ECLI:NL:TGDKG:2025:118 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/767103 / DW RK 25/111 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:118
Datum uitspraak: 19-12-2025
Datum publicatie: 23-12-2025
Zaaknummer(s): C/13/767103 / DW RK 25/111 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder oneigenlijke druk heeft uitgeoefend door beslag te leggen op twee voertuigen waarbij de dagwaarde van de auto gelijk is aan de sloopwaarde ad € 200. De gerechtsdeurwaarder weigert het beslag op te heffen. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de waarde van de auto van klager. Hieruit is voor vergelijkbare auto’s waardes van € 1.490,- en € 2.300,- gekomen. Klager heeft niet aangetoond dat zijn auto slechts een (sloop)waarde van € 200,- zou hebben De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Het verzet wordt ongegrond verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 december 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 25 maart 2025 met zaaknummer C/13/762749 DW RK 25/15 BB/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/767103 / DW RK 25/111 MK/SM ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

mr. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 16 januari 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 21 februari 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 25 maart 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief 27 maart 2025 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 1 april 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2025 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 19 december 2025.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

  • Bij vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 9 juni 2020 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
  • Bij exploot van 18 juni 2020 is het vonnis van 9 juni 2020 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
  • Op 16 december 2024 is beslag gelegd op twee voertuigen die bij de RDW geregistreerd staan op naam van klager, te weten een aanhangwagen en een personenauto.
  • Op 18 december 2024 is dit beslag aan klager in persoon betekend.
  • Bij e-mail van 18 december 2024 heeft klager gesteld dat de voertuigen niet zijn eigendom zijn. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager om bewijzen gevraagd teneinde zijn stelling te onderbouwen.
  • Na ontvangst van de door klager verstuurde vaststellingsovereenkomst van

25 april 2021, heeft de gerechtsdeurwaarder klager geïnformeerd dat deze overeenkomst geen derdenwerking heeft, het beslag rechtsgeldig is gelegd en zal worden overgegaan tot het afslepen en verkopen van de voertuigen.

  • Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft klager gesteld dat de dagwaarde van de in beslag genomen auto gelijk is aan de sloopwaarde, en het beslag op de auto als oneigenlijk drukmiddel is gebruikt en dan ook niet rechtsgeldig is gelegd.
  • Bij e-mail van 15 januari 2025 heeft klager de gerechtsdeurwaarder bericht dat hij het beslag een oneigenlijk drukmiddel vindt, en verzocht het beslag op te heffen en uit het beslagregister van de RWD te verwijderen.
  • Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 16 januari 2025 gereageerd en is klager verzocht om tot een oplossing te komen.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder oneigenlijke druk heeft uitgeoefend door beslag te leggen op twee voertuigen (een personenauto en een aanhangwagen), waarbij de dagwaarde van de auto gelijk is aan de sloopwaarde ad € 200. De gerechtsdeurwaarder weigert het beslag op te heffen.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 De voorzitter overweegt dat het op grond van bepaalde in

artikel 441, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet is toegestaan beslag te leggen indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst minder is dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit vloeiende executie. Dat is hier niet het geval. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de waarde van de auto van klager. Hieruit is voor vergelijkbare auto’s waardes van € 1.490,- en € 2.300,- gekomen. Klager heeft niet aangetoond dat zijn auto slechts een (sloop)waarde van € 200,- zou hebben. De gerechtsdeurwaarder heeft gelet hierop niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag op de auto van klager te leggen en te houden.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat de auto niet de waarde kan hebben die de gerechtsdeurwaarder de auto toeschrijft, vanwege de kilometerstand, schade na een ongeval en transmissie gebreken. Verder bepaalt artikel 441 Rv dat geen beslag gelegd mag worden als rederlijkwijs te voorzien is dat de opbrengst minder is dan de kosten van de beslaglegging en daaruit voortvloeiende kosten. Dat is hier het geval.

7. Het verweer in verzet

In verzet heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 7 oktober 2025 de door klager aangevoerde gronden gemotiveerd betwist. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

8. De beoordeling van de gronden van het verzet

8.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Klager heeft weliswaar nader onderbouwd dat het voertuig een lagere waarde zou hebben dan door de gerechtsdeurwaarder op basis van eigen onderzoek was verondersteld, maar deze onderbouwing is pas met het instellen van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter gegeven. De gerechtsdeurwaarder heeft daar ten tijde van het beslag geen rekening mee kunnen houden.

8.2 Het door klager aangevoerde heeft niet het effect dat de kamer tot een andere beslissing komt dan vervat in de beslissing van de voorzitter. Het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

8.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.