ECLI:NL:TGDKG:2025:109 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/761686 / DW RK 24/440 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:109 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-11-2025 |
| Datum publicatie: | 24-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/761686 / DW RK 24/440 BB/WdJ |
| Onderwerp: | Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster beklaagt zich over het niet verstrekken van een derdenverklaring, de beslagvrije voet, onjuiste adresgegevens en bedragen in een exploot, privacy schending, dat zij niet voldoende is geïnformeerd over de beslagprocedure, er geen poging is ondernomen om een betalingsregeling te treffen, er niet is gereageerd op haar bezwaren en dat betalingen en inhoudingen niet correct zijn verwerkt. Gerechtsdeurwaarder sub 1 kan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij een onjuist bedrag aan proceskosten in een exploot heeft opgenomen. De klacht is voor het overige ongegrond.De kamer legt aan gerechtsdeurwaarder sub 1 voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van waarschuwing op. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 17 november 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/761686 / DW RK 24/440 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
1. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
2. [ ],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],
3. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagden,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 23 december 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2025, heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Klaagster heeft haar klacht aangevuld met nieuwe klachten bij e-mails, ingekomen op 4 en 7 maart 2025. De aanvulling - die is ingediend na de indiening van het verweerschrift - wordt niet meegenomen in de beoordeling van deze klacht. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2025 alwaar klaagster online is gehoord en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders is verschenen. De uitspraak is bepaald op 17 november 2025.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarders hebben namens [ ] vier titels ter executie in behandeling, te weten een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van
8 januari 2016, een vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van
31 maart 2016, een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 juli 2016 en een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 11 april 2017.
- Op 14 april 2023 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de [ ] ten laste van klaagster.
- Bij e-mail van 18 april 2023 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de vorderingen alsmede tegen de gestelde proceskosten van € 6.325,-- ten aanzien van het vonnis van 8 januari 2016.
- Bij e-mail van 19 april 2023 is klaagster geïnformeerd dat per abuis teveel aan proceskosten zijn doorberekend en dat de vordering is verlaagd met een bedrag van € 5.412,44.
- Op 15 juli 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van klaagster.
- Bij exploot van 19 juli 2024 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klaagster betekend.
- Bij e-mail van 7 november 2024 is het bezwaar van klaagster tegen de vorderingen afgewezen.
- Bij e-mail van 3 december 2024 heeft klaagster verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet.
- Bij e-mail van 5 december 2024 is klaagster geïnformeerd dat de beslagvrije voet nader is vastgesteld op € 1.950,-- per maand.
- Bij separate e-mail van 5 december 2024 is klaagster geïnformeerd dat de herberekening van de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht wordt toegepast.
- Bij e-mail van 20 februari 2025 is klaagster geïnformeerd dat de beslagvrije voet zou moeten worden vastgesteld op € 1.944,-- per maand, maar dat uit coulance geen (voor klaagster negatieve) aanpassing zal plaatsvinden.
3. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de derdenverklaring van het UWV ontbreekt bij het exploot van 19 juli 2024 en klaagster ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken met betrekking tot dit beslag;
b: de beslagvrije voet onjuist en niet met terugwerkende kracht is vastgesteld;
c: gerechtsdeurwaarder sub 1 in april 2023 onjuiste adresgegevens en bedragen heeft vermeld in het exploot;
d: zonder haar toestemming vertrouwelijke informatie is gedeeld met haar werkgever, hetgeen een grove schending is van de privacy van klaagster en een inbreuk is op haar persoonlijke levenssfeer;
e: zij onvoldoende is geïnformeerd over de beslagprocedure, rechten en mogelijkheden om bezwaar te maken tegen het beslag:
f: er geen is poging ondernomen om in onderling overleg een redelijke betalingsregeling te treffen;
g: [ ] heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op de bezwaren en klachten van klaagster;
h: betalingen en inhoudingen niet correct zijn verwerkt.
4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders
De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat er voor een gerechtsdeurwaarder geen wettelijke verplichting bestaat om de derdenverklaring van het UWV aan klaagster te betekenen. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt de kamer voorop dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Ten aanzien van de door klaagster verlangde terugwerkende kracht overweegt de kamer dat in artikel 475i lid 4 juncto 475d lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat als een beslagene binnen vier weken na de mededeling van een (opnieuw) vastgestelde beslagvrije voet (i.c. 19 juli 2024) omstandigheden meldt die de beslagvrije voet doen verhogen, de beslagvrije voet met terugwerkende kracht wordt aangepast. Nu het verzoek om aanpassing van de beslagvrije voet buiten de vier weken is ontvangen (namelijk op 3 december 2024), is deze regel van terugwerkende kracht niet van toepassing. Dit klachtonderdeel stuit daarop af.
