ECLI:NL:TGDKG:2025:119 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/764010 / DW RK 25/41 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:119
Datum uitspraak: 19-12-2025
Datum publicatie: 23-12-2025
Zaaknummer(s): C/13/764010 / DW RK 25/41 MK/SM
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er onder meer over dat samengevat over dat er sprake is van schending van de zorgplicht in de precontractuele fase. De gerechtsdeurwaarder heeft steeds duidelijk met klager gecommuniceerd. Klager heeft uiteindelijk besloten een andere gerechtsdeurwaarder in te schakelen. Dat de gerechtsdeurwaarder de zaak vervolgens als afgedaan heeft beschouwd en heeft aangegeven niet verder met klager te communiceren vanwege het ontbreken van belang, is niet tuchtrechtelijk laakbaar. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 december 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 4 februari 2025 met zaaknummer C/13/759547 DW RK 24/394 HE/WdJ WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/764010 / DW RK 25/41 MK/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

mr. [   ],

gerechtsdeurwaarder te Apeldoorn,

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier, ingekomen op 12 november 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 11 december 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 4 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 10 februari 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2025 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, met kennisgeving, niet verschenen. De uitspraak is nader bepaald op 19 december 2025.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij e-mail van 16 oktober 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht de door klager opgestelde dagvaarding te betekenen.
  • Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager bij e-mail van diezelfde dag geïnformeerd dat de door klager opgestelde dagvaarding niet voldoet aan de wettelijke vereisten.
  • Bij e-mail van 18 oktober 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder desgevraagd de verwachte kosten toegelicht.
  • Bij e-mail van 23 oktober 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder laten weten dat hij geen gebruik meer zal maken van de diensten van de gerechtsdeurwaarder.
  • Bij e-mail van 7 november 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht om opheldering te geven over een mogelijke belangenverstrengeling en tevens een toelichting op de kostenopbouw.
  • Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van diezelfde datum gereageerd.
  • Bij e-mails van 8 en 10 november 2024 heeft klager zijn verzoeken om informatie herhaald.
  • Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mails van 8 en 10 november 2024 verwezen naar de eerder gegeven uitleg.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

  1. de gerechtsdeurwaarder een onredelijke en ongepaste kostenopgave heeft gemaakt;
  2. er sprake is van een gebrek aan zorgvuldigheid en professionele bejegening;
  3. er een risico bestaat op belangenverstrengeling;
  4. er sprake is van ongegronde afsluiting van correspondentie;
  5. er sprake is van schending van de zorgplicht in de precontractuele fase.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat uit de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 16 oktober 2024 blijkt dat klager erop gewezen is dat de door klager opgestelde dagvaarding niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Klager is geadviseerd een rechtskundig adviseur te benaderen. Tevens heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat de dagvaarding ook door het gerechtsdeurwaarderskantoor kan worden gemaakt en dat daarvoor een uurtarief van € 150,- geldt en er een voorschot van € 750,- moet worden voldaan alvorens er een aanvang zal worden gemaakt met de werkzaamheden. Indien klager het met de kosten niet eens is, ligt het op zijn weg om de dagvaarding door iemand anders dan de gerechtsdeurwaarder op te laten maken. Klager heeft er ook voor gekozen om de gerechtsdeurwaarder niet in te schakelen. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder hier niet gemaakt worden.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt klager dat de gerechtsdeurwaarder heeft geweigerd om inhoudelijke vragen over de kostenopgave te beantwoorden. De voorzitter overweegt dat uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder de verwachte kosten bij e-mail van 18 oktober 2024 heeft toegelicht en heeft aangegeven dat er standaard een voorschot van € 750,- wordt gevraagd. Hierbij is tevens gevraagd of klager wenst dat de gerechtsdeurwaarder de zaak verder zal behandelen of dat klager de dagvaarding zelf aanpast naar de wettelijke maatstaven. Klager heeft besloten geen gebruik te maken van de werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is op dit klachtonderdeel niet gebleken.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c stelt klager dat de gedaagde partij, Achmea, een vestiging heeft in Apeldoorn, gelijk als de vestigingsplaats van de gerechtsdeurwaarder en hierdoor mogelijk sprake is van een zakelijke relatie. Deze niet nader door klager onderbouwde stelling is onvoldoende om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdelen d en e overweegt de voorzitter dat dat uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder steeds duidelijk met klager heeft gecommuniceerd. Klager heeft uiteindelijk besloten om de gerechtsdeurwaarder niet in te schakelen voor het betekenen van een dagvaarding, maar een andere gerechtsdeurwaarder hiervoor in te schakelen. Dat de gerechtsdeurwaarder de zaak vervolgens als afgedaan heeft beschouwd en heeft aangegeven niet verder met klager te communiceren vanwege het ontbreken van belang, is niet tuchtrechtelijk laakbaar.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat:

  1. de kamer het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden;
  2. er sprake is het ontbreken van een interne klachtenprocedure bij de gerechtsdeurwaarder;
  3. de gerechtsdeurwaarder systematisch verwijst naar eerdere correspondentie waarin de kern van de vragen van klager onbeantwoord bleven;
  4. er sprake is van foutieve kostenopgave en disproportionele bedragen;
  5. sprake is van een vermeend risico op belangenverstrengeling;
  6. de gerechtsdeurwaarder zich onprofessioneel heeft gedragen;
  7. de procedure bij de kamer een effectieve klachtenprocedure in de weg staat;
  8. er sprake is van onzorgvuldige en onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens en nalatige en gebrekige omgang met vertrouwelijke gegevens door de gerechtsdeurwaarder;

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Klager heeft ten behoeve van de terechtzitting op 17 oktober 2025 stukken nagezonden. Deze stukken zijn buiten beschouwing gelaten omdat deze uiterlijk 10 dagen voor de zitting aan de kamer hadden moeten worden toegezonden.

7.2 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan klager daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan daarom niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder a, b, f, g en h. Ten aanzien van de onder a. en g. in verzet aangevoerde gronden geldt bovendien dat klachten alleen kunnen zien op het (niet) handelen van een gerechtsdeurwaarder, en de kamer in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding ziet anders te oordelen.

7.3 Ten aanzien voor het onder c, d en e. in verzet aangevoerde overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gerechtsdeurwaarder is richting zijn opdrachtgever in beginsel vrij om zijn tarief te bepalen, met de beperking dat hij op grond van de Gerechtsdeurwaardersverordening tenminste een redelijk tarief moet rekenen. Geschillen tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn (potentiële) opdrachtgever vallen verder niet onder het tuchtrecht behoudens excessen, waarvan niet is gebleken. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.