ECLI:NL:TGDKG:2025:76 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/754426 DW RK 24/264 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:76
Datum uitspraak: 27-08-2025
Datum publicatie: 28-08-2025
Zaaknummer(s): C/13/754426 DW RK 24/264 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht (deels) gegrond. Maatregel: berisping. De gerechtsdeurwaarder heeft, zonder (summier) te hebben vastgesteld of de opdrachtgever in dit geval rechthebbende van de vorderingen was en dus bevoegd was om de vonnissen ten uitvoer te laten leggen, beslag gelegd. De kamer komt tot het oordeel dat het in ernstige mate tuchtrechtelijk laakbaar is om vorderingen met een groot aantal cedenten als in deze zaak wel te incasseren maar op verzoek geen aktes daarvan over te (kunnen) leggen.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 27 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/754426 DW RK 24/264 MK/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

gemachtigde: [   ]

tegen:

[   ],

oud-gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 juli 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen het kantoor van beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 2 september 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 juli 2025 alwaar klager, diens gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 27 augustus 2025.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij verstekvonnissen van 3 oktober en 19 december 2006 is klager veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 972,53 en € 349,65 (en proceskosten) aan respectievelijk Incassobureau [   ]. (hierna: [   ]) en [   ] (hierna: [   ]).
  • Klager is, onder meer, door gerechtsdeurwaarderskantoren [   ], [   ] en [   ] aangeschreven om de vorderingen te voldoen.
  • Bij brief van 28 maart 2024 is klager door de gerechtsdeurwaarder gesommeerd binnen zeven dagen de vordering uit hoofde van het verstekvonnis van 3 oktober 2006 te voldoen.
  • Bij e-mail van 4 april 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van klager een specificatie van beide openstaande vorderingen toegestuurd, alsmede de betreffende verstekvonnissen.
  • Bij schrijven van 5 en 21 april 2024 heeft klager onder meer aangevoerd dat de vorderingen in het verleden al zijn afgehandeld.
  • Bij e-mails van 18 april en 2 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat de vorderingen zijn voldaan.
  • Bij exploot van 3 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder, op het verzoek van [   ]. (hierna: [   ]), het vonnis van 19 december 2006 aan klager betekend en bevel gedaan binnen twee dagen de vordering te voldoen.
  • Bij brief van 6 mei 2024 heeft klager een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder en om inzage verzocht van de persoonsgegevens van klager die de gerechtsdeurwaarder heeft verwerkt.
  • Bij e-mail van 14 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder de brief van klager beantwoord en bijlagen toegestuurd.
  • Tussen 20 mei en 20 juni 2024 hebben klager en de gerechtsdeurwaarder gecorrespondeerd over de openstaande vordering, aktes van cessie en het uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP).
  • Bij brief van 23 juni 2024 heeft klager opnieuw een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder.
  • Bij brief van 1 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd op de klacht van klager.
  • Tussen 3 juli en 9 juli 2024 hebben klager en de gerechtsdeurwaarder gecorrespondeerd over de beantwoording van de klacht van klager.
  • Op 16 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder het UWV.

2. De klacht

Klager beklaagt zich– naar de kamer begrijpt – erover dat :

