ECLI:NL:TGDKG:2025:75 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/754486 DW RK 24/266 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:75 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-08-2025 |
| Datum publicatie: | 12-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/754486 DW RK 24/266 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. Het uitgangspunt in geval van een onderbewindstelling is dat gecorrespondeerd wordt met de bewindvoerder, omdat onderbewindgestelden om verschillende redenen tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Door het exploot rechtstreeks aan de cliënt van klaagster te betekenen hebben de gerechtsdeurwaarders onzorgvuldig gehandeld en kan hen een tuchtrechtelijk laakbaar verwijt worden gemaakt. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 8 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/754486 DW RK 24/266 MK/SM ingesteld door:
[ ], namens [ ], in de hoedanigheid van
bewindvoerder van mw. [ ],
gevestigd te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
mr. [ ],
[ ]
gerechtsdeurwaarders te [ ],
beklaagden,
gemachtigden: [ ]en [ ].
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 25 juli 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen [ ] (hierna: [ ] of de gerechtsdeurwaarders). Bij verweerschrift, ingekomen op 3 september 2024, heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 juni 2025 alwaar klaagster (via een videoverbinding) en de gemachtigden van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 8 augustus 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij beschikking van 19 oktober 2020 is [ ] B.V. benoemd tot bewindvoerder van mevrouw [ ] (hierna: [ ]);
- [ ] heeft sinds augustus 2021 in het schuldsaneringstraject gezeten bij schuldhulpverleningsinstantie [ y ].
- Op 7 januari 2022 is [ ], namens haar opdrachtgever, akkoord gegaan met een schuldhulpverleningsvoorstel van schuldhulpverleningsinstantie [ y ].
- Nadat er meerdere malen contact is geweest met [ y ] heeft [ ] op 28 mei 2024 een mail gestuurd aan [ y ] waarin wordt aangedrongen op betaling per ommegaande anders zal het akkoord op 31 mei 2024 worden ingetrokken.
- Op 1 juli 2024 heeft [ ] loonbeslag gelegd onder de werkgever van de [ ]. Vervolgens is het beslag betekend aan (het adres van) [ ].
- Bij e-mail van 15 juli 2024 heeft klaagster zich beklaagd bij de [ ] over het gelegde beslag.
- Op 17 juli 2024 is het beslag opgeheven.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich er – samengevat – over dat [ ] beslag heeft gelegd op het inkomen van [ ] terwijl er sprake was van een schuldhulpverleningstraject. Klaagster is daar niet over geïnformeerd en heeft nadien geen reactie ontvangen op haar e-mail van 15 juli 2024. Bovendien heeft [ ] het beslag laten betekenen bij [ ] zelf, terwijl [ ] zich had moeten wenden tot klaagster als zijnde bewindvoerder van [ ].
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders
De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt.
4.2 De klacht is ingediend tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor hetgeen op grond van voornoemd artikel niet kan. Bij het onderzoek wie als beklaagde kan worden aangemerkt geldt als leidraad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696). Uit dit arrest volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt. Nu klaagster, noch de gemachtigden van de gerechtsdeurwaarders hebben aangegeven tegen wie de klacht zich richt, zullen alle in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarders als beklaagden worden aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van voornoemd artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.3 De klacht kan, wat de kamer betreft, in twee onderdelen worden onderscheiden. Een deel dat ziet op de communicatie tussen [ ] en klaagster en een deel dat ziet op de beslaglegging en wat daaruit voortvloeit.