5.4.1 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat gerechtsdeurwaarder sub 1 geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij pas na het leggen van het derdenbeslag, maar voor het betekenen van het beslag aan de schuldenaar, de Basisregistratie Personen (Brp) heeft geraadpleegd voor de recente adresgegevens van klaagster. De Brp-gegevens mogen immers niet ouder zijn dan twee weken. Er is geen algemene verplichting om voorafgaand aan het leggen van derdenbeslag de Brp te controleren.
5.4.2. Gerechtsdeurwaarder sub 1 kan wel een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij in het exploot van 14 april 2023 een onjuist bedrag aan proceskosten ad € 5.412,44 heeft opgenomen. Een dergelijk bedrag voor proceskosten is op zichzelf substantieel en daarom had van de deurwaarder sub 1 verwacht mogen worden dat hij nader onderzocht had of dit bedrag juist was. Dat de vordering gelijk is hersteld en excuses aan klaagster zijn aangeboden nadat klaagster het gerechtsdeurwaarderskantoor op de hoogte had gebracht van de gemaakte fout, is passend maar maakt niet dat geen sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit deel van de klacht. Nu alleen gerechtsdeurwaarder sub 1 verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gemaakte fout en de overige gerechtsdeurwaarders hier niets mee van doen hebben gehad, is dit klachtonderdeel alleen ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1 gegrond.
5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer dat het delen van vertrouwelijke informatie door een gerechtsdeurwaarder met de werkgever van klaagster in het kader van loonbeslag, mits noodzakelijk, niet in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.
5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e verwijst de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders naar de toelichting die bij de betekening van 19 juli 2024 aan klaagster is verstrekt. De kamer overweegt verder dat het op de weg van klaagster had gelegen om contact op te nemen met de gerechtsdeurwaarders indien zij nadere informatie wilde omtrent de beslagprocedure en wat zij hiertegen kon doen. Niet gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarders op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.
5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel f heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift gesteld dat in bijna elke brief van [ ] wordt verwezen naar [ ] om een regeling te treffen. Niet gebleken is dat klaagster een betalingsregeling heeft voorgesteld. Bovendien betwist klaagster de vorderingen. Niet valt in te zien waarom de gerechtsdeurwaarders in dit geval meer of anders hadden moeten doen om klaagster tot een betalingsregeling te bewegen. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders.
5.8 Ten aanzien van klachtonderdeel g overweegt de kamer dat uit de door de gerechtsdeurwaarders overgelegde producties blijkt dat inhoudelijk op bezwaren van klaagster is gereageerd. Dat klaagster hierbij niet de door haar gewenste antwoorden heeft gekregen, maakt niet dat de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De kamer overweegt verder dat geschillen met betrekking tot de (verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel voorgelegd dienen te worden aan de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.
5.9 Ten aanzien van klachtonderdeel h overweegt de kamer dat de openstaande vorderingen bij brief van 7 november 2024 aan klaagster zijn gespecificeerd en toegelicht. Niet gebleken is dat de betalingen van klaagster en inhoudingen niet correct zijn verwerkt. Een tuchtrechtelijk verwijt kan op dit klachtonderdeel niet worden vastgesteld.
5.10 Ten aanzien van de verzoeken van klaagster om schadevergoeding en terugbetaling van geïnde gelden en rente dient klaagster zich tot de civiele rechter te wenden. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.
5.11 De kamer verklaart de klacht ten aanzien van gerechtsdeurwaarders sub 2 en
sub 3 ongegrond. De kamer verklaart de klacht ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1 gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4.2 gedeeltelijk gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. De kamer betrekt hierbij dat het betekenen van ambtelijke stukken een kerntaak van de gerechtsdeurwaarder is. Gelet op de hoogte van het bedrag aan proceskosten in het beslagexploot had het vanwege de zorgvuldigheid op de weg van gerechtsdeurwaarder sub 1 gelegen om voorafgaand het betekenen van het exploot te verifiëren of het genoemde bedrag correct was. Dit heeft hij niet gedaan.
5.12 De kamer ziet geen aanleiding om gerechtsdeurwaarder sub 1 te veroordelen in de kosten voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, dient gerechtsdeurwaarder sub 1 wel aan klaagster het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.
5.13 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ten aanzien van gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 3 ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1 gedeeltelijk gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan gerechtsdeurwaarder sub 1 de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt gerechtsdeurwaarder sub 1 in de proceskosten van klaagster, begroot op € 50,-- te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat gerechtsdeurwaarder sub 1 aan klaagster het betaalde griffierecht
ad € 50,-- vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.L.S. Kalff en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.