ECLI:NL:TGDKG:2025:131 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/759864 / DW RK 24/401 EV/RH

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:131
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 12-01-2026
Zaaknummer(s): C/13/759864 / DW RK 24/401 EV/RH
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De kamer verklaart de klacht gegrond aangezien artikel 4.6 en 4.4 lid 2 van de Gerechtsdeurwaardersverordening zijn overtreden en legt de maatregel van berisping op. Het gedurende een langere tijd gebrekkig of niet communiceren met klager en het vervolgens uitvoeren van een huisbezoek waarvoor geen opdracht was verkregen maakt dat deze maatregel passend en geboden is.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 17 december 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/759864 / DW RK 24/401 EV/RH ingesteld door:

[..]

wonende te [..],

klager,

tegen:

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 20 november 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 16 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 december 2025, later verschoven naar 17 december 2025.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           de gerechtsdeurwaarder is belast (geweest) met het incasseren van een vordering van klager op [..];

-           bij e-mail van 29 augustus 2023 is aan klager verslag gedaan over het bezoek van de gerechtsdeurwaarder aan het adres van de debiteur. Tevens is meegedeeld dat de gerechtsdeurwaarder verwacht dat de debiteur bij een volgend bezoek wel tot betaling zal overgaan en dat de kosten van dit bezoek voor klager komen;

-           bij e-mail van 2 oktober 2023 heeft klager zijn ongenoegen geuit over de werkwijze van de gerechtsdeurwaarder;

-           bij e-mail van 15 oktober 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder op een door klager ingediende klacht gereageerd;

-           hierop heeft klager verzocht om bewijsstukken omtrent de door de gerechtsdeurwaarder gestelde werkzaamheden;

-           de gerechtsdeurwaarder heeft hier niet op gereageerd;

-           klager heeft de opdracht op 10 juni 2024 beëindigd.

2. De klacht

Klager beklaagt zich - samengevat – over het volgende.

a: Klager heeft bewijsstukken over de uitgevoerde incassohandelingen, zoals beslagleggingen en onderzoeken naar verhaalsmogelijkheden gevraagd, maar deze zijn niet verstrekt. Het traject roept twijfels op omtrent de transparantie.

b: Klager beklaagt zich over de uitvoering van de opdracht door de gerechtsdeurwaarder. Zo is hij niet tevreden over het eerste huisbezoek van de gerechtsdeurwaarder waar de gerechtsdeurwaarder geen volledige beslaglegging heeft uitgevoerd, ondanks dat de gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld dat dit mogelijk is. In het algemeen heeft klager de indruk dat niet alle mogelijkheden zijn benut.

c.: De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens niet gereageerd op het door klager geuite ongenoegen.

d. Er is sprake van nalatigheid in de communicatie. Aan klager is meegedeeld dat de aanvangstijd van de mondelinge behandeling op 12 december 2022 om 9:30 uur was, terwijl dat 9:00 uur was, waardoor klager meteen een slechte indruk heeft gemaakt.

