten zich niet richten tegen medewerkers van een kantoor. Nu de in de aanhef van de beslissing genoemde gerechtsdeurwaarder zich heeft opgeworpen als beklaagde omdat hij verantwoordelijk is voor de medewerkers van het kantoor zal de klacht worden beschouwd als tegen hem gericht. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b overweegt de kamer als volgt. Vooropgesteld moet worden dat verschil van inzicht kan bestaan over hoe gebruikte bewoordingen in de communicatie door partij wordt beleefd. Wat voor de gerechtsdeurwaarder en zijn medewerkers normaal dagelijks taalgebruik is, kan door een justitiabele als onprettig en ongevoelig worden ervaren. De kamer wil daarmee de ervaring van klaagster niet bagatelliseren, maar nu de gerechtsdeurwaarder heeft betwist zich onheus te hebben uitgelaten richting klaagster, kan niet worden vastgesteld of de gerechtsdeurwaarder een grens van het toelaatbare heeft overschreden.
4.3 Dat klaagster bij andere gerechtsdeurwaarderskantoren meer medewerking zou hebben gekregen betekent niet automatisch een zodanig gebrek aan empathie en begrip van de beklaagde gerechtsdeurwaarder dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Het gaat in deze tuchtzaak alleen om de beklaagde gerechtsdeurwaarder, en uit het dossier is niet gebleken dat hij op deze onderdelen laakbaar heeft gehandeld. Klachtonderdelen a en b zijn ongegrond.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer als volgt. Gebleken is dat het op 30 april 2024 gelegde loonbeslag is opgeschort, omdat op 7 mei 2024 een betalingsregeling tussen de gerechtsdeurwaarder en (de echtgenoot van) klaagster is overeengekomen. Aan deze betalingsregeling is voldaan in de maanden mei tot en met september 2024, met de kanttekening dat de betaling voor de maand augustus een deelbetaling (á € 300) betrof waarbij volgens de gerechtsdeurwaarder is afgesproken dat het restant (á € 375,85) uiterlijk op 1 oktober 2024 betaald zou moeten worden. Klaagster heeft op haar beurt gesteld dat de afspraak was dat het restant op 4 oktober 2024 betaald mocht worden, omdat het gebruikelijk was dat klaagster op de eerste vrijdag van de maand betalingen deed en 1 oktober 2024 een dinsdag was.
4.5 Hoe en waar een eventuele verwarring tussen partijen heeft kunnen ontstaan, is voor de kamer niet vast te stellen. Het heeft er in elk geval toe geleid dat de gerechtsdeurwaarder na een controle op 1 oktober 2024 heeft vastgesteld dat de betalingsregeling niet was niet nageleefd en besloten heeft op 2 oktober 2024 het UWV te berichten het beslag te activeren. Nu klaagster niet heeft kunnen aantonen dat de afspraak bestond om op vrijdag 4 oktober 2024 te betalen, moet worden aangenomen dat de uiterste betaaldatum 1 oktober 2024 was, wat in lijn is met de brief van 7 mei 2024. De kamer komt onder deze omstandigheden niet tot het oordeel dat sprake is geweest van tuchtrechtelijk laakbaar handelen zodat dit klachtonderdeel ongegrond is. Klaagsters beklag (op 7 oktober 2024) heeft overigens geleid tot hervatting van de betalingsregeling waarbij het beslag opnieuw is bevroren.
4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt overwogen dat klaagster op 7 oktober 2024 niet is teruggebeld ondanks haar verzoek daartoe. Wel heeft de gerechtsdeurwaarder op 8 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de klacht van klaagster, zoals zij had verzocht in haar e-mail van 7 oktober 2024. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting aangegeven bij nader inzien een voorkeur te hebben gehad voor een schriftelijke reactie. Hoewel het de gerechtsdeurwaarder had gesierd telefonisch contact op te nemen met klaagster omdat dit nu eenmaal was toegezegd, is de niet-navolging hiervan, gezien de reactie van klaagster in haar -email die zij later op diezelfde dag heeft verzonden, niet zodanig ernstig dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert. Ook dit klachtonderdeel kan niet slagen.
4.7 Nu geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen is gebleken, wordt op grond van het voorgaande beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en
M.F.J. Pijnenburg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.