  1. de gerechtsdeurwaarder betaling van afgewikkelde vorderingen blijft vorderen. De gerechtsdeurwaarder beschikt over de stukken en opdrachten van de voorgaande gerechtsdeurwaarders, maar weigert hier nader onderzoek naar te doen.
  2. de door de gerechtsdeurwaarder gevorderde hoofdsommen niet overeen komen met de bedragen die destijds werden gevorderd;
  3. de gerechtsdeurwaarder een bovenmatige vraag doet naar persoonsgegevens bij de BRP, nu hij persoonsgegevens heeft opgevraagd over de ouders van klager. De gerechtsdeurwaarder heeft de ouders niet geïnformeerd over het opvragen en het verwerken van hun persoonsgegevens;
  4. de gerechtsdeurwaarder de executie niet wil opschorten zolang de kwestie in behandeling is bij de Kamer voor gerechtsdeurwaarders;
  5. de gerechtsdeurwaarder geen naam wil noemen tegen wie de klacht gericht kan worden;
  6. de gerechtsdeurwaarder geen klachtenregeling heeft.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 De klacht is ingediend tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor hetgeen op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet niet kan. Bij het onderzoek wie als beklaagde kan worden aangemerkt geldt als leidraad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2013.[1] Uit dit arrest volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt. De in aanhef genoemde en (enige) aan het kantoor verbondenen gerechts deur waarder wordt als beklaagde aangemerkt, nu de klacht niet ziet op een handelen of nalaten van een specifieke gerechtsdeurwaarder. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van voornoemd artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer als volgt. De gerechtsdeurwaarder is belast (geweest) met de executie van twee in 2006 gewezen verstekvonnissen. Pas op 28 maart 2024 is klager gesommeerd een vordering van (voorheen) [   ] te betalen en vervolgens is bij exploot van 3 mei 2024 bevel gedaan een vordering van (voorheen)[   ] te betalen. Naast het standpunt van klager dat de vorderingen al zouden zijn “afgewikkeld”, heeft klager impliciet zijn twijfels geuit of de gerechtsdeurwaarder gerechtvaardigd heeft kunnen overgaan tot het executeren van de vorderingen door bij de gerechtsdeurwaarder de aktes van cessie op te vragen.

4.3 Klager verschilt met de gerechtsdeurwaarder van mening over het bestaan van de vorderingen. Hoewel de inhoudelijke beoordeling van dit geschil niet ter beoordeling van de tuchtrechter ligt, merkt de kamer op dat zij het in dit specifieke geval niet vanzelfsprekend vindt dat de bewijslast ten aanzien van het al dan niet bestaan van de vorderingen volledig bij klager komt te liggen. Het gaat immers om twee verstekvonnissen met vorderingen van (inmiddels) 18 jaar oud, waarvoor tussen 2007 en 2024 richting klager geen (kenbare) activiteiten zijn ondernomen. Het komt de kamer onevenredig voor om onder deze omstandigheden van klager te verlangen betaalbewijzen te overleggen van meer dan 10 jaren geleden. Verder is uit het hieronder weergegeven exploot van betekening van 3 mei 2024  op te maken dat de vorderingen door de jaren heen verschillende eigenaren hebben gekend.

4.4 Dat een titel 20 jaar rechtsgeldig invorderbaar blijft, zoals de gerechtsdeurwaarder betoogt, legitimeert niet zonder meer de toepassing van zijn ministerieplicht, ook niet wanneer de gerechtsdeurwaarder een nadrukkelijke opdracht én een (schriftelijke) verklaring heeft ontvangen die doet vermoeden dat de vordering nog niet zou zijn voldaan. Gelet op het tijdsbestek en de verscheidene rechtsovergangen had de gerechtsdeurwaarder zich ervan moeten vergewissen (i) dat de overgang van de vorderingen van de oorspronkelijke eisers naar de huidige eisers op de bij wet voorgeschreven wijze aan klager bekend waren gemaakt en (ii) dat de aktes van cessie, alsmede de daarbij behorende mededelingen, zich in zijn dossier bevonden, althans bij zijn huidige opdrachtgever voorhanden waren voor het geval deze ter sprake zouden komen. Het is daarom des te kwalijker dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek om de aktes van cessie – die direct verband houden met het legitiem uitvoeren van ambtshandelingen – wegwuift. Dit ondermijnt de bevoorrechte positie van gerechtsdeurwaarders om bij uitsluiting van anderen ambtshandelingen te mogen verrichten en schendt het vertrouwen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarder. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders heeft de onafhankelijkheid en onpartijdigheid als volgt verwoord:

De gerechtsdeurwaarder dient bij de uitoefening van zijn ambt en verdere werkzaamheden steeds te staan voor het rechtsstatelijk belang dat hij in het rechtsbestel vertegenwoordigt. De gerechtsdeurwaarder treedt weliswaar op verzoek van zijn opdrachtgever op, maar niet námens zijn opdrachtgever, nu hij nadrukkelijk de Staat vertegenwoordigt. De ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder zijn verweven met de onafhankelijkheid en macht van de rechterlijke macht. De gerechtsdeurwaarder mag zich daarbij niet laten leiden door de mededelingen en wensen van zijn opdrachtgever die per definitie een partijdig belang heeft. Die onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarder dienen niet alleen de pijlers, maar zelfs absolute voorwaarden te zijn van de ambtsuitoefening. Om die reden ook moet de gerechtsdeurwaarder ambtenaar-ondernemer zijn, omdat hij alleen dan onpartijdig kan handelen ten opzichte van de overheid als verzoeker of verweerder.[2]

