ECLI:NL:TGDKG:2025:114 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/748064 DW RK 24/119 HE/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:114
Datum uitspraak: 14-11-2025
Datum publicatie: 24-11-2025
Zaaknummer(s): C/13/748064 DW RK 24/119 HE/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: berisping. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte bevel gedaan van een bedrag van € 3.100,-. Aan de opgelegde maatregel ligt ten grondslag dat het opstellen en uitbrengen van exploten tot de kerntaken van de gerechtsdeurwaarder behoort. Deze bevoegdheid is exclusief toevertrouwd aan de gerechtsdeurwaarder en verlangt om die reden een hoge mate van zorgvuldigheid. Dat geldt bovenal bij de beoordeling van een executoriale titel en de vaststelling voor welke bedragen bevel kan worden gedaan. Dat een vergissing gemaakt wordt is weliswaar niet uit te sluiten, maar als klager daar gemotiveerd op wijst mag het niet zo zijn dat pas na een maand inhoudelijk wordt gereageerd. Te meer omdat de constatering van klager ziet op een wezenlijk afwijking in het door de gerechtsdeurwaarder gedane bevel en de daaraan ten grondslag liggende titel.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 14 november 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/748064 DW RK 24/119 HE/SM ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

1. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

2. mr. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden,

gemachtigde: M. Colijn

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 19 maart 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarder sub 1. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij e-mails, ingekomen op 17 april 2024 en 16 mei 2024. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2024, heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2025, alwaar gerechtsdeurwaarder sub 2 en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 14 november 2025.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij exploot van 15 maart 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 de grosse van de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 4 april 2022 en de grosse van de beslissing van het Hof van Discipline van 14 juli 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
  • Bij e-mail van 17 maart 2024 heeft klager zich beklaagd over het exploot en een aantal vragen gesteld over de inhoud van het exploot.
  • Bij e-mail van 19 maart 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 klager medegedeeld dat de e-mail van klager zal worden besproken met de opdrachtgever en dat er zo spoedig mogelijk een reactie komt.
  • Bij e-mail van 9 april 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 klager geïnformeerd dat hij klager meerdere keren telefonisch heeft proberen te bereiken, maar daarin niet is geslaagd. De gerechtsdeurwaarder heeft klager verzocht contact met het kantoor op te nemen om de klacht van klager te bespreken.
  • Hierop heeft klager bij e-mail van 9 april 2024 aangegeven dat hij de klacht schriftelijk uitgebreid heeft gemotiveerd en hij deze niet telefonisch hoeft toe te lichten. Klager verzoekt de gerechtsdeurwaarder zo snel mogelijk op de klacht te beslissen.
  • Bij e-mail van 17 april 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 de klacht van klager deels gegrond verklaard. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om contact op te nemen met de opdrachtgever om te bezien of het mogelijk is een betalingsregeling te treffen.
  • Hierop heeft klager bij e-mail van 17 april 2024 gereageerd.
  • Bij e-mail van 25 april 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 op nadere stukken van klager gereageerd en tevens aangegeven dat de opdrachtgever niet akkoord gaat met een betalingsregeling van € 750,- per maand, maar wel akkoord kan gaan met een betalingsregeling van € 1.000,- per maand waarbij de eerste betaling vóór 5 mei 2024 moet zijn voldaan.
  • Bij e-mail van 15 mei 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 klager medegedeeld dat de opdrachtgever akkoord gaat met een betalingsregeling van € 750,- per maand vanaf 1 juni 2024.

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarders:

  1. een exploot met bevel tot betaling aan klager hebben betekend zonder juridische grondslag of executoriale titel;
  2. pas een maand later op het verzoek van klager om een betalingsregeling hebben gereageerd en hierbij hebben verwezen naar een voor klager onbekend advocatenkantoor.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

4.2 De klacht is gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014[1] dienen klachten die zijn gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder te worden afgehandeld als zijnde tegen hem gericht. In het verweer heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 zich opgeworpen als beklaagde. De in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarders worden daarom als beklaagden aangemerkt. Het verweerschrift zal worden beschouwd als zijnde afkomstig van beide genoemde gerechtsdeurwaarders, te meer nu gebleken is dat beide gerechtsdeurwaarders een rol hebben gehad in de beklaagde handelingen. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 Gdw oplevert.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer vast dat ten onrechte bevel is gedaan om € 3.100,- te betalen ter zake “Onverschuldigd betaalde facturen”. De stelling van klager dat een onjuist bevel tot betaling is gedaan is daarmee juist. Dit klachtonderdeel is om die reden terecht voorgesteld.

4.4 Voor zover klager de tenuitvoerlegging in zijn algemeenheid ter discussie stelt zal hij zich daarvoor moeten wenden tot de gewone rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b stellen de gerechtsdeurwaarders zich op het standpunt dat een reactie na een maand in dit geval niet laat te noemen is. Klager heeft immers aangegeven dat hij pas vanaf juni 2024 in staat is tot betaling over te gaan, omdat hij nog doende is met de afbetalingsregeling die hij met de Orde had getroffen. Ook heeft de klacht van klager (bij de kamer) er voor gezorgd dat de gerechtsdeurwaarders even pas op de plaats hebben genomen om eerst zorgvuldig naar de klacht van klager te kijken.

4.6 Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven en

e-mails binnen een redelijke termijn, te weten rond twee weken, beantwoordt. Uit de overgelegde producties blijkt dat gerechtsdeurwaarder sub 2 pas op 9 april 2024 heeft gemaild dat hij klager meermalen telefonisch heeft geprobeerd te bereiken naar aanleiding van zijn klacht van 17 maart 2024. Dat is drie weken na de klacht. Vervolgens is er pas op 17 april 2024, en daarmee niet binnen een redelijke termijn, inhoudelijk op de klacht van klager gereageerd. Dit klachtonderdeel is eveneens terecht voorgesteld.

4.7 Gelet op het voorgaande verklaart de kamer de klacht gegrond en zal zij aan de gerechtsdeurwaarders, met name omwille van klachtonderdeel a, de maatregel van berisping opleggen. Hieraan ligt ten grondslag dat het opstellen en uitbrengen van exploten tot de kerntaken van de gerechtsdeurwaarder behoort. Deze bevoegdheid is exclusief toevertrouwd aan de gerechtsdeurwaarder en verlangt om die reden een hoge mate van zorgvuldigheid. Dat geldt bovenal bij de beoordeling van een executoriale titel en de vaststelling voor welke bedragen bevel kan worden gedaan. Dat een vergissing gemaakt wordt is weliswaar niet uit te sluiten, maar als klager daar gemotiveerd op wijst mag het niet zo zijn dat pas na een maand inhoudelijk wordt gereageerd. Te meer omdat de constatering van klager ziet op een wezenlijk afwijking in het door de gerechtsdeurwaarder gedane bevel en de daaraan ten grondslag liggende titel.

5. Kosten(veroordeling)

5.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarders een maatregel oplegt, zal de kamer de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders daarnaast veroordelen tot betaling van:

  • een forfaitair bedrag van € 50,- aan kosten van klager;
  • de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500,-.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een

andere beslissing.

5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de

gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klager betaalde

griffierecht (€ 50,-) aan hem dienen te vergoeden.

5.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders, hoofdelijk des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan klager van zijn kosten van de procedure in eerste aanleg, bestaande uit € 50,- aan griffierecht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders, hoofdelijk des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500,- te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

14 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

[1] ECLI:NL:GHAMS:2014:3696