ECLI:NL:TGDKG:2025:111 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/751240 / DW RK 24/209 HE/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:111 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-11-2025 |
| Datum publicatie: | 24-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/751240 / DW RK 24/209 HE/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet gegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel: berisping. De kamer stelt vast dat zich onzorgvuldigheden hebben voorgedaan die enkel en alleen naar voren zijn gekomen dankzij een volhardende houding van klager. Dat de rentestop is komen te vervallen (en het vorderen van lopende rente dus is hervat) als gevolg van de overgang naar de nieuwe dossierapplicatie is slordig, aangezien een rentestop een specifiek doel vervult in specifieke gevallen. Dat klager de gerechtsdeurwaarders daar meermaals op heeft moeten wijzen is tot daar aan toe. Maar als de gerechtsdeurwaarders de fout inzien en vervolgens met een onjuiste boekingscode het opgelopen (rente)bedrag boeken op de executiekosten waardoor datzelfde bedrag weer ten laste van klager in het dossiersaldo wordt geboekt, slaat slordigheid naar het oordeel van de kamer om in onzorgvuldigheid. Hiermee is dan ook sprake van een tuchtrechtelijk laakbaar handelen. |
Beslissing van 14 november 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 april 2024 met zaaknummer C/13/745973 DW RK 24/59 MK/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/751240 / DW RK 24/209 HE/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
1. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
2. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagden,
gemachtigde: mr. [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 1 februari 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarder sub 1. Bij verweerschrift, ingekomen op
7 maart 2024, heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 op de klacht gereageerd.
Bij beslissing van 24 april 2024 heeft de voorzitter de klacht deels niet-ontvankelijk verklaard en deels als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 26 april 2024 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 7 mei 2024, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2025, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 14 november 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
- Bij verstekvonnis van 30 januari 2014 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan Finata Bank N.V..
- Bij exploot van 10 februari 2014 is het vonnis van 30 januari 2014 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij exploot van 14 januari 2015 is de overgang van de executiebevoegdheid aan Hoist Portfolio Holding Ltd aan klager betekend.
- Bij exploot van 22 juni 2018 is de overgang van de executiebevoegdheid aan Hoist Finance AB aan klager betekend.
- Op 7 januari 2016 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten laste van klager.
- Op 27 december 2022 is het dossier van klager gesloten, omdat de vordering in het geheel was voldaan.
4. De oorspronkelijke klacht
In de beslissing van 24 april 2024 is de klacht samengevat waarbij is aangegeven dat lager zich er s over beklaagt dat:
- de gerechtsdeurwaarders proberen bovenmatige vergoedingen te krijgen;
- de gerechtsdeurwaarders dreigen met nieuwe rechtsmaatregelen;
- de gerechtsdeurwaarders de gezondheid van klager niet respecteren;
- de gerechtsdeurwaarders zich niet houden aan de afspraken dat er niet meer binnengetreden zal worden;
- de gerechtsdeurwaarders niet-doelmatige beslagen in stand houden;
- de gerechtsdeurwaarders [ ] laten liegen;
- de gerechtsdeurwaarders geen controle hebben op medewerkers;
- de gerechtsdeurwaarders onterecht renteberekeningen opvoeren;
1. de gerechtsdeurwaarders ten onrechte (een hoger bedrag aan) executiekosten opgemaakt in de vordering opboeken;
10. de gerechtsdeurwaarders geen degelijke administratie voeren;
- de gerechtsdeurwaarders brieven beantwoorden zonder de daarbij van belang zijnde stukken te overleggen;
50. de gerechtsdeurwaarders geen controle houden of de uitkomsten van het nieuwe systeem gelijk zijn aan het oude systeem;
1000. de gerechtsdeurwaarders geen namen van overige gerechtsdeurwaarders bekend willen maken;
14. de gerechtsdeurwaarders geen overzichten willen verstrekken;
- de gerechtsdeurwaarders niet de BKR-notering willen aanpassen;
- de gerechtsdeurwaarders niet de toegezegde kortingen willen terug verrekenen.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts deur waar ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts deur waar der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.
