ECLI:NL:TGDKG:2025:78 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/757286 DW RK 24/344 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 28-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/757286 DW RK 24/344 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht (deels) gegrond. Maatregel: waarschuwing. De gerechtsdeurwaarder heeft met betrekking tot de tweede betekening een bedrag gerekend dat in overeenstemming is met betekening en niet met het doen van een los (hernieuwd) bevel. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 27 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/757286 DW RK 24/344 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 30 september 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlage, ingekomen op 26 november 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 juli 2025 alwaar klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder is belast met een ten laste van klaagster gewezen beschikking van 31 januari 2024 van de rechtbank Rotterdam.
- Bij exploot van 19 februari 2024 is de beschikking van 31 januari 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel onmiddellijk aan de inhoud te voldoen.
- Op diezelfde datum heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd onder 12 bankinstellingen.
- Bij exploot van 20 februari 2024 is een hernieuwd bevel gedaan om binnen twee dagen tot betaling over te gaan.
- Bij e-mail van 11 juni 2024 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de kosten van het exploot van 19 februari 2024en tegen het aantal keren dat bankbeslag is gelegd.
- Bij e-mail van 25 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven de kosten van het exploot van 19 februari 2024 niet terug te zullen storten. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt gesteld dat de gelegde bankbeslagen vanwege de hoogte van de vordering proportioneel zijn.
- Hierop heeft klaagster bij e-mail van 7 augustus 2024 gereageerd.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:
- ten onrechte kosten heeft gemaakt door twee keer een exploot te betekenen;
- twaalf keer bij een bank waar klaagster geen rekening heeft lopen, heeft geïnformeerd of er gelden op een bankrekening staan.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt dat hij in eerste instantie opdracht heeft gekregen om over te gaan tot betekening van de beschikking van 31 januari 2024 zónder bevel tot betaling, om direct daarna over te gaan tot het leggen van vijftien bankbeslagen. Nadat er twaalf bankbeslagen waren gelegd, heeft de gerechtsdeurwaarder de opdracht gekregen over te gaan tot betekening van de beschikking van 31 januari 2024, nu mét bevel om binnen twee dagen het verschuldigde te voldoen. De tweede betekening van de beschikking (van 21 februari 2024) is gedaan met de insteek om - na ommekomst van die beveltermijn - beslag te kunnen leggen op voertuigen en een woning. Nu de vordering middels één van de gelegde bankbeslagen was afgewikkeld, is er geen sprake geweest van beslag op (on)roerende zaken.
4.3 Het enkele gegeven dat de gerechtsdeurwaarder kort achter elkaar exploten heeft
uitgebracht, is niet zonder meer tuchtrechtelijk laakbaar. De gerechtsdeurwaarder
heeft met betrekking tot de tweede betekening echter een bedrag gerekend dat in overeenstemming
is met betekening en niet met het doen van een los (hernieuwd) bevel. Dit is tuchtrechtelijk
laakbaar want betekening was niet nodig (want kort daarvoor al gedaan). De gerechtsdeurwaarder
heeft bij aanvang van de zitting te kennen gegeven dat hij de kosten van het tweede
exploot alsnog aan klaagster zal restitueren, maar dit repareert zijn eerdere handelswijze
niet. Klachtonderdeel a is dan ook gegrond. De kamer merkt overigens op dat een alternatieve
route, waarbij het bevel tot betaling met een termijn van twee dagen gecombineerd
zou zijn met de overbetekening van de gelegde (bank)beslagen, efficiënter was geweest.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b blijkt uit de overgelegde producties dat de gerechtsdeurwaarder bij twaalf bankinstellingen beslag ten laste van klaagster heeft gelegd. De lijst van banken bestond aanvankelijk uit vijftien bankinstellingen waarvan er na een beoordeling door de gerechtsdeurwaarder twaalf overbleven, aldus de gerechtsdeurwaarder. De lijst van bankinstellingen is aangeleverd door de (advocaat van) de opdrachtgever. Klaagster heeft ter zitting aangevoerd niet bekend te zijn met (de meeste) bankeninstellingen. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder te hoge kosten in rekening heeft gebracht voor de gelegde beslagen.
4.5 De kamer overweegt hierover als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een handelwijze waarbij ter inning van één vordering (gelijktijdig) verschillende bankbeslagen worden gelegd zónder een gerechtvaardigd vermoeden dat de debiteur bij die banken een rekening aanhoudt, niet is toegestaan. De enkele blote stelling van klaagster dat zij de bankinstellingen niet kent, houdt geen stand tegenover de omstandigheid dat de lijst van bankinstellingen afkomstig was van de opdrachtgever (ex-partner van klaagster). Dat de gerechtsdeurwaarder handelde uit een gerechtvaardigd vermoeden dat klaagster bij de betreffende bankinstellingen bankierde, is wat de kamer betreft voldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de (hoge) kosten overweegt de kamer dat gerechtsdeurwaarders in het algemeen gehouden zijn de in rekening gebrachte kosten conform de daarvoor geldende regelingen te berekenen (waaronder de Wet Incassokosten en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders). Niet gesteld of gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder buiten de beperkingen van die regelingen is getreden. Dit klachtonderdeel kan daarom niet slagen.
4.6 De kamer verklaart klachtonderdeel a gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. De kamer neemt daarbij in aanmerking dat de gerechtsdeurwaarder op zitting heeft aangeboden de kosten van het tweede exploot te restitueren aan klaagster en inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagster het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.
4.7 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart klachtonderdeel a gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50, te betalen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagster van het door hem betaalde griffierecht van € 50, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en
M.F.J. Pijnenburg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.