3. Verweer

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een medewerker van de gerechtsdeurwaarder. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Klager heeft zich beklaagd over het gebrek aan transparantie. Hij heeft gevraagd om bewijsstukken, maar deze niet ontvangen. In het verweerschrift heeft de gerechtsdeurwaarder het volgende gesteld: “de door [Klager] gevraagde bewijsstukken mogen vanwege de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hier wordt de AVG bedoeld) niet (integraal) aan hem worden toegezonden. Het feit dat een bankbeslag geen doel heeft getroffen, moet door [Klager] worden aangenomen.” en “Het toezenden van dergelijke bewijsstukken heeft geen toegevoegde waarde. [Klager] heeft er tussentijds ook niet naar gevraagd”.  Uit de stukken die zijn ingediend, blijkt dat klager wel degelijk om stukken heeft gevraagd. De kamer volgt de gerechtsdeurwaarder niet in zijn algemene beroep op de AVG. De gerechtsdeurwaarder heeft een geheimhoudingsplicht die volgt uit de AWB en de Gerechtsdeurwaardersverordening, maar hij heeft daarnaast de wettelijke plicht om bepaalde informatie en bepaalde stukken te verstrekken. Zo heeft klager recht op exploten en processen verbaal en moeten aan hem afgelegde derdenverklaringen worden verstrekt. Op grond van de Gerechtsdeurwaardersverordening (hierna Gv) (artikel 4.6) dient de gerechtsdeurwaarder transparant te zijn richting de opdrachtgever. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen dient te worden vastgesteld.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder is onpartijdig en moet in de uitoefening van zijn ambt rekening houden met alle belangen, waaronder de belangen van de schuldenaar. De gerechtsdeurwaarder heeft op goede gronden mogen besluiten om geen beslag te leggen op de inboedel van de schuldenaar (een houdstermaatschappij) en uit de stukken en uit het behandelde ter zitting blijkt niet dat de gerechtsdeurwaarder bij de opdracht tot executie niet de juiste maatregelen heeft getroffen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft in een e-mail van 29 augustus 2023 onder andere meegedeeld dat hij bij een nieuw huisbezoek de debiteur wel tot betaling kan bewegen. Op 2 oktober 2023 heeft klager bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij de additionele kosten daarvan moet betalen. Op deze e-mail is in het geheel niet gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn verweerschrift ook niet gereageerd op dit onderdeel van de klacht. In deze e-mail uit klager zijn ongenoegen en vraagt hij stukken op. In het verweerschrift stelt de gerechtsdeurwaarder dat het toezenden van deze stukken geen toegevoegde waarde heeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder verklaard niet te weten wat er telefonisch is besproken, maar dat er geen stukken zijn toegestuurd. Een gerechtsdeurwaarder dient op grond van vaste jurisprudentie binnen twee weken op correspondentie die in een dossier dat bij hem in behandeling is te reageren. Nu dit niet is gebeurd en de gemachtigde ter zitting over de reden daarvan geen informatie kan verschaffen, moet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

4.5 Op 4 januari 2024 heeft een tweede huisbezoek plaatsgevonden zonder dat verhaalsmogelijkheden werden aangetroffen, zoals uit de e-mail van 15 oktober 2024 blijkt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of hier opdracht toe is gegeven. Vast staat  dat klager bezwaar heeft gemaakt tegen dit huisbezoek in zijn e-mail van 2 oktober 2023. Uit de stukken en uit het behandelde ter zitting blijkt niet dat er naar aanleiding van dit bezwaar contact is geweest met klager en dat door klager is ingestemd met een tweede huisbezoek. Dit komt voor risico van de gerechtsdeurwaarder, nu hij niet heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 4.4 lid 2 van de Gv (de gerechtsdeurwaarder legt gemaakte afspraken onverwijld vast in het dossier). Daar komt bij dat de gerechtsdeurwaarder klager onjuist heeft voorgelicht door te doen voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder de debiteur bij een tweede huisbezoek wel tot betaling zou kunnen bewegen, zeker nu de gerechtsdeurwaarder meerdere beslagen had gelegd die geen doel hadden getroffen. Eerder was al vastgesteld dat ten laste van de schuldenaar geen beslag op inboedel gelegd kon worden.

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt het volgende overwogen. Gebleken is dat klager inderdaad onjuist is geïnformeerd over de aanvangstijd van de mondelinge behandeling van 12 december 2022. De gerechtsdeurwaarder hoort zijn opdrachtgever van advies te voorzien en is verplicht om hem te informeren over de feiten die voor de dienstverlening relevant zijn (artikel 4.6 Gv). Met klager moet worden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder niet transparant heeft gecommuniceerd met klager en hem daarbij onjuiste informatie heeft verstrekt. Ook ter zitting was de gemachtigde niet in staat vragen van de kamer omtrent het dossier te beantwoorden.

4.7 De kamer verklaart de klacht op grond van het hiervoor overwogene gegrond en legt de maatregel van berisping op. Het gedurende een langere tijd gebrekkig of niet communiceren met klager en het vervolgens uitvoeren van een huisbezoek waarvoor geen opdracht was verkregen maakt dat deze maatregel passend en geboden is.

4.8 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a, lid 1 onder a en b, Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klager worden die begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van

€ 1.500,-.

4.9 Op grond van artikel 37 lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

4.10 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:              

  • verklaart de klachtonderdelen a, c en d gegrond en het klachtonderdeel b. ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-, te betalen na onherroepelijk worden van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt, na onherroepelijk worden van deze uitspraak;

  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. S.J.W. van der Putten, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.