4.2 De klacht is gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) dienen klachten die zijn gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder te worden afgehandeld als zijnde tegen hem gericht. Nu gerechtsdeurwaarder sub 2 in het verweerschrift heeft aangegeven dat de klacht uitsluitend tegen hem moet worden geacht te zijn gericht, wordt deze gerechtsdeurwaarder ook als beklaagde aangemerkt. Het verweerschrift zal worden beschouwd als zijnde afkomstig van beide gerechtsdeurwaarders. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.3 De voorzitter overweegt dat de klacht, voor zover deze ziet op een periode van meer dan drie jaren geleden, op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet door de voorzitter niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat voor zover klager met dit klachtonderdeel bedoelt dat er teveel kosten bij hem in rekening worden gebracht, de door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten voor het uitvoeren van ambtshandelingen berusten op door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders neergelegde tarieven. Niet gebleken dan wel met stukken onderbouwd is dat de gerechtsdeurwaarders andere of hogere kosten in rekening hebben gebracht. Dit klachtonderdeel wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b hebben de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift gesteld dat niet gedreigd is met nieuwe rechtsmaatregelen. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde producties. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
4.6 Ten aanzien van klachtonderdelen c, e, f, g, j, k en n overweegt de voorzitter dat deze niet voldoende concreet onderbouwde stellingen onvoldoende zijn om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders vast te stellen.
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift uitdrukkelijk ontkennen dat is toegezegd dat er nooit beslag op de roerende zaken van klager gelegd zou worden, waarbij binnentreden noodzakelijk is. Overigens blijkt uit de overgelegde producties niet en heeft klager ook niet aannemelijk gemaakt dat bij klager is binnengetreden terzake onderhavige zaak. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
4.8 Ten aanzien van klachtonderdelen h en l overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat de opdrachtgever uit coulance per 3 mei 2016 een rentestop heeft toegekend. De gerechtsdeurwaarders hebben in het verweerschrift aangegeven dat, na een handmatige controle na de overgang van de nieuwe dossierapplicatie is gebleken dat de rentestop niet vlekkeloos in het nieuwe systeem terecht is gekomen en de rente weer is gaan lopen. Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing of rekenfout begaat, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk het gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Nadat de gerechtsdeurwaarders de fout hadden geconstateerd is de fout hersteld. Klager is door de fout niet in zijn belangen geschaad. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op deze klachtonderdelen.
4.9 Ten aanzien van klachtonderdeel i verwijst de voorzitter naar rechtsoverweging 4.4. Van tuchtrechtrechtelijk laakbaar handelen door de gerechtsdeurwaarders is niet gebleken.
4.10 Ten aanzien van klachtonderdeel m overweegt de voorzitter dat op een gerechtsdeurwaarder geen wettelijke verplichting bestaat om namen van overige gerechtsdeurwaarders bekend te maken die bij het dossier van klager betrokken zijn. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel o stelt de voorzitter voorop dat een gerechtsdeurwaarder niet geautoriseerd is om wijzingen in het BKR-register aan te brengen. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarders de opdrachtgever op 3 januari 2023 hebben geïnformeerd dat de vordering volledig was voldaan en het dossier is gesloten. Dat de opdrachtgever vervolgens kennelijk niet de BKR-notering heeft gewijzigd, kan niet aan de gerechtsdeurwaarders worden verweten. Dit klachtonderdeel dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4.12 Ten aanzien van klachtonderdeel p hebben de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift erkend dat de toezegging om een bepaalde kostenpost ad € 96,50 terug te brengen naar een bedrag van € 74,51 sneller verwerkt had moeten worden dan is gedaan. De voorzitter overweegt dat uit het verweerschrift blijkt dat de korting wel voor de sluiting van het dossier van klager is verwerkt. Klager is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Er kan de gerechtsdeurwaarders geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt op dit klachtonderdeel.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht deels niet-ontvankelijk verklaard en deels als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager dezelfde klachtonderdelen (puntsgewijs en nader gemotiveerd) aangevoerd als in de initiële klacht.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Ter zitting is gebleken dat klachtonderdelen a en k anders zijn opgevat dan klager heeft bedoeld. De kamer stelt vast dat de opvatting van de voorzitter ertoe heeft geleid dat klachtonderdeel a onbehandeld is gebleven.
7.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a moet, waar “bovenmatige vergoedingen” staat, worden gelezen “bovenmatige betalingen”. Klager heeft hiermee bedoeld aan te voeren dat de gerechtsdeurwaarders extra betalingen hebben proberen te verkrijgen van klager bovenop wat klager maximaal heeft kunnen afdragen in het licht van de beslagvrije voet. Klager refereert daarmee aan de brief van 22 januari 2021 waarin de gerechtsdeurwaarders aansturen op een (aanvullende) betalingsregeling. Dit klachtonderdeel ziet echter op een gebeurtenis van meer dan drie jaren geleden, voorafgaand aan de indiening van de klacht. Dit klachtonderdeel dient op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7.3 Ten aanzien van klachtonderdeel k moet, waar “stukken te overleggen” staat, worden gelezen “stukken ter hand nemen c.q. eerdere stukken uit het dossier te raadplegen”. Deze wijziging leidt niet tot een ander oordeel dan vervat in de beslissing van de voorzitter.
