ECLI:NL:TGDKG:2025:112 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/760624 / DW RK 24/421 HE/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:112 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-11-2025 |
| Datum publicatie: | 24-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/760624 / DW RK 24/421 HE/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klagers beklagen zich er – onder meer – over dat de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van de beslagvrije voet ongemotiveerd het fiscaal inkomen van klager heeft betrokken. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 14 november 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 19 november 2024 met zaaknummer C/13/755044 DW RK 24/282 LV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/760624 / DW RK 24/421 HE/SM ingesteld door:
1. [ ] B.V.,
2. mr. [ ],
gevestigd te [ ],
klagers,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 7 augustus 2024, hebben klagers een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 31 oktober 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 19 november 2024 2024 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 21 november 2024 aan klagers toegezonden. Bij brief, ingekomen op 3 december 2024, hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2025 alwaar klager sub 2 en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.
De uitspraak is bepaald op 14 november 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klagers hebben verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kunnen worden ontvangen.
3. De feiten
- De gerechtsdeurwaarder is belast met een notariële akte van geldlening met hypotheekstelling op 22 april 2003.
- Op 1 mei 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van klager sub 2.
- Bij e-mail van 20 mei 2024 heeft klager sub 2 de gerechtsdeurwaarder verzocht om informatie over de berekening van de beslagvrije voet.
- Op 22 mei 2024 is de beslagvrije voet opnieuw berekend.
- Bij e-mail van 3 juni 2024 heeft klager sub 2 nadere gegevens verstrekt die nog in de berekening van de beslagvrije voet zijn verwerkt en heeft klager verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet.
- Klager sub 2 heeft zijn e-mail van 3 juni 2024 bij e-mail van 25 juni 2024 gerappelleerd.
- Op 5 juli 2024 is de beslagvrije voet opnieuw berekend.
- Bij e-mail van 14 juli 2024 heeft klager sub 2 verzocht om een herziene berekening van de beslagvrije voet, omdat er naar de mening van klager een kennelijke vergissing in de herberekening van 5 juli 2024 is opgenomen.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 16 juli 2024 gereageerd.
4. De oorspronkelijke klacht
Klagers beklagen zich er samengevat over dat:
- de behandelend(e) gerechtsdeurwaarder(s) niet zijn/hun hoedanigheid kenbaar hebben gemaakt, ondanks uitdrukkelijk verzoek van klager sub 2, zodat klager sub 2 geen direct overleg met de behandelend(e) gerechtsdeurwaarder(s) heeft kunnen voeren;
- de gerechtsdeurwaarder ondanks het uitdrukkelijke verzoek van klagers weigert inhoudelijk en juridisch te reageren op correspondentie van klagers, door zich alleen te baseren op navraag;
- de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van de beslagvrije voet ongemotiveerd het fiscaal inkomen van klager sub 2 heeft betrokken en dat na een correctie weer heeft gedaan.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a heeft de gerechtsdeurwaarder erkend dat in eerste instantie bij e-mail van 18 juli 2024 een ontoereikende reactie aan klager sub 2 is verstrekt, naar aanleiding van de vraag van klager wat de naam en het adres van de behandeld gerechtsdeurwaarder is. Uit het verweerschrift blijkt dat vervolgens op
22 juli 2024 telefonisch contact met klager sub 2 is opgenomen, waarbij is verwezen naar het beslagexploot waarop de naam en het adres van de gerechtsdeurwaarder staat vermeld. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet per 1 januari 2021 berekent met behulp van de geautomatiseerde rekenmodule. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van gegevens uit de UWV Polisadministratie, de Basisregistratie Personen en van de Belastingdienst. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder, na een eerdere poging, op 30 juli 2024 telefonisch contact met klager sub 2 heeft gehad om uitleg te geven over de berekening van de beslagvrije voet. Omdat klager op dat moment in een bespreking zat, heeft klager aangegeven de volgende dag zelf terug te bellen. Dat heeft klager niet gedaan. Er kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt op dit klachtonderdeel.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat de hoogte van de beslagvrije voet geen kwestie is die ter beoordeling van de kamer staat. Dit is slechts anders als sprake is van evidente fouten of handelen tegen beter weten in. Hiervan is niet gebleken. De gerechtsdeurwaarder mocht bij de berekening van de beslagvrije voet afgaan van de gegevens van de rekentool. De gerechtsdeurwaarder heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij bij de berekening van de beslagvrije voet op 2 april 2024 heeft vernomen dat het belastbaar inkomen gemiddeld € 1.977,- per maand was. De beslagvrije voet is bij de herberekening op 22 mei 2024 op nihil gesteld, naar aanleiding van een gesprek en e-mail van klager sub 2 op 20 mei 2024, waarbij klager had aangegeven dat het loon dat stond aangegeven in de modelmededeling betrekking had op een lening die klager moest terugbetalen. Bij de herberekening op 5 juli 2024 is intern besproken dat het inkomen ad € 1.977,- bij de berekening van de beslagvrije voet kon worden meegenomen. Indien klager het met de berekende beslagvrije voet niet eens is, dient hij zich te wenden tot de gewone civiele rechter.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klagers als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet hebben klagers aangevoerd dat geen sprake is van loon, waardoor dit niet worden betrokken bij de berekening van de beslagvrije voet.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klagers nieuwe klachten in verzet hebben aangevoerd kunnen zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klagers kunnen daarom niet worden ontvangen in hun klacht voor zover deze ziet op de stelling dat er sprake is van een gebrekkige executoriale titel.
7.2 De kamer overweegt verder dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klagers ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders. Ten overvloede merkt de kamer nog op dat ter zitting is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder naar aanleiding van het standpunt van klager over het loon, onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van dat standpunt. Dat de gerechtsdeurwaarder daarbij onderbouwd tot een ander standpunt komt, maakt niet dat sprake is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit zou anders kunnen zijn indien het standpunt van de gerechtsdeurwaarder evident onjuist is, maar dat is niet gebleken.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.