ECLI:NL:TGDKG:2025:106 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/777901 / DW RK 25/428 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-11-2025 |
| Datum publicatie: | 07-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/777901 / DW RK 25/428 MK/SM |
| Onderwerp: | BFT |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Ordemaatregel: zes maanden schorsing ex art. 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
PROCES-VERBAAL van mondelinge uitspraak van 7 november 2025 inzake zaaknummer C/13/777901 / DW RK 25/428 MK/SM,
behandeling ter openbare zit ting , waar aanwezig zijn:
mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. A.K. Mireku en mr. A.W. Veth, (plaatsvervangend) leden, alsmede S.N. Maayen, secretaris.
In de zaak van
BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT
gevestigd te Utrecht,
klaagster,
gemachtigde: mr. A. van den Brink,
tegen:
mr. [ ]
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
Na uitroep van de zaak zijn verschenen:
mr. A. van den Brink, namens het BFT,
drs. E.H.C van Engelen, namens het BFT,
mr. J. Feikema, namens het BFT,
mr. [ ], beklaagde,
Zakelijk weergegeven:
de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 31 oktober 2025, heeft klaagster, hierna: BFT, een klacht, tevens verzoek schorsing ex artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Tijdens de mondelinge behandeling is namens het BFT het verzoek schorsing ex artikel 38 Gdw kort nader toegelicht. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd en daartoe een pleitnota overgelegd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal is opgenomen, dat op 7 november 2025 wordt afgegeven.
inleiding
Naar aanleiding van een e-mail 14 juli 2025 van de gerechtsdeurwaarder, waarin wordt medegedeeld dat hij per 1 juli 2025 niet heeft kunnen voldoen aan een positieve bewaarpositie/bewaarplicht, heeft het BFT een onderzoek uitgevoerd bij de gerechtsdeurwaarder. Het onderzoek heeft geresulteerd in het onderzoeksrapport van 28 oktober 2025.
Het onderzoek heeft onder meer uitgewezen dat het door de gerechtsdeurwaarder gemelde bewaringstekort reeds op 1 april 2025 was ontstaan na een overboeking van € 250.000 naar een privérekening op naam van [ ]. Op 26 augustus 2025 bedroeg het tekort € 299.715.
Verder is vastgesteld dat er stelselmatig overboekingen zijn verricht van de privé rekening van de gerechtsdeurwaarder naar de derdengeldenrekening en vice versa, waarbij steeds vlak voordat de gegevens bij het BFT aangeleverd moesten worden privégelden op de derdengeldenrekening werden gestort die dan kort daarna weer eraf werden geboekt.
Het BFT heeft de gerechtsdeurwaarder meerdere malen gemaand het bewaringstekort terstond aan te zuiveren.
De gerechtsdeurwaarder heeft in eerste instantie een deel van het tekort aangezuiverd door € 50.000 op de derdengeldenrekening te storten. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder € 20.000 en € 19.000 aan honorarium uit zijn bewindvoerderspraktijk doorgestort naar de derdenrekening. Per 29 oktober 2025 was nog sprake van een bewaringstekort van € 132.049. In een e-mail van 28 oktober jl. heeft de gerechtsdeurwaarder het BFT gemeld dat aanzuivering van het tekort pas op 1 januari 2026 zal plaatsvinden.
Gezien de maatschappelijke risico's en de risico's voor de rechthebbenden van het laten bestaan van een bewaringstekort op de derdengeldenrekening verzoekt het BFT de kamer om een schorsing als bedoeld in artikel 38 lid 1 Gdw.
De gerechtsdeurwaarder betwist niet dat er een bewaringstekort is ontstaan, maar is van mening dat een schorsing gezien de huidige situatie een onevenredige/buiten proportionele maatregel is. De gerechtsdeurwaarder heeft immers het tekort binnen twee maanden teruggebracht naar ongeveer € 128.000, een vermindering van circa 60%. Daarnaast is de gerechtsdeurwaarder doende om het restant aan te zuiveren onder meer via het afkopen van een belegportefeuille en een kredietaanvraag van € 50.000. De gerechtsdeurwaarder verzoekt daartoe een respijt van twee á drie weken. Bovendien is de gerechtsdeurwaarder bezig zijn kantoor te verkopen wat hij verwacht te kunnen doen per 1 januari 2026. De gerechtsdeurwaarder vindt niet dat sprake is van enige risico’s, omdat het BFT middels dagelijkse uitdraaien van de derdengeldrekening kan zien dat er niets van af gaat.
De beoordeling van het verzoek
De kamer komt tot het oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de gerechtsdeurwaarder gehandeld heeft in strijd met artikel 34 lid 1 juncto artikel 19 Gdw dat maakt dat een directe schorsing ex artikel 38 Gdw op zijn plaats is. Er is een bewaringstekort, welke al enige tijd bestaat. Daar voegt de kamer aan toe dat het rapport van BFT van 28 oktober 2025 als geheel een extra aanleiding is om over te gaan tot de schorsing. Daarbij doelt de kamer in het bijzonder op het gedurende langere tijd overboeken van gelden uit privé naar de derdengeldenrekening en kort daarop weer terug, met als doel een onjuist beeld te laten bestaan over de bewaarpositie op het moment dat het saldo aan BFT moest worden gemeld. De goede wil om het tekort aan te zuiveren is de kamer niet onopgemerkt gebleven, maar is geen aanleiding om tot een ander besluit te komen.
Het voorgaande rechtvaardigt de maximale schorsing van zes maanden in afwachting van de behandeling van de klacht door de kamer.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- schorst de gerechtsdeurwaarder met ingang van heden voor de duur van zes maanden, althans – indien die datum eerder wordt bereikt – tot aan de datum van de beslissing op de tegen hem ingediende tuchtklacht, onverminderd de mogelijkheid van verlenging als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Waarvan proces-verbaal.