ECLI:NL:TGDKG:2025:77 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/756138 DW RK 24/318 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:77 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 28-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/756138 DW RK 24/318 MK/SM |
| Onderwerp: | Incassotraject |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. De gerechtsdeurwaarder is onvoldoende (inhoudelijk) ingegaan op vragen van klaagster over het verschil in betalingen en hoe deze bezien moeten worden. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder de klacht van klaagster over dit onderwerp onbeantwoord gelaten. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 27 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/756138 DW RK 24/318 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 31 augustus 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 6 januari 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 juli 2025 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- bij brief van 8 december 2023 is klaagster door (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder aangeschreven vanwege een vordering van Zekur (N.V. Univé);
- bij brief van 18 januari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een specificatie van de openstaande vordering en betalingen aan klaagster verzonden;
- bij e-mail van 22 januari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een overzicht van de gemeente Den Haag ontvangen van de namens klaagster gedane betalingen met het verzoek daarop te reageren;
- bij e-mail van 15 februari 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder, in reactie op een rappel, aan de sociaal raadsvrouw van klaagster meegedeeld in afwachting te zijn van een bericht van de opdrachtgever;
- bij brief van 11 maart 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een opgave van het restant verschuldigde aan klaagster verzonden;
- bij e-mail van 5 april 2024 heeft de sociaal raadsvrouw van klaagster verzocht om de stand van zaken;
- op 23 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder een actuele opgave van het restant verschuldigde aan de gemeente Den Haag, afdeling schuldhulpverlening gezonden;
- bij brief van 4 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster bericht dat de betalingsregeling is komen te vervallen en dat zij voor het openstaande bedrag van € 1.864,67 een nieuwe betalingsregeling moet treffen;
- bij brief van 27 juni 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder;
- Bij brief van 10 juli 2024 is de tussen klaagster en de gerechtsdeurwaarder tot stand gekomen betalingsregeling bevestigd.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich samengevat over het volgende.
- Het bedrag dat door budgetbeheer van de gemeente Den Haag aan Zekur is betaald, komt niet overeen met het bedrag dat in de overzichten van de gerechtsdeurwaarder is opgenomen. De premie wordt voldaan aan Zekur en de betalingsregeling aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Er is een aanzienlijk verschil (€ 1.218,58) in de betalingen die aan Zekur zijn gedaan en het bedrag dat in de saldo opgave is vermeld. Dit is voorgelegd aan de gerechtsdeurwaarder, maar een inhoudelijke reactie is uitgebleven, ook na een rappel op 5 april 2024.
- Klaagster heeft geen reactie gekregen op de door haar op 27 juni 2024 ingediende klacht.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. Beoordeling van de klacht
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ingevolge voornoemd artikel kunnen klachten niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweerschrift heeft G.I. van Ravenswaaij zich opgeworpen als beklaagde, omdat de werkzaamheden in dit dossier worden uitgevoerd op zijn standplaats onder zijn verantwoordelijkheid. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Met klaagster moet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder niet is ingegaan op de vraag hoe het verschil in betalingen moet worden uitgelegd. Namens de gerechtsdeurwaarder is ter zitting aangevoerd dat er vaak overzichten zijn gestuurd aan klaagster, maar ingezien wordt dat die niet de nodige duidelijkheid hebben verschaft.
4.3 In het verweerschrift heeft de gerechtsdeurwaarder uiteengezet dat aan klaagster meermaals kenbaar is gemaakt dat niet alle door haar gedane betalingen aan de opdrachtgever automatisch worden afgeboekt op de vordering die de gerechtsdeurwaarder in behandeling heeft. Voorts is het in het verweerschrift als volgt toegelicht:
“Aan haar is daarbij onder meer uitgelegd dat op het moment dat klager (de kamer begrijpt: klaagster) een bedrag aan Zekur voldoet het kan zijn dat dit bedrag op de vordering bij de Gerechtsdeurwaarder in mindering wordt gebracht, wordt afgeboekt op een oudere (interne) vordering of op een betalingsregeling bij de opdrachtgever. Daarnaast kan de betaling zien op voldoening van de actuele maandpremie (mits dit bij de omschrijving van die betaling is vermeld). Voor een actuele stand van zaken dienaangaande heeft de gerechtsdeurwaarder klager naar Zekur verwezen.”
Deze uitleg heeft echter niet geleid tot inzicht in het verschil.
4.4 Dat de door klaagster gedane betalingen afgeboekt worden op verschillende openstaande bedragen is, gelet op de omstandigheid dat sprake is van een achterstand naast de lopende premie, een gegeven. In het verzoek van klaagster wordt dit niet ontkend, maar naar de kamer begrijpt zorgt dit juist voor de verwarring. Klaagster heeft onder toezending van het overzicht “gedane betalingen door budgetbeheer” geprobeerd inzicht te krijgen in de discrepantie die volgens haar bestond. Deze poging van klaagster is niet met een inhoudelijke schriftelijke reactie beantwoord, maar alleen met een nieuwe opgave van de openstaande vordering. De klacht is om die reden terecht voorgesteld. Van de gerechtsdeurwaarder had meer verwacht mogen worden om de zaak helder te krijgen voor klaagster.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b is namens de gerechtsdeurwaarder, desgevraagd, ter zitting aangevoerd dat op 10 juli 2024 telefonisch contact is geweest met klaagster over de klacht. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde brief van 10 juli 2024 lijkt (vooral) een betalingsregeling het onderwerp van dat gesprek te zijn geweest. Klaagster heeft aangevoerd zich niet te kunnen herinneren dat de klacht toen met haar is besproken, wat zou verklaren waarom klaagster in haar klacht/brief van 17 juli 2024 van mening is dat haar klacht onbeantwoord is gebleven.
4.6 De kamer stelt vast dat de gerechtsdeurwaarder in het verweerschrift niet is ingegaan op dit klachtonderdeel hoewel de gerechtsdeurwaarder, ten tijde van het opstellen van het verweerschrift na de ontvangst van de brief van 17 juli 2024, wist wat het standpunt van klaagster is. Het dossier doorspitten heeft niet geresulteerd in de vondst van een schriftelijke reactie, aldus de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder. Ook dit klachtonderdeel is daarmee terecht voorgesteld.
4.7 De kamer verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond. Nu het gaat om niet (tijdig) reageren op vragen zal de kamer volstaan met het opleggen van de maatregel van een waarschuwing. Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagster het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door haar gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.
4.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- Verklaart de klacht gegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50 te betalen nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagster van het door haar betaalde griffierecht van € 50 nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en
M.F.J. Pijnenburg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.