ECLI:NL:TGDKG:2025:71 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/762274 / DW RK 25/5 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:71 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-08-2025 |
| Datum publicatie: | 12-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/762274 / DW RK 25/5 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich onder meer over de tenuitvoerlegging van een titel. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 8 augustus 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 december 2024 met zaaknummer C/13/758231 DW RK 24/364 MdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/762274 / DW RK 25/5 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 16 oktober 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 26 november 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 24 december 2024 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 27 december 2024 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 7 januari 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 juni 2025 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is nader bepaald op 8 augustus 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
- Bij vonnis van de kantonrechter te Nijmegen van 17 februari 2023 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
- Bij exploot van 6 april 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van
- 17 februari 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij brief van 10 april 2023 heeft klager bezwaar gemaakt tegen het vonnis van 17 februari 2023.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 12 april 2023 gereageerd.
- Op 24 oktober 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op de motor van klager.
- Bij exploot van 24 oktober 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klager betekend met aanzegging van de openbare verkoop op 1 december 2023.
- Bij brief van 26 oktober 2023 is klager in de gelegenheid gesteld de vordering uiterlijk 29 november 2023 te voldoen teneinde de openbare verkoop te voorkomen.
- Op 1 december 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder de geplande verkoop van de motor van klager opgeschort.
- Bij brief van 7 december 2023 heeft klager zijn beklag gedaan bij het gerechtsdeurwaarderskantoor. Vervolgens is veelvuldig tussen klager en de gerechtsdeurwaarder gecorrespondeerd.
- Bij exploot van 6 augustus 2024 is de openbare verkoop van de motor van klager aangezegd tegen 3 september 2024.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
- de gerechtsdeurwaarder een dagvaarding heeft uitgebracht tegen een beschikking van het gerechtshof, waarin met bewijs is aangetoond dat hetgeen wat gevorderd werd niet is uitbetaald;
- de gerechtsdeurwaarder een exploot heeft betekend waarin de renteberekening niet is toegestaan;
- de gerechtsdeurwaarder beslag op een motorvoertuig heeft gelegd waarvan hij zelf zegt dat het een geringe waarde heeft en waarvan de openbare verkoop daarom twee keer niet is doorgegaan;
- de gerechtsdeurwaarder zijn ministerieplicht weigert om twee beschikkingen uit te voeren tegen de tegenpartij, ondanks de verwijzing naar zes andere gerechtsdeurwaarders en de toezegging een deurwaardersrenvooi op te starten;
- de gerechtsdeurwaarder het beslag op het motorvoertuig van klager tien maanden heeft gehandhaafd, waarvan de openbare verkoop alsnog niet is doorgegaan, omdat een bod van € 500 de verkoopkosten van de gerechtsdeurwaarder niet vergoeden;
- de gerechtsdeurwaarder financiële en emotionele schade heeft veroorzaakt met pressie en door chantage, ondanks het bewijs dat er in 2016 niet is uitbetaald en de medische informatie die spreekt over kwetsbaarheid;
- de gerechtsdeurwaarder geen rekening heeft gehouden met de belangen van klager.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van een stuk dat niet door hemzelf is opgesteld. Het lag op de weg van klager om zich bij de kantonrechter te verweren indien hij het niet eens was met de inhoud van de dagvaarding.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat de kantonrechter in het vonnis van 17 februari 2023 onder 3.1 heeft geoordeeld dat de hoofdsom vanaf 12 april 2017 vermeerderd wordt met de wettelijke rente en onder 3.2 dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis. Dit klachtonderdeel stuit hierop af. Indien klager het niet eens was met het vonnis, had het op zijn weg gelegen om een rechtsmiddel tegen het vonnis aan te wenden. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder klager ook meermalen geadviseerd.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdelen c en e overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat de verwachte waarde van de motor van klager op het moment van het gelegde beslag € 1.940 was. De gerechtsdeurwaarder heeft de geplande verkoop van de motor van klager op 1 december 2023 opgeschort, teneinde klager in de gelegenheid te stellen de zaak door derden te laten beoordelen. Klager heeft hier geen gebruik van gemaakt. Dat de motor vervolgens niet is verkocht op