4.5 Zonder (summier) te hebben vastgesteld of de opdrachtgever in dit geval rechthebbende van de vorderingen was en dus bevoegd was om de vonnissen ten uitvoer te laten leggen, heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd. De kwalificatie die aan een dergelijke executie hangt is ter beoordeling van de gewone rechter. De kamer komt op haar beurt tot het oordeel dat het in ernstige mate tuchtrechtelijk laakbaar is om vorderingen met een groot aantal cedenten als in deze zaak wel te incasseren maar op verzoek geen aktes daarvan over te (kunnen) leggen.Dit klachtonderdeel is daarom terecht voorgesteld.

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer als volgt. Volgens de gerechtsdeurwaarder betreffen de bedragen die worden gevorderd in de door klager aangeleverde bijlagen 7 en 8 nieuwe vorderingen en hebben ze niets te maken met de bedragen uit de verstekvonnissen. Die vonnissen dateren immers uit 2006 en de bijlagen 7 en 8 dateren, zoals nadrukkelijk door klager aangevoerd, uit 2009 en 2010. Gelet op de bewoordingen ten aanzien van de vervolgstappen indien de vorderingen uit bijlagen 7 en 8 niet worden betaald, is het aannemelijk dat deze bedragen dus betrekking hebben op andere vorderingen dan die uit de verstekvonnissen. Klager heeft zich niet verzet tegen de uitleg van de gerechtsdeurwaarder. Dit klachtonderdeel stuit daarom hierop af.

4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder persoonsgegevens van de ouders van klager heeft opgevraagd dan wel verwerkt. Als dit al het geval is geweest, is het nog maar de vraag of klager bevoegd is om over dit onderdeel te klagen nu de gestelde handeling niet hem maar zijn ouders raakt. Ten overvloede merkt de kamer op dat een BRP-bevraging meer gegevens bevat dan alleen de gegevens van de betrokkene, bijvoorbeeld gegevens over diens ouders. Deze omstandigheid valt buiten de invloedsfeer van de gerechtsdeurwaarder. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat geen wettelijke verplichting rust op de gerechtsdeurwaarder om de executie op te schorten tijdens de behandeling van een tuchtrechtprocedure zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

4.9 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer als volgt. Met de weigering de naam te geven van de gerechtsdeurwaarder waartegen klager zijn klacht kon richten, heeft de gerechtsdeurwaarder de bij wet ingestelde mogelijkheid het handelen van de gerechtsdeurwaarder te toetsen gefrustreerd. Dit is niet wat een goed handelend gerechtsdeurwaarder betaamt zodat dit klachtonderdeel slaagt.

4.10 Gelet op de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarder de klachten van klager van 6 mei en 23 juni 2023 adequaat heeft opgepakt, is de kamer van oordeel dat klachtonderdeel f van onvoldoende gewicht is om tot een tuchtrechtelijk verwijt te leiden. Dat beantwoording van zijn klachten niet tot een voor klager gewenste resultaat heeft geleid, maakt dat niet anders.

4.11 Gelet op het voorgaande verklaart de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond en acht zij de maatregel van berisping passend en geboden. Het betreft twee klachtonderdelen en met name klachtonderdeel a is, zoals overwogen, in ernstige mate tuchtrechtelijk laakbaar.

5. Kosten(veroordeling)

5.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders daarnaast veroordelen tot betaling van:

  • een forfaitair bedrag van € 50 aan kosten van klager;
  • de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een

andere beslissing.

5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de

gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klager betaalde

griffierecht (€ 50) aan hem dient te vergoeden.

5.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdelen a en e gegrond;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder voor de gegronde klachtonderdelen de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van zijn kosten van de procedure in eerste aanleg, bestaande uit € 50 aan griffierecht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500 te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en

M.F.J. Pijnenburg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

[1] ECLI:NL:GHAMS:2013:2450

[2] meerjarenplan 2016-2020 van de KBvG: de kernwaarde van onafhankelijkheid en onpartijdigheid