ECLI:NL:TGDKG:2025:126 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/763932 / DW RK 25/40
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:126 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-12-2025 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/763932 / DW RK 25/40 |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De gerechtsdeurwaarder heeft het dictum van het vonnis waarin duidelijk is opgenomen dat klager eerst aangeschreven moest worden ter zake van de betaling van de proceskosten, miskend. Nu klager tijdig na de aanschrijving daartoe de hoofdsom heeft voldaan, heeft klager voldaan aan het vonnis. Gelet op die tijdige betaling betekent dit dat het gelegde beslag ten onrechte is gelegd. Maatregel van berisping opgelegd. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 19 december 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/763932 / DW RK 25/40 ingesteld door:
[..],
wonende te [..],
klager,
tegen:
[..],
gerechtsdeurwaarder te [..],
beklaagde.
Ontstaan en loop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 7 februari 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen een medewerker van de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 3 maart 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 november 2025 waar klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft op 7 november veertien minuten voor aanvang van de zitting meegedeeld niet ter zitting aanwezig te zijn. De uitspraak is bepaald op 19 december 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- bij vonnis van 19 november 2024 is klager veroordeeld om een vordering van € 357,-- aan [..] en [..] (hierna te noemen [..]) te voldoen;
- bij e-mail van 14 januari 2025 is klager door [..] aangeschreven om de vordering binnen één week te betalen onder voorwaarde dat bij het uitblijven van betaling extra kosten in rekening zullen worden gebracht;
- bij exploot van 24 januari 2025 is het vonnis aan klager betekend met bevel om binnen twee dagen de vordering en explootkosten van € 158,28 te betalen;
- op 27 januari 2025 heeft klager € 357,00 aan de gerechtsdeurwaarder voldaan;
- op 30 januari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd onder de ING bank met toepassing van de beslagvrije voet voor een alleenstaande zonder kinderen;
- op 5 februari 2025 heeft (een kantoorgenoot van) de gerechtsdeurwaarder het beslag aan klager overbetekend.
2. De klacht
Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder -samengevat- het volgende.
a. De gerechtsdeurwaarder heeft onterecht beslag gelegd omdat klager de hoofdsom tijdig heeft betaald.
b. De gerechtsdeurwaarder heeft een onjuiste beslagvrije voet toegepast.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een medewerker van een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a. wordt het volgende overwogen. In het dictum van het vonnis van 19 november 2024 is het volgende opgenomen:
“veroordeelt [..] -uitvoerbaar bij voorraad- in de proceskosten van € 357,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [..] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.”
Op 14 januari 2025 is door [..] om betaling verzocht waardoor de termijn om te betalen liep tot en met 27 januari 2025. Op 27 januari 2025 heeft klager € 357,- aan de gerechtsdeurwaarder betaald. Hiermee heeft klager voldaan aan het vonnis.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 24 januari 2025 het vonnis aan klager betekend, met bevel de hoofdsom en explootkosten binnen twee dagen te voldoen. De gerechtsdeurwaarder heeft zich op het standpunt gesteld dat de betaling van de hoofdsom niet voldoende was, aangezien de betekeningskosten nog openstonden. Er is terecht overgegaan tot het leggen van het bankbeslag, aldus de gerechtsdeurwaarder in het verweerschrift. De gerechtsdeurwaarder miskent hiermee echter het dictum van het vonnis, waarin duidelijk is opgenomen dat klager eerst aangeschreven moest worden. Nu die aanschrijving pas is gedaan op 14 januari 2025 en klager op 27 januari 2025 – dus tijdig – de hoofdsom heeft voldaan, heeft klager voldaan aan het vonnis. Gelet op die tijdige betaling betekent dit dat het gelegde beslag van 30 januari 2025 ten onrechte is gelegd. Klager heeft hierover meerdere malen gemaild met de (medewerker van de) gerechtsdeurwaarder. Deze heeft echter slechts het standpunt herhaald zonder op enige wijze inhoudelijk in te gaan op de stelling van klager dat hij aan het vonnis heeft voldaan. Dit leidt ertoe dat de klacht terecht is voorgesteld.
4.3 Het is vaste rechtspraak van de kamer dat tuchtrechtelijke procedures zoals deze, zich niet lenen voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Dat is aan de civiele rechter. In dit geval heeft de gerechtsdeurwaarder geen verweer gevoerd op wat klager heeft gesteld ten aanzien van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder is ook niet verschenen ter zitting zodat hij daarover vragen van de kamer had kunnen beantwoorden. Onder deze omstandigheden houdt de kamer het er dan ook voor dat de klacht terecht is ingediend. Gelet op het onder 4.2 overwogene waarbij is vastgesteld dat het beslag ten onrechte is gelegd, gaat de kamer ervan uit dat de gerechtsdeurwaarder de ten onrechte ontvangen bedragen zal terugbetalen aan klager.
4.4 De kamer concludeert dat de klachten van klager gegrond zijn en ziet aanleiding tot het opleggen van de maatregel van berisping. De kamer overweegt daarbij dat de gerechtsdeurwaarder het dictum van het vonnis niet juist heeft uitgevoerd. Dit raakt een kerntaak van een gerechtsdeurwaarder en men moet erop kunnen vertrouwen dat een gerechtsdeurwaarder dit juist doet. Daarnaast acht de kamer het niet inhoudelijk ingaan op de stellingen van klager en zodoende de schade voor klager te beperken laakbaar.
5. Maatregel en kosten
5.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer de
gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet en de
Tijdelijke Richtlijn Kostenveroordeling Kamer voor gerechtsdeurwaarders daarnaast
veroordelen tot betaling van:
- een forfaitair bedrag van € 50,- aan kosten van klager;
- de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500,-.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een
andere beslissing.
5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de
gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet het door klager betaalde griffierecht (€ 50,-) aan hem dient te vergoeden.
5.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De kamer voor gerechtsdeurwaarders
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te
begroten op € 50,- nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad
€ 50,- vergoedt, na onherroepelijk worden van deze uitspraak;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van
behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500,- te betalen aan het
LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de
gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is
geworden.
Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.K. Mireku en mr. A.W. Veth, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.