3 september 2024 kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten. Er waren ter plaatse geen kopers aanwezig en het enige bod van € 500 was lager dan de te maken kosten. Dit kon de gerechtsdeurwaarder niet voorzien. De beslaglegging heeft weliswaar tien maanden geduurd, maar dit komt omdat de gerechtsdeurwaarder in afwachting was van nadere instructies van de opdrachtgever. Klager is hiervan ook meermalen op de hoogte gebracht. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder op deze klachtonderdelen niet gemaakt worden.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet verplicht is ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is te verrichten wanneer hierom wordt verzocht, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Uit de context van voornoemd artikel als geheel en uit de rechtspraak in het bijzonder volgt dat de ministerieplicht niet absoluut is en dat beperkingen van die plicht mogelijk zijn. Uit de Gerechtsdeurwaarderswet (en uit de regels die krachtens die wet bij verordeningen worden gesteld) en uit hetgeen een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder betaamt volgen meerdere plichten, die met elkaar kunnen concurreren. Zo heeft een gerechtsdeurwaarder bijvoorbeeld een eigen verantwoordelijkheid om marginaal te toetsen of een titel voldoende grond biedt voor tenuitvoerlegging. Onder omstandigheden kan dit meebrengen dat van een betamelijk handelend gerechtsdeurwaarder wordt verwacht dat hij - tegen zijn ministerieplicht in - een verzochte ambtshandeling weigert, wanneer daar niet voldoende grond voor is. In dit geval heeft de gerechtsdeurwaarder meermalen aan klager uitgelegd waarom de door klager aangehaalde titels niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Bovendien is de gerechtsdeurwaarder belast met de tenuitvoerlegging van een titel op verzoek van de betreffende schuldenaar jegens klager. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt op dit klachtonderdeel.
4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder gelet op zijn ministerieplicht niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door het vonnis van 17 februari 2023, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, te executeren en beslag te leggen op de motor van klager. Van pressie en chantage is niet gebleken. Voor zover klager verzoekt om schadevergoeding dient hij zich tot de civiele rechter te wenden. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel g overweegt de voorzitter dat gelet op de overgelegde producties niet gezegd kan worden dat de gerechtsdeurwaarder geen rekening heeft gehouden met de belangen van klager. Klager is meermalen in de gelegenheid de vordering uit eigen beweging te voldoen. Vervolgens is de verkoop van de motor van klager opgeschort teneinde klager in de gelegenheid te stellen een en ander met derden uit te zoeken. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder er voor gekozen om enkel beslag op de motor van klager te leggen en niet ook op bijvoorbeeld de uitkering en bankrekening van klager.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager – samengevat – aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder:
- geen bewijs heeft ingebracht dat de dagvaarding niet door hem is opgemaakt of dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de dagvaarding;
- onnodige kosten in rekening heeft gebracht;
- geen producties heeft overgelegd waaruit blijkt dat de motorfiets op 24 oktober ongeveer € 1.940 waard was. Daarnaast is het misbruik van recht om de beslaglegging (van tien maanden) te handhaven en zo oneigenlijke druk uit te oefenen op klager;
- een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden voor het niet uitvoeren van zijn ministerieplicht ten gunste van klager;
- laakbaar heeft gehandeld door zijn ministerieplicht – gericht tegen klager – uit te voeren. Daarmee heeft de gerechtsdeurwaarder meegewerkt aan pressie en chantage van klager;
- geen rekening heeft gehouden met de belangen van klager. Klager is niets verschuldigd aan de tegenpartij.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De nadrukkelijke stelling van klager dat de opschorting van de openbare verkoop op 1 december 2023 niet in overleg is gegaan, maar een keuze is geweest van de gerechtsdeurwaarder leidt evenmin tot een andere uitkomst. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. J.H.J. Evers en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.