Communicatie
4.4 Uit de feiten en omstandigheden en het ter zitting verhandelde is het volgende gebleken. Op 28 mei 2024 heeft [ ] aan [ y ] bericht dat er geen inhoudingen (meer) zijn ontvangen en dat er niet gereageerd wordt op de correspondentie van [ ]. Dit bericht van [ ] is afgesloten met de opmerking dat indien een reactie uitblijft het akkoord op 31 mei 2024 zal worden ingetrokken. [ ] heeft geen reactie ontvangen van [ y ]. Nadat [ ] beslag heeft gelegd op het inkomen van [ ] heeft klaagster bij e-mail van 15 juli 2024 gereageerd op de beslaglegging en de betekening daarvan. Op 15 juli 2024 heeft [ ] naar aanleiding van de e-mail uitleg gegeven aan klaagster over de gang van zaken en daarbij [ y ] in de cc meegenomen. Op 16 juli 2024 heeft [ y ] contact opgenomen met [ ] en heeft [ ], conform het verzoek van [ y ], het beslag op 17 juli 2024 opgeheven. [ y ] en klaagster zijn hierover bericht. Bij e-mail van 23 juli 2024 refereert klaagster aan haar e-mail van 15 juli 2024 en kondigt aan een klacht in te dienen bij deze kamer, aangezien zij geen reactie heeft mogen ontvangen van [ ].
4.5 Op grond van het voorgaande overweegt de kamer als volgt. [ ] heeft haar e-mails van 15 en 17 juli 2024 geadresseerd aan [ e-mail a ]en niet aan [ e-mail b ] het (rechtstreekse) e-mailadres van klaagster. [ ] heeft wel gereageerd op de (inhoud van de) e-mail van klaagster maar heeft dit onjuist geadresseerd. Nu uit de aanhef van de e-mails blijkt dat [ ] wel de bedoeling heeft gehad klaagster te berichten, ziet de kamer geen aanleiding een tuchtrechtelijk verwijt te verbinden aan deze misslag. Daarbij speelt ook een rol dat klaagster, in retrospectief, begrip kan opbrengen voor de gemaakte vergissing en dat de e-mail niet buiten de bewindvoeringsorganisatie of bij de onderbewindgestelde terecht is gekomen.
Beslaglegging en betekening beslag
4.6 Ten aanzien van het leggen van beslag op het inkomen van [ ] overweegt de kamer dat [ ] niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Nadat betaling uit de gemaakte afspraak uitbleef, geen reactie volgde op de rappels van [ ] én de laatste waarschuwing van 28 mei 2024 niets heeft uitgehaald, heeft [ ] niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandelde door executiemaatregelen te treffen. Daarbij maakt het geen verschil dat de betalingen niet rechtstreeks via [ ] verliepen.
4.7 [ ] is wel de fout ingegaan met de betekening van het beslag aan [ ]. Het uitgangspunt in geval van een onderbewindstelling is dat gecorrespondeerd wordt met de bewindvoerder, omdat onderbewindgestelden om verschillende redenen tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. In het verlengde daarvan moeten ook exploten aan de bewindvoerder worden gedaan (voor zover de gerechtsdeurwaarder bekend is of bekend had kunnen zijn met de onderbewindstelling, wat in dit geval zo was).
Maatregel en kostenveroordeling
4.8 De kamer verklaart de klacht, gelet op het voorgaande, op een onderdeel gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. De kamer heeft overwogen een zwaardere maatregel op te leggen omdat onderbewindgestelden een kwetsbare groep betreft en omdat [ ] aldoor geweten heeft, mede door het contact met [ y ], dat er schuldenbewind liep. Daarnaast betreft de executiemaatregel van beslag een ingrijpend middel die vanwege zijn impact op hen die het betreft met een hoge mate van zorgvuldigheid moet worden omgeven.
Een zwaardere maatregel blijft uit omdat [ ] direct de fout heeft erkend, het beslag heeft opgeheven, excuses heeft gemaakt en de nodige maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop ziet de kamer ook geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarders, naast de opgelegde maatregel, te veroordelen in de kosten van de procedure. Omdat de klacht gegrond is, dienen de gerechtsdeurwaarders wel aan klaagster het betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte kosten, bestaande uit een forfaitair bedrag van € 50.
4.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan ieder van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarders hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van klaagster, begroot op € 50 te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat de gerechtsdeurwaarders hoofdelijk aan klaagster het betaalde griffierecht ad € 50 vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. J.H.J. Evers en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.