ECLI:NL:TGDKG:2025:74 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/754126 DW RK 24/261 MK /SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:74
Datum uitspraak: 08-08-2025
Datum publicatie: 12-08-2025
Zaaknummer(s): C/13/754126 DW RK 24/261 MK /SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager beklaagt zich over de (hoogte van de) beslagvrije voet en de naar aanleiding daarvan ten onrechte teveel ingehouden gelden die niet worden terugbetaald door de gerechtsdeurwaarder. De hoogte van de beslagvrije voet staat niet ter beoordeling van de kamer. Voor zover er sprake van een terugbetalingsverplichting is en hoe ver terug deze moet reiken is afhankelijk van (i) relevantie informatie die het verzoek ondersteund én (ii) het moment waarop deze relevante informatie wordt aangeleverd na de vaststelling van de beslagvrije voet. Aangezien gebleken noch gesteld is dat klager onder toezending van relevantie informatie (gemotiveerd) bezwaar heeft gemaakt tegen de vastgestelde beslagvrije voet dan wel verzoek heeft gedaan tot herberekening, kan niet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder op dit punt tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 8 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/754126 DW RK 24/261 MK /SM ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij e-mails met bijlage, ingekomen op 23 en 29 juli 2024. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 9 september 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 juni 2025 alwaar klager is verschenen. De uitspraak is nader bepaald op 8 augustus 2025.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • De gerechtsdeurwaarder is belast met een ten laste van klager gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 21 januari 2004.
  • Op 11 december 2023 is klager geïnformeerd dat de beslagvrije voet op diezelfde datum is vastgesteld op € 1.087 per maand.
  • Op 17 juli 2024 is klager geïnformeerd dat de beslagvrije voet op diezelfde datum is vastgesteld op € 1.149 per maand.

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder in de modelmededeling niet heeft vermeld per welke datum de beslagvrije voet is of wordt aangepast en dat het ten onrechte teveel ingehouden gelden per 1 januari 2024 niet worden uitgekeerd.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (hierna: Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Klager verwijst in zijn klachtschrift naar de modelmededeling die naar aanleiding van een gelegd derdenbeslag op zijn inkomen aan hem is toegezonden. Op de pagina met de kop “Overzicht van uw beslagvrije voet” is achter “datum berekening beslagvrije voet” 17 juli 2024 opgenomen. Voor zover klager niet heeft begrepen dat dit de datum is waarop de beslagvrije voet is aangepast, had het op de weg van klager gelegen hiernaar te informeren bij de gerechtsdeurwaarder.

4.3 De hoogte van de beslagvrije voet staat niet ter beoordeling van de kamer, wel het handelen van de gerechtsdeurwaarder rondom de (her)berekening daarvan. De kamer overweegt daartoe als volgt.

4.4 In beginsel geldt voor een gerechtsdeurwaarder een verplichting tot terugbetaling als achteraf blijkt dat een onjuiste beslagvrije voet is toegepast. Of hier sprake van is en hoe ver terug de terugbetalingsverplichting moet reiken is afhankelijk van (i) relevantie informatie die het verzoek ondersteund én (ii) het moment waarop deze relevante informatie wordt aangeleverd na de vaststelling van de beslagvrije voet. Aangezien gebleken noch gesteld is dat klager onder toezending van relevantie informatie (gemotiveerd) bezwaar heeft gemaakt tegen de vastgestelde beslagvrije voet dan wel verzoek heeft gedaan tot herberekening, kan niet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder op dit punt tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

4.5 Ter zitting is (andermaal) gebleken dat de kern van de klacht erop ziet dat klager van mening is dat niet van hem verlangd kan worden een herberekening van de beslagvrije voet te vragen zodra zijn financiën wijzigen, omdat hij vindt dat dit tot de (wettelijke) taak van de gerechtsdeurwaarder behoort. De wet schrijft weliswaar voor dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrijevoet vaststelt maar schrijft niet voor, zoals klager zich dit kennelijk voorstelt, dat de gerechtsdeurwaarder (pro-)actief op de hoogte blijft van de financiën van klager en daar dan vervolgens op acteert. De gerechtsdeurwaarder is enkel gehouden de beslagvrije voet opnieuw vast te stellen als de termijn van twaalf maanden verstrijkt na de laatste vaststelling (art. 475d lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit houdt in dat tussentijdse wijzigingen in het financiële huishouden van klager die aanleiding kunnen geven tot een nieuwe vaststelling door klager zelf kenbaar moeten worden gemaakt aan de gerechtsdeurwaarder en er geen sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de gerechtsdeurwaarder als deze zelf geen actie onderneemt in de tussentijd, uitzonderingen daargelaten die in deze zaak niet zijn gebleken. In de zaak met kenmerk C/13/744590 / DW RK 24/9 (tussen dezelfde partijen) heeft de kamer de systematiek, en de rol van klager, op dit punt al eens toegelicht. De kamer merkt op dat als klager opnieuw een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder indient met betrekking tot de punten die reeds aan de orde zijn gekomen in de onderhavige klacht, alsmede in de eerdere klacht, klager er rekening mee moet houden dat de klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. J.H.J. Evers en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.