ECLI:NL:TGDKG:2025:103 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/766323/ DW RK 25/90 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:103 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-11-2025 |
| Datum publicatie: | 07-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/766323/ DW RK 25/90 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Ongegrond verklaard. Klager beklaagt zich er – samengevat – over dat de gerechtsdeurwaarder zijn inboedel na een ontruiming heeft vernietigd in plaats van op te slaan. Uit alle omstandigheden rondom de aanzegging en daadwerkelijke ontruiming had klager redelijkerwijs (eerder) kunnen weten dat zijn inboedel vernietigd was. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 7 november 2025 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 25 februari 2025 met zaaknummer C/13/759571 DW RK 24/ 395 LV/RH en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/766323/ DW RK 25/90 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
gemachtigde: mr. E.R. Boer,
tegen:
mr. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
gemachtigde: mr. F.J.M. van der Bruggen.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief met bijlagen, ingekomen op 13 november 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 3 februari 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. Bij beslissing van 25 februari 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 27 februari 2025 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 10 maart 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 september 2025 alwaar de gemachtigde van klager (via een videoverbinding) en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 7 november 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- op 15 juni 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager meegedeeld dat de ontruiming doorgang vindt en dat klagers spullen voor drie maanden opgeslagen worden door de ontruimploeg;
- op 22 juni 2021 is de woning van klager ontruimd;
- op 19 juli 2021 heeft de verhuurder klager verwezen naar de gerechtsdeurwaarder voor vragen over de ontruiming en opgeslagen spullen;
- op 27 juni 2022 heeft klager verzocht hem te informeren wat er met zijn eigendommen is gebeurd;
- op 20 maart 2023 heeft klagers advocaat verzocht om het dossier;
- op 8 juni 2023 heeft klagers advocaat informatie verzocht over de vernietigde inboedel en de gerechtsdeurwaarder aansprakelijk gesteld;
- op 19 juni 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder aansprakelijkheid van de hand gewezen en gesteld dat zich in de woning geen noemenswaardige zaken bevonden en dat er geen opslag heeft plaatsgevonden;
- op 3 juli 2024 heeft de advocaat van klager meegedeeld dat klager op 29 juni 2021 in Nederland is teruggekeerd en toen bleek de boedel reeds te zijn vernietigd;
- op 4 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd en verwezen naar zijn reactie op 19 juni 2023.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarder de inboedel van klager na een gerechtelijke ontruiming heeft vernietigd in plaats van op te slaan. Op de foto’s staat klagers inboedel voor de dag van de verhuizing. De gerechtsdeurwaarder heeft foto’s gemaakt op de dag van de ontruiming. Printers verkeerden nog in goede staat en de koelkast was nieuw. Ook zijn er spullen van emotionele waarde vernietigd.
De inboedel is ten onrechte niet drie maanden opgeslagen. Klager is van mening dat de gerechtsdeurwaarder lichtzinnig is omgegaan met zijn eigendommen en dat hij niet tijdig en helder is geïnformeerd dat zijn eigendommen zouden worden vernietigd.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van dat kantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 In artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet is het volgende bepaald: indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Vastgesteld wordt dat het handelen waarover wordt geklaagd heeft plaatsgevonden op 22 juni 2021. De klacht is ontvangen op 13 november 2024. Dit is meer dan drie jaar later. Niet gebleken is dat de gevolgen van het handelen van de gerechtsdeurwaarder pas nadien bekend zijn geworden. De klacht is daarom kennelijk niet ontvankelijk.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager aangevoerd de klacht binnen de daarvoor bedoelde termijn van drie jaren te hebben aangebracht, nu klager pas op 20 maart 2023 met de ontvangst van het dossier van de gerechtsdeurwaarder kennis heeft genomen van het vermeend klachtwaardig handelen van de gerechtsdeurwaarder.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Ten aanzien van de verzetsgrond overweegt de kamer als volgt. Artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet neemt niet enkel in overweging het moment waarop kennis wordt genomen van klachtwaardig handelen, maar in gelijke mate ook wanneer redelijkerwijs kennis genomen had kúnnen worden van klachtwaardig handelen.
7.2 In het exploot van 31 mei 2021 is onder meer aangezegd “dat alle zich op het moment van de ontruiming nog in het gehuurde aanwezige roerende zaken (…) zullen worden afgevoerd en vernietigd”. De ontruiming heeft vervolgens plaatsgevonden op 22 juni 2021. Klager heeft in een eerder stadium, namelijk bij e-mail van 15 juni 2021 van de gerechtsdeurwaarder bevestigd gekregen dat de ontruiming doorgang zou vinden op 22 juni 2021, de spullen van klager drie maanden opgeslagen zouden worden door de ontruimploeg. Verder kwam klager op 29 juni 2021, bij terugkomst in Nederland, erachter dat zijn inboedel weg was.
7.3 Uit de aanzegging in het exploot van 31 mei 2021 en uit de termijn opgenomen in de e-mail van 15 juni 2021, volgt dat klager in elk geval kort na de drie maanden in 2021 redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waar de klacht betrekking op heeft. Bovendien wist hij op 29 juni 2021 dat zijn inboedel weg was. De kamer overweegt op grond daarvan dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast en terecht heeft overwogen dat klager te laat heeft geklaagd. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het namens klager ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders. De nuance dat klager stel op 29 juni 2021 in de veronderstelling te verkeren dat zijn inboedel was opgeslagen is daarvoor onvoldoende. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter dus eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.