ECLI:NL:TGDKG:2025:133 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/768734 / DW RK 25/121 EV/RH
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/768734 / DW RK 25/121 EV/RH |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Het is niet aan de kamer zelfstandig een inhoudelijke berekening te maken over de juistheid van de geinde bedragen. De kamer is daartoe niet bevoegd. Gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder meerdere malen contact heeft opgenomen met het CJIB ten aanzien van het te innen bedrag en de standpunten van klager aan deze professionele executant heeft voorgelegd, maar dat partijen niet tot elkaar komen. Voor een gerechtsdeurwaarder is geen verdere rol weggelegd. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 17 december 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 22 april 2025 met zaaknummer C/13/761926 / DW RK 24/444 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/768734 / DW RK 25/121 EV/RH ingesteld door:
[..]
wonende te [..],
klager,
tegen:
[..],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [..],
beklaagde.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 16 december 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift ingekomen op 7 maart 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.
Bij beslissing van 22 april 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij e-mail, ingekomen op 23 april 2025, aangevuld op 13 oktober 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 17 december 2025.
1. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- de gerechtsdeurwaarder is belast met een ten laste van klager uitgevaardigd dwangbevel van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van
25 november 2023;
- bij exploot van 15 januari 2024 is het dwangbevel van 25 november 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
3. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de gerechtsdeurwaarder de bewijslast niet serieus neemt, geen inhoudelijke toets uitvoert van de juistheid van de vordering en geen gedetailleerde specificatie verstrekt van hoe de betalingen via het CJIB zijn verwerkt;
b: de gerechtsdeurwaarder standaardbrieven verstuurt zonder inhoudelijke reactie, weigert in te gaan op de bewijsstukken en vragen en een intimiderende toon aanhoudt;
c: de gerechtsdeurwaarder blijft dreigen met incassomaatregelen ondanks het gedocumenteerde bewijs dat de vordering niet klopt.
4. De beslissing van de voorzitter
4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 Gdw.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en c stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Een gerechtsdeurwaarder is in beginsel gehouden een opdracht marginaal te toetsen. De gerechtsdeurwaarder mag bij het innen van een vordering uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van de opdrachtgever ontvangt. Het is noch aan de gerechtsdeurwaarder noch aan de voorzitter van de kamer om inhoudelijk in te gaan op (de juistheid of de hoogte van) de vordering.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter verder dat de gerechtsdeurwaarder blijkens de overgelegde producties de bezwaren van klager tegen de vordering en de overgelegde betaalbewijzen bij mailbericht van 1 februari 2024 heeft voorgelegd aan zijn opdrachtgever. De opdrachtgever heeft vervolgens op 2 februari 2024 per mail gereageerd en aangegeven te blijven volharden in de vordering. De gerechtsdeurwaarder heeft deze reactie van de opdrachtgever diezelfde datum teruggekoppeld aan klager. Voorts blijkt uit de producties dat de gerechtsdeurwaarder bij mailbericht van 10 december 2024 aan klager heeft laten weten dat de stukken van klager zijn doorgeleid naar het CJIB om te controleren op welke openstaande premiemaanden de ingehouden zorgtoeslag over 2022 en 2023 is bestemd. De gerechtsdeurwaarder heeft hiermee laten zien serieus op de stellingen van klager in te gaan en naar aanleiding daarvan contact te leggen met de opdrachtgever. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder hier dan ook niet gemaakt worden. Indien klager het met (de hoogte van) de vordering niet eens is, dient hij een executiegeschil te starten tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.
De voorzitter stelt verder vast dat de gerechtsdeurwaarder bij mailberichten van
8 november 2024 en 15 januari 2025 een specificatie van het nog openstaande bedrag naar klager heeft gestuurd met daarbij een overzicht van de uitbetaalde bedragen over 2022 en 2023 en een overzicht van hoe het schuldbedrag is opgebouwd.
Klachtonderdeel a is ongegrond.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties niet blijkt dat de gerechtsdeurwaarder standaardbrieven verstuurt. Integendeel, de gerechtsdeurwaarder heeft telkens duidelijk en inhoudelijk op de verzoeken van klager gereageerd. Dat klager hierbij niet de gewenste antwoorden heeft gekregen doet aan het voorgaande niets af. Van een intimiderende toon is de voorzitter uit de reacties van de gerechtsdeurwaarder niet gebleken. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.
4.5 Met betrekking tot klachtonderdeel c verwijst de voorzitter allereerst naar de onder 4.2 gegeven overwegingen, en dan in het bijzonder de ministerieplicht van de gerechtsdeurwaarder. Dat sprake zou zijn van dreigen met incassomaatregelen blijkt niet uit de producties. Integendeel, uit de mailberichten van de gerechtsdeurwaarder aan klager komt juist naar voren dat de gerechtsdeurwaarder telkens probeert om met klager tot een betaalafspraak te maken. Klachtonderdeel c is dus ook ongegrond.
4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager het volgende aangevoerd.
5.1 Er bestaat tegenstrijdigheid tussen de vordering en officiële CAK-communicatie. Uit de brief van 10 december 2024 blijkt dat maar één zorgtoeslag per maand is verschuldigd.
5.2 Klager heeft meerdere malen terugbetalingen ontvangen in de periode van juli 2023 tot en met augustus 2024 van het CJIB. Deze terugbetalingen zijn het bewijs dat er te veel is ingehouden en dat de achterstand gedekt was.
5.3 Ondanks herhaalde verzoeken van klager heeft de gerechtsdeurwaarder geen sluitende, gedetailleerde specificatie aangeleverd waarin alle betalingen, inhoudingen en terugbetalingen zichtbaar zijn. Klager heeft alleen een algemeen overzicht ontvangen, zonder verwerking van de correcties. Dit houdt in dat er onvoldoende getoetst is en dat het dwangbevel gebaseerd is op een gebrekkige administratie.
5.4 Klager verzoekt de kamer de gerechtsdeurwaarder te verplichten tot het aanleveren van een volledige, sluitende specificatie en te toetsen of de vordering zoals neergelegd in het dwangbevel rechtmatig is gelet op de verstrekte stukken.
6. De beoordeling van de gronden van het verzet
6.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Klager is het niet eens met de hoogte van de geinde bedragen. Het is niet aan de kamer zelfstandig een inhoudelijke berekening te maken over de juistheid van de geinde bedragen. De kamer is daartoe niet bevoegd. Gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder meerdere malen contact heeft opgenomen met het CJIB ten aanzien van het te innen bedrag en de standpunten van klager aan deze professionele executant heeft voorgelegd, maar dat partijen niet tot elkaar komen. Voor een gerechtsdeurwaarder is geen verdere rol weggelegd. Dit maakt dat de kamer het met de beslissing van de voorzitter eens is. Het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
6.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De kamer voor gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. S.J.W. van der Putten, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.