7.4 Voorts is de vraag aan de orde of de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Hierover overweegt de kamer het volgende.
7.5 Ten aanzien van het overwogene onder 4.8 van de beslissing van de voorzitter, met betrekking tot klachtonderdeel l overweegt de kamer als volgt. De gerechtsdeurwaarders hebben betwist dat zij geen controle hebben uitgevoerd na de overgang naar de nieuwe dossierapplicatie. Er zijn steekproeven geweest en de uitkomsten daarvan hebben geen aanleiding gegeven om te veronderstellen dat er iets fout is gegaan. Naar het oordeel van de kamer is de steekproefsgewijze controle van een systeem van enige omvang qua data niet onbegrijpelijk, zelfs als daarmee het risico wordt gelopen dat fouten niet meteen naar boven komen. Mochten deze op een later moment wel naar voren komen komt, dan komt dat voor rekening van de gerechtsdeurwaarders, maar dat leidt niet zonder meer tot een tuchtrechtelijk laakbaar handelen.
7.6 Ten aanzien van het overwogene onder 4.9 gelezen in samenhang met 4.8 van de beslissing van de voorzitter met betrekking tot klachtonderdelen h en i, overweegt de kamer als volgt. De kamer stelt vast dat zich onzorgvuldigheden hebben voorgedaan die enkel en alleen naar voren zijn gekomen dankzij een volhardende houding van klager. Dat de rentestop is komen te vervallen (en het vorderen van lopende rente dus is hervat) als gevolg van de overgang naar de nieuwe dossierapplicatie is slordig, aangezien een rentestop een specifiek doel vervult in specifieke gevallen. Dat klager de gerechtsdeurwaarders daar meermaals op heeft moeten wijzen is tot daar aan toe. Maar als de gerechtsdeurwaarders de fout inzien en vervolgens met een onjuiste boekingscode het opgelopen (rente)bedrag boeken op de executiekosten waardoor datzelfde bedrag weer ten laste van klager in het dossiersaldo wordt geboekt, slaat slordigheid naar het oordeel van de kamer om in onzorgvuldigheid. Hiermee is dan ook sprake van een tuchtrechtelijk laakbaar handelen.
7.7 Ten aanzien van het overwogene onder 4.12 van de beslissing van de voorzitter merkt de kamer op dat het op dit onderdeel ook weer klager is die, na zeven jaar, de gerechtsdeurwaarders erop moet wijzen dat er niets is gebeurd met de toezegging. Dit leidt evenwel niet tot een ander tuchtrechtelijk oordeel dan vervat in de beslissing van de voorzitter op dit klachtonderdeel.
7.8 Voor het overige is de kamer het met de beslissing van de voorzitter eens. De andere door klager aangevoerde gronden leiden niet tot een ander oordeel.
7.9 Het voorgaande betekent dat het verzet gegrond is en dat de klachtonderdelen h, i en p gegrond moeten worden verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. Aan de gerechtsdeurwaarders zal de na te noemen maatregel worden opgelegd.
8. Kostenveroordeling
8.1 De kamer zal de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klager worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,-.
8.2 Nu de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de
gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet het door klager betaalde griffierecht ad € 50,- aan hem dient te vergoeden.
8.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt de beslissing van de voorzitter voor wat betreft klachtonderdelen a, h, i en p en wat daarover is overwogen onder 4.4, 4.8 en 4.9 van de beslissing;
- verklaart klachtonderdeel a niet-ontvankelijk;
- legt de gerechtsdeurwaarders voor het gegronde deel van de klacht, ten aanzien van klachtonderdelen h, i en p, de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarders in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarders in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,- met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarders het bedrag van de kostenveroordeling moeten voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarders zal worden medegedeeld;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarders tot betaling aan klager van zijn kosten in eerste aanleg, bestaande uit € 50,- aan griffierecht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. J.H.J. Evers, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen het deel waarbij de beslissing van de voorzitter is vernietigd en alsnog op de klacht is beslist, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.