ECLI:NL:TGDKG:2025:113 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/761094 / DW RK 24/431 HE/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2025:113
Datum uitspraak: 14-11-2025
Datum publicatie: 24-11-2025
Zaaknummer(s): C/13/761094 / DW RK 24/431 HE/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Verzet ongegrond. Klaagster beklaagt zich er – onder meer – over dat de gerechtsdeurwaarder ondanks de toezegging de inboedel en alle huisraad niet heeft opgeslagen. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 14 november 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 26 november 2024 met zaaknummer C/13/755228 DW RK 24/285 MdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/761094 / DW RK 24/431 HE/SM ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 10 augustus 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 26 november 2024 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 28 november 2024 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 11 december 2024, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2025 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 14 november 2025.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

  • Bij vonnis van 28 mei 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland klaagster veroordeeld om het appartement aan de Livingstonelaan 82 te Utrecht binnen twee maanden na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten.
  • Bij exploot van 7 juni 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van

28 mei 2021 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

  • Bij exploot van 3 augustus 2021 is de ontruiming van de onroerende zaak aangezegd tegen 11 augustus 2021.
  • Bij e-mail van 10 augustus 2021 is namens klaagster verzocht de ontruiming op te schorten.
  • Op 11 augustus 2021 heeft de ontruiming plaatsgevonden. Hiervan heeft de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal opgemaakt.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

  1. de volledige inboedel en alle huisraad niet is opgeslagen, ondanks de toezegging van de gerechtsdeurwaarder;
  2. de gerechtsdeurwaarder de ontruiming heeft laten uitvoeren door een malafide bedrijf;
  3. de gerechtsdeurwaarder heeft geweigerd de ontruiming op te schorten, ondanks het herhaalde gemotiveerde verzoek van mr. [ ] namens klaagster.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat klaagster (als eigenaar van de inboedel) de eerst aangewezen persoon is om haar inboedel tijdig uit haar woning te verwijderen dan wel om de aan de openbare weg geplaatste inboedel vervolgens af te voeren en op te slaan. De ambtelijke taak van de gerechtsdeurwaarder eindigt met het aan de openbare weg plaatsen van de inboedel. De gerechtsdeurwaarder heeft in het verweerschrift uitdrukkelijk ontkend dat hij heeft toegezegd dat de gehele inboedel zou worden opgeslagen. Uit het proces-verbaal van de ontruiming van 11 augustus 2021 blijkt dat klaagster tijdens de ontruiming aanwijzing heeft gedaan welke zaken kunnen worden vernietigd en worden afgevoerd. De overige zaken zijn door de ontruimingsploeg opgeslagen. Nadat de ontruiming is voltooid, heeft de gerechtsdeurwaarder behoudens zeer bijzondere omstandigheden geen zorgplicht meer ten aanzien van de ontruimde boedel. Van zeer bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat deze niet nader door klaagster onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat de opdrachtgevers hebben aangeven niet in te stemmen met een uitstel van de ontruiming van de woning. Dit kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten.

4.5 Voor zover de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt stelt dat klaagster niet de juiste weg heeft gevolgd door niet eerst bij de gerechtsdeurwaarder een klacht in te dienen, overweegt de voorzitter het volgende. Het had weliswaar netter geweest als klaagster zich eerst tot de gerechtsdeurwaarder had gewend om haar beklag te doen, maar dit is niet een wettelijk vereiste. Het staat klaagster vrij om zich gelijk bij de kamer te beklagen over het handelen van de gerechtsdeurwaarder.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster – samengevat – aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder:

  1. de ontruiming niet had mogen uitvoeren vanwege de (gezondheids)situatie van klaagster en/of vanwege bepaalde wettelijke voorschriften;
  2. een bedrijf heeft ingeschakeld dat schade heeft veroorzaakt aan de spullen van klaagster. De gerechtsdeurwaarder weet dat of heeft dat moeten hebben geweten;
  3. zich achter zijn opdrachtgever verschuilt door de ontruiming niet op te schorten.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Het is de kamer duidelijk dat de ontruiming – en het onderliggende geschil met haar familie – zichtbaar een enorme impact hebben gehad op klaagster. De gerechtsdeurwaarder, die er blijk van heeft gegeven niet ongevoelig te zijn voor wat klaagster heeft meegemaakt, heeft op de zitting benadrukt dat hij de opdracht heeft uitgevoerd zoals hem dat nadrukkelijk is verzocht. De gerechtsdeurwaarder heeft evenwel naar aanleiding van (twee) e-mails van klaagster ruggespraak gehouden met de opdrachtgever, maar deze heeft aangegeven de ontruiming te willen voortzetten. Dit kan de gerechtsdeurwaarder niet worden tegengeworpen. De kamer kan niet vaststellen of er zaken vermist of beschadigd zijn geworden tijdens de ontruiming. Evenmin kan worden vastgesteld dat klager met de gerechtsdeurwaarder heeft afgesproken dat alle inboedel bewaard zou blijven. Voorts overweegt de kamer dat wat klaagster verder ter zitting naar voren heeft gebracht – inclusief de schriftelijke getuigenverklaring van [ ] – geen nieuwe gezichtspunten opleveren die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt dan de voorzitter. Het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.